Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4902

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
ARN 25/3053
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.112 Bouwbesluit 2003Art. 22.1 OmgevingswetArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 lid 1 OmgevingswetArt. 5.1 lid 2 Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij omgevingsvergunning garageverbouwing

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de herroeping van een eerder verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van een gedeelte van een garage tot een studio. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen had de vergunning herroepen omdat de oorspronkelijke vergunning was verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens, mede vanwege een niet publiekrechtelijk vergunde splitsing van het perceel in appartementsrechten.

Eisers voerden aan dat zij procesbelang hadden omdat het college een standpunt innam over de splitsing van het gebouw zonder benodigde vergunning. De rechtbank oordeelde echter dat dit standpunt geen zelfstandig besluit betreft en geen juridische waarde heeft. Ook als het een bestuurlijk rechtsoordeel zou zijn, is er geen sprake van een zeer uitzonderlijke situatie die beroep daartegen mogelijk maakt.

De rechtbank concludeerde dat eisers geen actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. Het gevolg is dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld en eisers geen griffierecht of proceskosten vergoed krijgen.

Uitkomst: Het beroep van eisers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3053

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. S.C.A. Nuijen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen

(gemachtigde: mr. A. Ok).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de in de beslissing op bezwaar alsnog geweigerde omgevingsvergunning voor het verbouwen van een gedeelte van een garage tot een studio. Eisers zijn het niet eens met de beslissing op bezwaar. Zij voeren een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eisers geen procesbelang hebben. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De derde-partij heeft op 17 april 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een gedeelte van de garage tot een studio aan de [locatie] in [plaats]. Het college heeft de omgevingsvergunning in het besluit van 7 oktober 2024 verleend.
2.1.
In de beslissing op bezwaar van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eisers gegrond verklaard en de omgevingsvergunning herroepen. Dat betekent dat de omgevingsvergunning alsnog is geweigerd.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college en de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Wettelijk kader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. [1] Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.
Het perceel [locatie] in [plaats] ligt binnen het voormalig bestemmingsplan “Nijmegen Bottendaal Galgenveld” en heeft de bestemming “Wonen”.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De derde-partij heeft op 17 april 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van een gedeelte van de garage tot een studio aan de [locatie] in [plaats]. [2] Het college heeft de omgevingsvergunning in het besluit van 7 oktober 2024 verleend met de onderbouwing dat sprake is van een verbouwing voor een interne wijziging en dat dit binnen de bestemming “Wonen” past.
Eisers wonen op de eerste en tweede verdieping boven de te verbouwen garage.
Eisers hebben een bezwaarschrift ingediend tegen de omgevingsvergunning. Daarin hebben zij, kort samengevat, aangevoerd dat zij van mening zijn dat ten onrechte een bijgebouw bewoond gaat worden en dat niet aan de parkeernormen wordt voldaan. Daarnaast is volgens eisers sprake van evidente privaatrechtelijke belemmeringen.
In de beslissing op bezwaar van 3 juni 2025 heeft het college het bezwaarschrift van eisers gegrond verklaard en de omgevingsvergunning herroepen. Dit heeft het college gedaan omdat in de bezwaarfase is gebleken dat de omgevingsvergunning volgens het college is verleend op basis van een onjuiste of onvolledige opgave van gegevens. De aangeleverde gegevens van de daadwerkelijke situatie komen volgens het college niet overeen met de laatst vergunde situatie. Dat komt omdat de civielrechtelijke splitsing van het perceel in twee appartementsrechten in 2009 volgens het college nooit publiekrechtelijk is vergund en dat had volgens het college wel gemoeten.
In de laatst vergunde situatie, zoals bij het college bekend, bevond zich op het perceel een bierbrouwerij met daarboven een bedrijfswoning. Dat betekent volgens het college dat de splitsing, zoals deze in 2009 is uitgevoerd, toentertijd op grond van artikel 2.112, derde lid van het Bouwbesluit 2003 dan wel de Woningwet (indien de wijziging al eerder is uitgevoerd) niet zonder vergunning verwezenlijkt had kunnen en mogen worden. Dit omdat een nieuwe brandcompartimentering gerealiseerd had moeten worden tussen de toen nieuw gecreëerde woning van eisers en het voormalig pakhuis (nu de garage).
Verder heeft het college in de beslissing op bezwaar nog overwogen:
“Voor de volledigheid merken wij op dat, indien uw cliënten de bestaande situatie willen legaliseren, zij hiervoor gezamenlijk met vergunninghouder een aanvraag voor een omgevingsvergunning in moeten dienen.”
Hebben eisers procesbelang?
5. De rechtbank stelt voorop dat de bestuursrechter een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk hoeft te beoordelen als de indiener van het beroep procesbelang heeft bij de uitkomst van de procedure. Er is sprake van procesbelang als het resultaat dat een indiener met het instellen van het beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis kan hebben. [3] Met andere woorden, de indiener moet een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
5.1.
Eisers betogen dat zij procesbelang hebben, omdat de weigering van de vergunning is gebaseerd op een rechtsoordeel van het college dat de splitsing van het gebouw waarbij een tweede wooneenheid is ontstaan zonder de benodigde publiekrechtelijke vergunning is gerealiseerd. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting toegelicht dat niet is bedoeld een bestuurlijk rechtsoordeel, omdat dat een zelfstandig oordeel is en daarvan is hier geen sprake. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde van eisers gewezen op de publicatie ‘Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Band 1’ van [persoon A] en anderen. [4]
5.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat sprake is van een bestuurlijk rechtsoordeel, maar dat eisers daartegen geen beroep kunnen instellen omdat zij het geschil
over de interpretatie van rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk
besluit bij de bestuursrechter aan de orde kunnen stellen. Dat is niet onevenredig bezwarend.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of het standpunt van het college in de motivering van het bestreden besluit een bestuurlijk rechtsoordeel inhoudt, omdat eisers hoe dan ook niet in beroep tegen dit standpunt in de motivering kunnen opkomen. Als sprake zou zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel geldt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat zo’n rechtsoordeel alleen in zeer uitzonderlijke situaties met een besluit wordt gelijkgesteld zodat daartegen beroep kan worden ingesteld. Van zo’n zeer uitzonderlijke situatie is sprake als het indienen van een aanvraag voor een vergunning of het afwachten van een besluit omtrent handhaving als een onevenredig bezwarende weg kan worden aangemerkt. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
5.4.
Als het standpunt van het college in de motivering van het bestreden besluit geen bestuurlijk rechtsoordeel inhoudt geldt naar het oordeel van de rechtbank dat het standpunt niet ziet op het besluit zelf en daarom geen juridische waarde heeft. Het standpunt van het college heeft daarmee geen waarde in toekomstige procedures. Dat het college stelt dat de splitsing ten onrechte niet publiekrechtelijk is vergund, betekent anders gezegd niet dat dat in rechte vaststaat. De gestelde illegale situatie kan in het kader van handhavingsprocedure bij de rechtbank aan bod komen. De rechtbank zal daar dan wel over moeten oordelen. De rechtbank is in dat geval niet gebonden aan dit standpunt van het college dat ziet op andere activiteiten dan het realiseren van een studio in de garage van het gebouw, waarover dit besluit gaat. Het standpunt van het college in het bestreden besluit heeft dus geen rechtsgevolg.
5.5.
Eisers hebben geen procesbelang. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het beroep van eisers niet inhoudelijk zal worden behandeld. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Bouwactiviteit voor het bouwen of verbouwen van een bouwwerk (technisch bouwen), art. 5.1 lid 2 onder a Omgevingswet;
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4404.
4.Randnummer 175.