ECLI:NL:RBGEL:2026:4928

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
05-337921-24; 16-269419-25 (gev. ttz)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 287 SrArt. 350 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag en brandstichting in penitentiaire inrichting

Op 20 oktober 2024 mishandelde verdachte het slachtoffer op het station in Tiel gedurende ruim elf minuten met herhaaldelijk slaan, schoppen en gooien, wat leidde tot het overlijden van het slachtoffer enkele dagen later aan hersenbeschadiging door zuurstoftekort en letsels. De rechtbank oordeelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood en veroordeelde hem voor doodslag, maar sprak hem vrij van moord wegens het ontbreken van voorbedachte raad.

Daarnaast werd verdachte op 7 oktober 2025 veroordeeld voor brandstichting in zijn cel in de penitentiaire inrichting Nieuwegein door een kussen in brand te steken met open vuur, wat leidde tot schade aan cel en goederen. De vernieling van de celruit werd niet strafbaar verklaard vanwege noodtoestand.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 13 jaar op, lager dan de geëiste 15 jaar, rekening houdend met de ernst van het feit en de omstandigheden van verdachte. Tevens werden schadevergoedingen aan de benadeelden toegewezen, inclusief smartengeld aan de ouders van het slachtoffer. De schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd ondanks de beperkte draagkracht van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor doodslag en brandstichting, vrijgesproken van moord en ontslagen van rechtsvervolging voor vernieling van celruit.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-337921-24; 16-269419-25 (gev. ttz)
Datum uitspraak : 22 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1985 in [woonplaats] (Tsjecho-Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
raadsman: mr. D. van der Beek, advocaat in Nijmegen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24
Aan verdachte is na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 oktober 2024 te Tiel, althans in Nederland,
[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade
van het leven heeft beroofd,
door die [slachtoffer]
- meermalen tegen het hoofd en/of (overige delen van) het
(boven)lichaam te slaan en/of
- meermalen op te tillen en vervolgens (met kracht) te laten vallen en/of
(tegen de vloer) neer te gooien en/of
- meermalen te schoppen tegen het hoofd en/of (overige delen van) het
(boven)lichaam
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 20 oktober 2024 te Tiel, althans in Nederland,
aan [slachtoffer]
opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel, te weten
(onder meer) meerdere gebroken ribben en/of een gebroken
ringkraakbeen en/of gebroken neuskraakbeen en/of gebroken
neus(been) en/of gebroken schildkraakbeen en/of een gebroken
(boven)kaak,
heeft toegebracht
door die [slachtoffer]
-meermalen tegen het hoofd en/of (overige delen van) het
(boven)lichaam te slaan en/of
- meermalen op te tillen en vervolgens (met kracht) te laten vallen en/of
(tegen de vloer) neer te gooien en/of
- meermalen te schoppen tegen het hoofd en/of (overige delen van) het
(boven)lichaam,
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.
Ten aanzien van parketnummer 16-269419-25
1.
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Nieuwegein
opzettelijk
brand heeft gesticht, door een kussen in een magnetron te stoppen en/of open vuur in aanraking
te brengen met dat kussen, ten gevolge waarvan dat kussen en/of een dekbed geheel of
gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de cel waarin verdachte
verbleef en/of zich daarin begevende goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te
duchten was;
2.
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Nieuwegein
opzettelijk en wederrechtelijk
een cel, een ruit, het glas van een celdeur, een kussen, een bed, een magnetron, een
ventilatierooster en/of een dekbed, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een
ander, te weten aan de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein , toebehoorde
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit en dat er tevens sprake is van voorbedachte raad.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de dood van [slachtoffer] niet dan wel niet volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Verder heeft de raadsman bepleit dat geen sprake is van voorbedachte raad. Daarnaast is bepleit dat geen sprake is van vol opzet en ook niet van voorwaardelijk opzet. Ten aanzien van het opzet op de dood is bepleit dat uit het dossier niet duidelijk wordt of verdachte [slachtoffer] met slaan en schoppen het hoofd heeft geraakt en indien dat wel het geval is, met welke kracht dat is gebeurd. De beelden, verklaringen en rapportages houden verder de mogelijkheid open dat het hoofdletsel bij [slachtoffer] is veroorzaakt doordat [slachtoffer] bij het op de grond vallen onbedoeld ongelukkig terecht is gekomen. Als er al een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] is geweest, dan kan – door de geestelijke toestand waarin verdachte zich bevond – niet worden aangenomen dat verdachte zich van die kans bewust is geweest dan wel deze heeft aanvaard.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
Op 20 oktober 2024 omstreeks 12.30 uur treffen verbalisanten [slachtoffer] liggend aan in de overdekte fietsenstalling van het treinstation in Tiel. Er komt braaksel uit [slachtoffer] ’s mond, er zit opgedroogd bloed op zijn gezicht en bij iedere ademhaling maakt [slachtoffer] een borrelend geluid. Tevens constateren verbalisanten een wondje op het neusbeen bij [slachtoffer] . [2] De aangekomen ambulancemedewerkers stellen een fors verminderd bewustzijn en fors gedaalde zuurstofverzadiging van het bloed vast, waarna [slachtoffer] naar het ziekenhuis wordt vervoerd. [3]
Op de beelden van camera 2, die zicht hebben op de poortjes van de uitgang van de fietsenstalling van het station in Tiel, is te zien dat om 05:24 uur een persoon rechts in de hoek staat. De persoon op de beelden draagt donkerkleurige sneakers met een wit logo en witte rand en heeft onder andere een zwarte rugtas bij zich. Verdachte heeft verklaard dat hij de persoon op de beelden is. [4] Verbalisant ziet om 05:25 uur een ander persoon binnenlopen die hij herkent als [slachtoffer] . Om 05:33 uur loopt verdachte naar [slachtoffer] en trapt [slachtoffer] , waarbij hij hem aan de linker bovenzijde van zijn lichaam raakt. Om 05:34 uur geeft verdachte met zijn rechtervuist een klap, ter hoogte van het bovenlichaam van [slachtoffer] en raakt hem. Vervolgens geeft verdachte [slachtoffer] acht linkse en rechtse vuistslagen en raakt [slachtoffer] daarbij op het bovenlichaam.
Om 05:35 uur trapt verdachte [slachtoffer] met zijn rechtervoet en raakt hem ter hoogte van het bovenlichaam (lijkt ter hoogte van nek, gezicht) terwijl [slachtoffer] op de grond ligt. Het lichaam van [slachtoffer] beweegt door de impact en verdachte steunt tijdens het trappen met zijn linkerhand tegen de muur. [slachtoffer] blijft na deze trap stil liggen. Verdachte pakt dan [slachtoffer] op aan zijn jas, tilt hem op en gooit hem op de grond neer, waarna verdachte wegloopt en in zijn tas kijkt. Om 05:37 uur trapt verdachte met zijn rechtervoet [slachtoffer] en raakt hem op zijn rechterschouder. Verdachte sleept [slachtoffer] mee. [slachtoffer] biedt geen weerstand tijdens de verplaatsing, zijn lichaam is slap. Verdachte gooit [slachtoffer] vervolgens drie keer op de grond. Om 05:38 uur loopt verdachte weer naar zijn tassen en kijkt erin. [slachtoffer] blijft roerloos liggen. Om 05:39 uur tilt verdachte [slachtoffer] op, gooit hem neer, maakt een trappende beweging met zijn rechterhak in de richting van [slachtoffer] zijn buik en raakt hem. [slachtoffer] zijn lichaam beweegt door de trap. Daarna wordt [slachtoffer] weer neergegooid door verdachte, waardoor hij met zijn hoofd ter hoogte van de muur aan de linkerkant van de hal terechtkomt. Tijdens het oppakken is het lichaam van [slachtoffer] slap en als hij op de grond komt, blijft hij roerloos liggen. Om 05:40 uur geeft verdachte [slachtoffer] een trap met zijn rechtervoet ter hoogte van het hoofd van [slachtoffer] . Tijdens de impact van de trap maakt het lichaam van [slachtoffer] een schokbeweging. [slachtoffer] wordt weer neergegooid en raakt met zijn hoofd de muur. Verdachte trapt dan drie keer met zijn rechtervoet tegen het lichaam, waarschijnlijk ter hoogte van de rug van [slachtoffer] . Het lichaam van [slachtoffer] beweegt tijdens de trappen. Om 05:41 uur kijkt verdachte in zijn rugtas en maakt diverse gebaren. [slachtoffer] beweegt dan nog zijn lichaam. Om 05:43 uur stampt verdachte met zijn rechtervoet op het lichaam van [slachtoffer] , raakt hem op borsthoogte, waardoor het lichaam van [slachtoffer] heen en weer beweegt tijdens de impact. Om 05:44 staat verdachte op en geeft hij een trap tegen het hoofd van [slachtoffer] en raakt hem daarbij. Het hoofd van [slachtoffer] maakt een beweging naar rechts tijdens de impact van de trap. Om 05:46 uur is te zien dat [slachtoffer] blijft liggen en alleen zijn buik op en neer beweegt. Om 05:49 uur verdwijnt verdachte uit beeld. [5]
Verdachte verklaarde dat hij het station van Tiel heeft verlaten en naar Kesteren is gereisd. [6] Op de beelden was te zien dat tussen het vertrekken van verdachte uit het station om 05:49 uur en het aantreffen van [slachtoffer] door verbalisanten om 12.30 uur, er geen geweld meer op [slachtoffer] is uitgeoefend door andere personen. [7]
Op 25 oktober 2024 om 23.45 uur is [slachtoffer] in het CWZ ziekenhuis te Nijmegen overleden. [8]
Forensisch onderzoek
[slachtoffer] was zeer mager en woog slechts 39 kilo. [9] Uit het forensisch pathologisch onderzoek volgt dat bij [slachtoffer] sprake was van uitgebreide hersenbeschadiging als gevolg van zuurstoftekort in combinatie met hersenzwelling en inklemming. Dit letsel kan het uiteindelijke overlijden geheel verklaren.
Daarnaast zijn bij [slachtoffer] meerdere letsels vastgesteld die bij leven zijn ontstaan door inwerking van stomp botsende en deels schavende krachtsinwerking, waaronder letsels aan het hoofd, gelaat en halsskelet, breuken van het neusbeen en de bovenkaak en ribbreuken. De aard en omvang van deze letsels passen bij herhaaldelijk slaan, trappen en/of vallen.
Uit het rapport van de forensisch patholoog blijkt dat het overlijden kan worden verklaard door (al dan niet in combinatie):
  • belemmering van de luchtwegen door braaksel/maaginhoud en/of bloed (aspiratie) na doorgemaakte krachtsinwerking aan het hoofd (met hierdoor bewustzijnsverlies);
  • belemmering van de ademhaling door pijn als gevolg van de ribbreuken door krachtsinwerking links aan de borstkas;
  • (in vermoedelijk geringe mate) belemmering van de ademhaling door slijmvlieszwelling in de luchtpijp door breuken van het ringkraakbeen en het schildkraakbeen;
  • een verminderde longfunctie door ziekelijke veranderingen van de longen.
Niet kan worden vastgesteld of worden uitgesloten of een intoxicatie een rol van betekenis heeft gespeeld ten aanzien van het overlijden.
Bij opname in het ziekenhuis is de urine van [slachtoffer] positief getest op cannabis, methadon en cocaïne. Nadien is toxicologisch onderzoek gedaan naar bij leven afgenomen serum van [slachtoffer] . Daarbij is geen methadon in het serum aangetoond.
Tussen de mishandeling en de afname van het serum ligt ongeveer 54 uur. Daardoor kunnen stoffen die ten tijde van de mishandeling aanwezig waren, zijn afgenomen, waardoor ze in het serum niet meer aantoonbaar zijn. In het serum van [slachtoffer] werden omzettingsproducten van cocaïne en THC aangetroffen. De resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek geven geen aanwijzingen voor een bijdrage van geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden en kunnen het overlijden niet verklaren. [11]
Opzet op de dood
Voor een bewezenverklaring van doodslag is vereist dat verdachte (tenminste voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] .
De verdediging heeft in dat verband aangevoerd dat uit het dossier niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte meerdere malen het hoofd van [slachtoffer] heeft geraakt, dan wel met welke kracht dat geweld is uitgeoefend.
De rechtbank overweegt daarover als volgt. Uit de camerabeelden is gebleken dat verdachte in een periode van ruim elf minuten meermalen fors geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer] , waaronder het meerdere malen schoppen en slaan tegen het hoofd en/of bovenlichaam terwijl [slachtoffer] op de grond lag en het meerdere malen optillen en tegen de grond of muur gooien van [slachtoffer] . Dat er fors geweld is uitgeoefend, blijkt ook uit de letsels die zijn vastgesteld, zoals hiervoor genoemd.
Het herhaaldelijk uitoefenen van dergelijk geweld tegen een weerloos op de grond liggend persoon roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood in het leven. Daarbij is van belang dat verdachte schopte met een geschoeide voet en tijdens het trappen deels met zijn linkerhand tegen de muur steunde, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte tijdens het trappen extra kracht wilde bijzetten. Op de beelden was verder te zien dat het lichaam van [slachtoffer] door de impact van de trappen meebewoog, wat bevestigt dat verdachte met kracht schopte. Daar komt bij dat [slachtoffer] zeer mager was en slechts 39 kilo woog, wat verdachte moet hebben gemerkt aangezien hij hem meermalen heeft opgetild en op de grond heeft gegooid.
Onder deze omstandigheden moet verdachte zich bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat zijn handelen de dood van [slachtoffer] tot gevolg kon hebben. Door toch steeds door te gaan met het forse geweld, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op de dood bewust aanvaard. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat verdachte, gelet op zijn eigen rauwe migrantenbestaan of geestelijke toestand ten tijde van het geweld, niet in staat zou zijn geweest om die kans te onderkennen en te aanvaarden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen, namelijk het minutenlang steeds weer gecontroleerd fors geweld uitoefenen op een kwetsbare, magere persoon die slap en roerloos op de grond ligt, volgt juist dat er sprake was van gericht en bewust handelen. Daarbij komt dat in het dossier geen aanknopingspunten zitten voor een zodanige geestelijke stoornis dat verdachte de gevolgen en risico’s van zijn handelen niet kon inschatten. De enkele omstandigheid dat verdachte vermoeid was en onder invloed van alcohol verkeerde is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Causaal verband en toerekening
Voor een bewezenverklaring van doodslag dient verder te worden vastgesteld dat het overlijden van [slachtoffer] redelijkerwijs aan het handelen van verdachte kan worden toegerekend.
Aangezien niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor moet zijn geweest voor het overlijden, is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat (1) het handelen van de verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid, en (2) dat aannemelijk is dat het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door dat handelen is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar haar aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg (zie HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303). Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat het ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid (zie Hoge Raad 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362).
Gelet op de aard en samenhang van de bij [slachtoffer] vastgestelde letsels in het forensisch rapport in combinatie met de camerabeelden, stelt de rechtbank vast dat het door verdachte toegepaste geweld heeft geleid tot het bij [slachtoffer] ontstane letsel.
Op grond van het forensisch pathologisch rapport kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat het handelen van verdachte in de keten van de gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden een noodzakelijke factor is geweest voor het ingetreden gevolg. Wel blijkt uit het forensisch pathologisch rapport dat zowel belemmering van de luchtwegen door braaksel/maaginhoud en/of bloed (aspiratie) na doorgemaakte krachtsinwerking aan het hoofd (met hierdoor bewustzijnsverlies), belemmering van de ademhaling door pijn als gevolg van de ribbreuken door krachtsinwerking links aan de borstkas en (in vermoedelijk geringe mate) belemmering van de ademhaling door slijmvlieszwelling in de luchtpijp door breuken van het ringkraakbeen en het schildkraakbeen (al dan niet in combinatie) het overlijden kunnen verklaren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het handelen van de verdachte een onmisbare schakel
kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het overlijden van [slachtoffer] hebben geleid.
Vervolgens dient de rechtbank stil te staan bij de vraag of aannemelijk is dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het handelen van verdachte is veroorzaakt. De rechtbank overweegt daarbij dat in de gegeven omstandigheden het door verdachte toegepaste geweld naar haar aard geschikt is om het overlijden teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat zij het vermoeden wettigt dat deze heeft geleid tot het intreden van het gevolg. Het is namelijk algemeen bekend dat het gedurende geruime tijd uitoefenen van fors geweld tegen een weerloos en zeer mager op de grond liggend persoon, waarbij onder andere meermalen wordt geslagen en met kracht en geschoeide voet wordt getrapt op het hoofd (een vitaal en kwetsbaar lichaamsdeel) en/of het bovenlichaam (waar zich vitale lichaamsfuncties bevinden), kan leiden tot de dood.
Daarnaast staat de rechtbank stil bij de vraag in hoeverre aannemelijk is geworden dat een andere oorzaak hoogstwaarschijnlijk tot dat het overlijden heeft geleid. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
De verdediging heeft aangevoerd dat het overlijden mogelijk (mede) het gevolg kan zijn van een ongelukkige val van [slachtoffer] . Uit de bewijsmiddelen in het dossier, in het bijzonder de camerabeelden, volgt echter geen enkele aanwijzing dat het letsel is ontstaan door een val waarbij [slachtoffer] op een toevallige wijze verkeerd terecht is gekomen op zijn hoofd. Ook het letselbeeld past juist bij herhaald en krachtig toegebracht geweld waardoor uiteindelijk het overlijden kan zijn ingetreden. Het aangehaalde scenario van de verdediging vindt daarom geen steun in het dossier en is op geen enkele manier aannemelijk geworden, waardoor de rechtbank het zal verwerpen.
De rechtbank overweegt verder dat uit het forensisch onderzoek volgt dat niet kan worden vastgesteld noch kan worden uitgesloten dat een intoxicatie een rol van betekenis heeft gespeeld bij het overlijden. Wel blijkt uit het dossier dat de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek
geenaanwijzingen geven voor een bijdrage van geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen aan het overlijden en het overlijden niet kunnen verklaren. Daar komt bij dat uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] kort voor de mishandeling contact heeft gehad met getuige [getuige] en er contact is geweest met een medewerker van de 112-centrale, omdat [slachtoffer] veel pijn had aan zijn ballen. Er zijn geen aanwijzingen dat [slachtoffer] op dat moment vanwege drugsgebruik medische hulp nodig had en anders kwam te overlijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat intoxicatie hoogstwaarschijnlijk tot het overlijden heeft geleid.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit het dossier blijkt dat de ontsteking aan de rechterbal die passend is bij de klachten die [slachtoffer] heeft geuit, geen rol van betekenis heeft gehad bij het overlijden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat een andere, niet aan verdachte gerelateerde oorzaak, hoogstwaarschijnlijk tot het overlijden heeft geleid.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het aannemelijk is dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door het verdachte toegepaste geweld van verdachte is veroorzaakt. Het overlijden kan dus aan verdachte worden toegerekend. Er is daarmee wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag.
Voorbedachte raad
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van voorbedachte raad. Daarvoor is vereist dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Het door verdachte toegepaste geweld heeft zich afgespeeld binnen een tijdsbestek van ruim elf minuten, waarin verdachte meerdere malen geweld heeft uitgeoefend en tussendoor korte momenten afstand heeft genomen van [slachtoffer] om in zijn tas te kijken. In die periode heeft verdachte zich kunnen beraden op het te nemen besluit om geweld toe te passen.
De rechtbank houdt er rekening mee dat het overlijden van het slachtoffer niet kan worden verklaard door de eerste of één specifieke geweldshandeling, maar door het geheel van het door verdachte toegepaste geweld. Tegen die achtergrond is het de vraag of op basis van het dossier kan worden vastgesteld of verdachte zich heeft kunnen beraden op het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven.
Daar komt bij dat er contra-indicaties zijn voor het handelen met voorbedachte raad. In dat kader overweegt de rechtbank dat het geweld is begonnen en ook daarna steeds heeft plaatsgevonden op dezelfde plek, te weten in de fietsenstalling. Verdachte is niet van die plek weggeweest tijdens het door hem toegepaste geweld. Daarnaast was sprake van steeds voortdurende emoties bij verdachte, omdat hij zijn paspoort kwijt was nadat eerder zijn telefoon en andere spullen waren gestolen. Daardoor was hij in de war en boos en dat duurde de hele periode waarin hij geweld tegen de verdachte heeft gebruik voort.
De rechtbank betrekt hierbij ook dat verdachte ten tijde van het geweld onder invloed was van alcohol en meerdere nachten niet had geslapen.Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dit leidt ertoe dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte zal aldus worden vrijgesproken van moord en worden veroordeeld wegens doodslag.
Ten aanzien van parketnummer 16-269419-25 [12]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Er is geen brand geweest. Daarnaast is er, geen sprake van enige vorm van opzet. Kennelijk is de kans niet aanmerkelijk dat wanneer een kussen in een magnetron wordt gestopt en deze wordt aangezet, er brand ontstaat. Ook de forensisch onderzoekers hebben dit niet benoemd als brandoorzaak, blijkbaar omdat zij die kans volgens de raadsman niet als aanmerkelijk kwalificeren. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
Op 7 oktober 2025 was [naam 1] aan het werk als penitentiaire inrichtingswerker in de P.I. van Nieuwegein . Om 09.30 uur hoorde [naam 1] hard gebonk en glasgerinkel komen uit cel D22, de cel waar verdachte verbleef. Bij het openen van het luikje kwam er rook uit de cel. Er werd direct geblust met 2 brandslangen, waarna er opnieuw een klap en glasgerinkel klonk. De gealarmeerde brandweer nam het blussen over en sleepte verdachte uit de cel. [13]
Penitentiaire inrichtingswerker [naam 2] zag, nadat het brandalarm was afgegaan op zijn pieper, een kussen in brand staan voor het grote raam aan de achterkant van de cel. [14]
[naam 3] heeft namens de P.I. Nieuwegein aangifte gedaan van vernieling en brandstichting. Op 7 oktober 2025 was hij aan het werk als hoofd veiligheid in de P.I. Nieuwegein . Alle collega’s kregen een melding van brand in cel D22. Via de portofoon hoorde hij dat er daadwerkelijk brand was in de cel. Hij zag dat er één persoon uit de cel kwam. De ruit van de cel is eruit geslagen en de cel was volledig nat door het bluswater. [15]
Uit forensisch onderzoek kwam naar voren dat er in de cel vier aanstekers lagen. Verder was de magnetron op diverse plekken beschadigd en beroet. Een hoek van het dekbed, dat op het bed lag, was ook beroet en gesmolten. Op de grond voor het raam lag een deel van een verbrand kussen waarvan de vulling grotendeels uit het kussen lag. De vloer onder het kussen was tevens aangetast door het branden van het kussen op de grond en rond het kussen lagen meerdere glasresten afkomstig van het raam. Er zat een groot gat in beide ruiten die waren gebarsten door geweldsinwerking. Tussen het raam en de tralies lag een ander deel van het verbrande kussen. Op het raamkozijn en het ventilatierooster zaten sporen van hitte inwerking in de vorm van roetafzetting. Verder zaten op het bed enkele druipsporen van het verbrande kussen.
De forensische onderzoekers stelden vast dat de oorzaak van de brand is het brengen van open vuur op het kussen. Naast het kussen werden geen andere sporen aangetroffen waardoor de brand kon zijn ontstaan. Als gevolg van het kussen dat in brand is gestoken zijn ook andere objecten in de cel door de brand aangetast waaronder het dekbed en raamkozijn. [16]
Conclusie
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte brand heeft gesticht in zijn cel door met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met een kussen. De rechtbank gaat daarbij niet uit van de verklaring van verdachte dat hij het kussen in de magnetron heeft gestopt, nu daarvoor geen verdere aanknopingspunten zijn in het dossier. Weliswaar is de magnetron deels beroet aangetroffen, maar uit het forensisch onderzoek volgt niet dat het stoppen van het kussen in de magnetron de oorzaak van de brand is geweest. Dat de magnetron beroet is aangetroffen kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden verklaard door de brand van het kussen.
Door open vuur in aanraking te brengen met een brandbaar voorwerp als een kussen heeft verdachte naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat hierdoor brand zou ontstaan.
Door de brand is tevens gemeen gevaar voor goederen ontstaan, nu is gebleken dat de cel, een ruit, het glas van een celdeur, een kussen, een bed, een magnetron, een ventilatierooster en een dekbed zijn beschadigd dan wel onbruikbaar geworden.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die ervoor heeft gezorgd dat voornoemde spullen zijn beschadigd, aangezien verdachte als enige in de cel verbleef en de beschadigde goederen in zijn cel zijn aangetroffen. Ook is de rechtbank van oordeel dat het verdachte is geweest die ervoor heeft gezorgd dat de cel tijdelijk onbruikbaar was vanwege het bluswater dat in de cel stond, omdat verdachte brand had gesticht in zijn cel.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan brandstichting en vernieling.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit onder parketnummer parketnummer 05-337921-24 en de feiten onder parketnummer 16-269419-25 heeft begaan, te weten dat:
Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24
hij op
of omstreeks20 oktober 2024 te Tiel,
althans in Nederland,
[slachtoffer] opzettelijk
en al dan niet met voorbedachten rade
van het leven heeft beroofd,
door die [slachtoffer]
- meermalen tegen
het hoofd en/of(overige delen van) het
(boven)lichaam te slaan en
/of
- meermalen op te tillen en vervolgens (met kracht) te laten vallen
en/of
(tegen de vloer) neer te gooien en
/of
- meermalen te schoppen tegen het hoofd en
/of(overige delen van) het
(boven)lichaam.
Ten aanzien van parketnummer 16-269419-25
1.
hij op
of omstreeks7 oktober 2025 te Nieuwegein
opzettelijk
brand heeft gesticht, door
een kussen in een magnetron te stoppen en/ofopen vuur in aanraking
te brengen met
eenkussen, ten gevolge waarvan dat kussen en
/ofeen dekbed
geheel of
gedeeltelijk
is/zijn verbrand,
in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor
een of meergoederen, te weten de cel waarin verdachte
verbleef en
/ofzich daarin begevende goederen,
in elk geval gemeen gevaar voor goederente
duchten was;
2.
hij op
of omstreeks7 oktober 2025 te Nieuwegein
opzettelijk en wederrechtelijk
een cel, een ruit, het glas van een celdeur, een kussen, een bed, een magnetron, een
ventilatierooster en
/ofeen dekbed,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een
ander, te weten aan de Penitentiaire Inrichting Nieuwegein, toebehoorde
heeft
vernield,beschadigd en
/ofonbruikbaar gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24
feit 1:
doodslag
Ten aanzien van parketnummer 16-269419-25
feit 1:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
feit 2:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en onbruikbaar maken

5.De strafbaarheid van de feiten

Ten aanzien van het feit van parketnummer 05-337921-24 en feit 1 van parketnummer 16-269419-25
De feiten zijn strafbaar.
Ten aanzien van feit 2 van parketnummer 16-269419-25
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte, eventueel met uitzondering van het in brand steken van het kussen, heeft gehandeld in een noodtoestand. Verdachte bevond zich door de rookontwikkeling in de cel in een zodanige situatie dat hij geen andere keuze had dan de ruit en het glas van de celdeur te vernielen om te kunnen blijven ademen. Verdachte moet daarom volgens de verdediging ten aanzien van dit feit worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor een geslaagd beroep op objectieve overmacht (noodtoestand) dient sprake te zijn van een actuele en concrete noodsituatie, met als gevolg een conflict van plichten waarbij verdachte gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval een gerechtvaardigde keuze heeft gemaakt.
De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte door de rookontwikkeling in de cel moeite kreeg met ademhalen. Onder die omstandigheden mocht verdachte zijn eigen gezondheid en veiligheid zwaarder laten wegen dan het belang van het behoud van de ruit en het glas van de celdeur. Het inslaan daarvan kan daarom worden gezien als een noodzakelijke handeling. Daarmee is sprake van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodtoestand. Dat verdachte zelf de brand had gesticht, maakt dit oordeel niet anders.
Het bewezenverklaarde is daarom niet strafbaar ten aanzien van het vernielen van de ruit en het glas van de celdeur. Verdachte zal in zoverre worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen hogere gevangenisstraf moet worden opgelegd dan voor de duur van 7 of 8 jaren.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige vorm van zinloos geweld tegen een weerloos slachtoffer. Verdachte heeft [slachtoffer] gedurende ruim elf minuten meerdere malen en met kracht fors mishandeld door hem met kracht te slaan, te schoppen en tegen de grond en de muur te werpen waarbij [slachtoffer] meermalen is geraakt op zijn hoofd en bovenlichaam. Het geweld kwam voort uit de onjuiste veronderstelling van verdachte dat [slachtoffer] zijn paspoort had gestolen. Verdachte vond zijn paspoort later terug in een andere tas.
Verdachte is tijdens het geweld blijven doorgaan, ook op momenten waarop [slachtoffer] nauwelijks meer reageerde. [slachtoffer] lag volledig weerloos op de grond en was niet meer in staat zich te verweren. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .
[slachtoffer] werd kort na het incident opgenomen in het ziekenhuis, vervolgens overgebracht naar de intensive care en overleed enkele dagen later aan de gevolgen van het opgelopen letsel. Verdachte heeft hiermee het meest kostbare bezit van [slachtoffer] ontnomen, namelijk het recht op leven. Dat het overlijden van het slachtoffer binnen de familie en de plaats Tiel groot leed heeft veroorzaakt, is gebleken uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen van de nabestaanden.
Daarnaast is het geweld gepleegd in een openbare ruimte, namelijk in een fietsenstalling op een treinstation. Dergelijke feiten schokken de rechtsorde enorm en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt verdachte zijn handelen ernstig kwalijk.
Verdachte heeft zich eveneens schuldig gemaakt aan brandstichting en vernieling in zijn cel door een kussen in brand te steken. Hierdoor is een gevaarlijke situatie ontstaan met aanzienlijke rookontwikkeling, waardoor naastgelegen cellen moesten worden ontruimd en een penitentiaire inrichtingswerker rook inademde. Door het snelle optreden van het personeel van de penitentiaire inrichting en de brandweer zijn de gevolgen uiteindelijk beperkt gebleven. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander.
De persoon van verdachte
Uit de PBC-rapportage van 13 april 2026 en de PJ-rapportage van 4 juli 2025 zijn geen diagnostische conclusies naar voren gekomen. Er bestaan aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek, stoornissen in het gebruik van middelen en psychotische problematiek bij verdachte, maar die kunnen door het beperkte zicht dat is verkregen over verdachte zijn leven niet leiden tot een oordeel over de mate van toerekenbaarheid.
Uit het reclasseringsrapport van 18 mei 2026 blijkt dat de reclassering op basis van de psychologische rapportages onvoldoende mogelijkheden ziet om verdachte te begeleiden in het kader van tbs met voorwaarden, omdat verdachte zelf aangeeft geen behandeling nodig te hebben en contact met de reclassering niet op prijs stelt en omdat verdachte mogelijk tot ongewenst vreemdeling zal worden verklaard bij een veroordeling.
De straf
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een straf opleggen zonder voorwaarden, nu niet duidelijk is geworden hoe een behandeling vorm zal moeten worden gegeven.
De rechtbank kijkt naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat alleen al voor een enkelvoudige doodslag een gevangenisstraf tussen de 10 en 15 jaren wordt opgelegd.
Bij de strafoplegging wordt enerzijds betrokken dat uit de rapportages geen duidelijke diagnose of advies over de toerekenbaarheid van verdachte naar voren komt, maar dat er wel aanwijzingen zijn geweest voor een verwarde toestand kort voorafgaand aan het feit. Anderzijds geldt dat doodslag een van de meest ernstige feiten is die het Wetboek van Strafrecht kent en dat de rechtbank daarom geen aanleiding ziet om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur.
De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, nu geen sprake is van moord, maar van doodslag. Een straf van 7 of 8 jaar, zoals door de raadsman is bepleit, doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit, met name vanuit het oogpunt van vergelding. Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 13 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24
De benadeelde partij [vader slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 259,- aan materiële schade en
€ 17.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [moeder slachtoffer] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 152,- aan materiële schade en
€ 17.500,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.045,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 476,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 721,85,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De materiële schade is opgebouwd uit:
  • € 423,- aan vliegtickets voor het bijwonen van de uitvaart in Marokko;
  • € 298,85,- aan autohuur in Marokko.
De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 755,91 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De materiële schade is opgebouwd uit:
  • € 334,91,- voor een maaltijd bij de uitvaartdienst in Nederland;
  • € 421,- aan vliegtickets voor het bijwonen van de uitvaart in Marokko.
De benadeelde partij [benadeelde 5] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.752,86 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. De materiële schade is opgebouwd uit:
  • € 3.490,- voor het vervoer van het stoffelijk overschot naar Marokko;
  • € 936,- aan vliegtickets voor het bijwonen van de uitvaart in Marokko voor de benadeelde partij en haar dochter;
  • € 326,86,- aan autohuur in Marokko.
De benadeelde partij [benadeelde 6] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 421,99 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging refereert zich ten aanzien van de vorderingen benadeelde partijen aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de schadevergoedingsmaatregel heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de afwezigheid van de draagkracht bij verdachte. Daarnaast zou verdachte door de gijzeling nog langer van zijn vrijheid kunnen worden beroofd, wat niet de bedoeling is van de maatregel.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten van de benadeelde partijen niet inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn (verder) voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW).
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de materiële vorderingen volledig kunnen worden toegewezen tot een hoogte van:
  • [vader slachtoffer] € 259,-;
  • [moeder slachtoffer] € 152,-;
  • [benadeelde 1] € 3.045,-;
  • [benadeelde 2] € 476,-;
  • [benadeelde 3] € 721,85,-;
  • [benadeelde 4] € 755,91,-;
  • [benadeelde 5] € 4.752,86,-;
  • [benadeelde 6] € 421,99,-.
Affectieschade
De benadeelde partijen [vader slachtoffer] (€ 17.500,-) en [moeder slachtoffer]
(€ 17.500,-) hebben smartengeld in de zin van affectieschade gevorderd in verband met de doodslag op hun zoon [slachtoffer] .
Het bewezen verklaarde feit is gepleegd na 1 januari 2019. Het slachtoffer is als gevolg van het bewezen verklaarde feit overleden. De benadeelde partijen zijn de ouders van het slachtoffer. Zij hebben daarom recht op affectieschade op grond van artikel 6:108 lid 3 jo Pro. lid 4 sub c BW.
De vorderingen zijn voldoende onderbouwd. Het bewezen verklaarde feit betreft een misdrijf. De benadeelde partijen hebben dan ook recht op het gevorderde bedrag van € 17.500,-. De bedragen zullen worden toegewezen.
Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel
Verdachte is wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd vanaf de data die in het dictum bij de verschillende bedragen zijn opgenomen.
De rechtbank overweegt dat de draagkracht van verdachte in beginsel geen rol speelt bij de vraag of de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Deze maatregel strekt ertoe de betaling van de schadevergoeding aan de benadeelde partijen te bevorderen. De omstandigheid dat verdachte mogelijk niet of slechts beperkt in staat is tot betaling, vormt dan ook geen aanleiding voor de rechtbank om de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.
Voor zover de verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van gijzeling, overweegt de rechtbank dat gijzeling geen straf is, maar een dwangmiddel dat eerst aan de orde komt indien verdachte in gebreke blijft te betalen en geen verhaal mogelijk blijkt. Dat toepassing van dit dwangmiddel kan leiden tot vrijheidsbeneming, maakt niet dat de schadevergoedingsmaatregel achterwege dient te blijven.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedragen aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 57, 157, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 verklaart het onder feit 2 van parketnummer 16-269419-25 bewezenverklaarde van het vernielen van de ruit en het glas van de celdeur niet strafbaar en ontslaat verdachte ten aanzien van deze goederen van alle rechtsvervolging;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Ten aanzien van parketnummer 05-337921-24
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit onder feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [vader slachtoffer] , [moeder slachtoffer] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] en [benadeelde 6] van de volgende bedragen aan materiële schade en smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
Benadeelde partij
Bedrag
Datum wettelijke rente
[vader slachtoffer]
€ 259,-
30 oktober 2024
[vader slachtoffer]
€ 17.500,-
25 oktober 2024
[moeder slachtoffer]
€ 152,-
30 oktober 2024
[moeder slachtoffer]
€ 17.500,-
25 oktober 2024
[benadeelde 1]
€ 3.045,-
30 oktober 2024
[benadeelde 2]
€ 476,-
29 oktober 2024
[benadeelde 3]
€ 721,85,-
31 oktober 2024
[benadeelde 4]
€ 755,91,-
29 oktober 2024
[benadeelde 5]
€ 4.752,86,-
31 oktober 2024
[benadeelde 6]
€ 421,99,-
5 november 2024
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade en smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
Benadeelde partij
Bedrag
Aantal dagen gijzeling
[vader slachtoffer]
€ 259,-
2
[vader slachtoffer]
€ 17.500,-
112
[moeder slachtoffer]
€ 152,-
1
[moeder slachtoffer]
€ 17.500,-
112
[benadeelde 1]
€ 3.045,-
30
[benadeelde 2]
€ 476,-
4
[benadeelde 3]
€ 721,85,-
7
[benadeelde 4]
€ 755,91,-
7
[benadeelde 5]
€ 4.752,86,-
47
[benadeelde 6]
€ 421,99,-
4
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.T.G. van Wandelen (voorzitter), mr. M.G.E. ter Hart en mr. T. Kok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2024493734, gesloten op 5 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 93-95.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 390.
4.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 49.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 171-193.
6.Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 42.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 219.
8.Schouwverslag, p. 326-328.
9.Voorlopig rapport forensisch pathologisch onderzoek, p. 348.
10.Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden , p. 397-398.
11.Rapport basis toxicologisch onderzoek, p. 416.
12.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0900-2025340777, gesloten op 8 maart 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
13.Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 11-12.
14.Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 14.
15.Het proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.
16.Het proces-verbaal van forensisch onderzoek, p. 26-27.