Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4826

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
142876-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis na noodweerontslag

Verzoeker werd op 10 februari 2026 door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken ontslagen van alle rechtsvervolging wegens aannemelijk geacht noodweer. Het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 533 Sv Pro werd op 3 juni 2026 behandeld. Verzoeker vorderde een vergoeding van €10.000 voor materiële en immateriële schade door 4 dagen inverzekeringstelling en 39 dagen voorlopige hechtenis in een forensisch centrum.

De rechtbank oordeelde dat verzoeker een verhoogde immateriële schadevergoeding toekomt vanwege zijn kwetsbare psychische gesteldheid, traumatisering en het onveilige verblijf in de JJI. Ondanks het standpunt van het openbaar ministerie dat verzoeker zich onnodig in een gevaarlijke situatie begaf, bleef het noodweerontslag onherroepelijk en leidend.

De rechtbank paste een factor 2 toe op de immateriële schadevergoeding voor de 39 dagen voorlopige hechtenis, gelet op de bijzondere omstandigheden en de impact op de minderjarige verzoeker. De totale schadevergoeding van €10.000 wordt ten laste van de Staat toegekend.

Uitkomst: Rechtbank kent verzoeker een schadevergoeding van €10.000 toe wegens de impact van voorlopige hechtenis na noodweerontslag.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummer : 05-142876-24
raadkamernummer : 26-006843
zittingsdatum : 3 juni 2026
uitspraak : 17 juni 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Irak),
wonende op het adres [adres], [postcode], te [woonplaats],
mr. E.A.M.J. Heffels, advocaat te Arnhem,
hierna te noemen: verzoeker.

Feiten

Verzoeker is op 10 februari 2026 door de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken van deze rechtbank ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

Procedure

Het verzoekschrift is op 9 maart 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 3 juni 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft verzoeker, de advocaat, mr. E.A.M.J. Heffels en de officier van justitie op zitting gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt tot vergoeding van de schade die verzoeker als gevolg van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 10.000,-, bestaande uit:
- een bedrag van € 5.320,- aan materiële schade, bestaande uit:
- 4 dagen verblijf in een politiecel: € 640,-
- 39 dagen verblijf in JJI Forensisch Centrum [forensisch centrum]: € 4.680,-
- een bedrag van € 4.680,- aan immateriële schade, bestaande uit een hogere vergoeding voor het verblijf in [forensisch centrum] door deze vergoeding te vermenigvuldigen met de factor 2.0.
De raadsvrouw houdt ter zitting voor uit een door haar overhandigde pleitnota, deze zal aan de beslissing worden gehecht. Daaraan voegt zij nog het volgende toe:
Het verblijf in [forensisch centrum] was moeilijk voor verzoeker, omdat hij daar gepest werd door andere gedetineerden. De pesterijen bestonden uit zijn handdoek in het water gooien, zodat hij met een natte handdoek moest afdrogen, aftikken met een sigaret op verzoeker en bedreigingen. Op het einde zat verzoeker vooral op zijn kamer en kwam hij niet meer echt op de groep. Het was geen goed verblijf daar. Justitie heeft ervoor gekozen een kwetsbare jongen in detentie te plaatsen en het gaat erom hoe het is verlopen bij [forensisch centrum].

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie verzet zich voor een deel tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding. Het standpunt van het openbaar ministerie tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak was dat geen sprake is van een noodweersituatie. Verzoeker mengde zich in een confrontatie, nadat hij er al uit was gekomen. De rechtbank heeft het noodweerverweer wel aangenomen en daarom is verzoeker ontslagen van alle rechtsvervolging. Het standpunt van het openbaar ministerie is nog steeds dat verzoeker anders had kunnen handelen en zichzelf in deze positie heeft gebracht. Daarom is verzoeker in de JJI geplaatst. Het is duidelijk dat verzoeker zich niet prettig heeft gevoeld in de JJI, maar de vraag is of dat dermate zwaar is geweest dat de normale vergoeding zou moeten worden vermenigvuldigd met factor 2.0. Dat is niet het geval. Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een belaste voorgeschiedenis. Factor 2.0 gaat daarom te ver, factor 1.5 is wel billijk om toe te passen.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Bij het bepalen van het aantal dagen dat verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen én geëindigd op een en dezelfde dag (en het voorarrest dus tot enkele uren beperkt is gebleven) wordt een vergoeding toegekend naar de maatstaf van een volledige dag.
De rechtbank zal in ieder geval de gebruikelijke vergoeding toekennen, te weten:
- € 160,- voor elke dag door verzoeker in verzekering doorgebracht, in totaal vier dagen en dus € 640,-;
- € 120,- voor elke dag door verzoeker in voorlopige hechtenis doorgebracht, in totaal 39 dagen en dus € 4.680,-.
Over de toepassing van factor 2.0 overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank beoordeelt per individuele situatie in hoeverre de specifieke detentie-omstandigheden, de impact op de persoon en eventuele eigen schuld van de gewezen verdachte aanleiding geven tot verhoging van de vergoeding.
Verzoeker heeft aangevoerd dat de vrijheidsbeneming grote impact op hem heeft gehad. Hij zat voor de eerste keer vast en werd verdacht van een levensdelict. Uit het psychologisch rapport van 7 juli 2024 is gebleken dat bij verzoeker PTSS, een persisterende depressieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis is vastgesteld. Daarnaast is er sprake van ouder-kindrelatieproblemen, samenhangend met een verstoorde hechting. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde.
Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 januari 2026 blijkt dat de Raad grote risico’s ziet bij een (voorwaardelijke) jeugddetentie, gezien de psychische kwetsbaarheid en traumatisering bij verzoeker. De jeugdreclassering ziet hier ook risico’s in. Verzoeker voelt zich consequent onveilig. Uit het rapport blijkt dat verzoeker door de voorlopige hechtenis getraumatiseerd is geraakt. Hieruit blijkt voldoende dat het verblijf in de JJI voor hem zwaarder was dan voor de gemiddelde anderen. De impact van vrijheidsbeneming op de sociaal-emotionele ontwikkeling van een minderjarige is toch al vele malen groter dan bij een volwassene.
Daarnaast moet de Staat verzoeker nemen zoals hij is. Uit de stukken is gebleken dat verzoeker een kwetsbare minderjarige is door een belast verleden. Hij werd extra hard geraakt door de detentie. Daar komt nog bovenop dat verzoeker binnen de muren van een beveiligde overheidsinstelling kennelijk onvoldoende zorg en veiligheid heeft ervaren.
De tegenwerping van het openbaar ministerie dat verzoeker, niettegenstaande de beslissing van de rechtbank, de vrijheidsbeneming in zekere zin aan zich zelf te wijten heeft doordat hij zich zelf weer in een risicovolle situatie heeft begeven waarin de steekpartij heeft plaatsgevonden, is strijdig met de bevindingen en de conclusie van de rechtbank inzake het noodweerverweer. Het onherroepelijke vonnis is leidend en het is niet aan de raadkamer om hierover anders te concluderen, net zoals de raadkamer na een onherroepelijke vrijspraak niet nogmaals in de schuldvraag mag treden en beslissen dat verzoeker eigenlijk wel schuldig is.
Alles tezamen rechtvaardigt een verhoogde immateriële tegemoetkoming en de rechtbank is van mening dat factor 2.0 kan worden toegewezen voor de 39 dagen die verzoeker in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het bedrag van € 4.680,- wordt dus verdubbeld.

Beslissing

De rechtbank:
- kent aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 10.000,- (tienduizend euro).
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Homburg, griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beslissing als de zaak onherroepelijk is en de betaling ten laste van ’s Rijks kas door de griffier van deze rechtbank van een bedrag van:
€ 10.000,- (zegge: tienduizend euro), ten gunste van verzoeker, door overmaking van voornoemd bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van [stichting], onder vermelding van dossiernummer D122613 en [verzoeker] / 533 Sv.