Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4820

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
05/207288-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag en wapenbezit na schietincident op woning

Op 7 juli 2025 schoot de verdachte meerdere keren met een pistool op de deur van de eenkamerwoning van het slachtoffer, die zich op dat moment op haar bed tegenover de deur bevond. De verdachte verklaarde dit te doen om te controleren of het slachtoffer thuis was vanwege het horen van stemmen en geluiden. Forensisch onderzoek toonde zeven kogelgaten in de deur, waarvan twee kogels de deur doorboorden en in de koelkast en voorraadkast terechtkwamen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer door het schieten dodelijk geraakt zou kunnen worden, waarmee poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen werd verklaard. Daarnaast werd bewezen verklaard dat verdachte in het bezit was van een vuurwapen van categorie III.

De rechtbank hield rekening met een psychologisch rapport dat sprak van een kortdurende psychotische stoornis en middelengebruik, waardoor de toerekeningsvatbaarheid verminderd was. De straf werd vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals ambulante behandeling en verblijf in begeleid wonen.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, waarvan het materiële deel niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Het smartengeld werd vastgesteld op €3.000,- met wettelijke rente. De rechtbank gelastte de onttrekking aan het verkeer van het pistool en de munitie, en de teruggave van een inbeslaggenomen hakbijl aan verdachte.

De uitspraak werd gewezen door de rechtbank Gelderland op 17 juni 2026, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis in mindering werd gebracht op de straf en dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden werd bevolen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag en wapenbezit met oplegging van bijzondere voorwaarden en smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/207288-25
Datum uitspraak : 17 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] (China),
wonende aan de [adres] [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. in [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. U. Ural, advocaat in Enschede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangeefster] , van het leven te beroven,
- meermalen met een vuurwapen op en/of door de deur, althans in de richting van de deur van de kamer van die [aangeefster] heeft geschoten, terwijl die [aangeefster] zich op dat moment in die kamer bevond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen met een vuurwapen op en/of door de deur, althans in de richting van de deur van de kamer van die [aangeefster] heeft geschoten, terwijl die [aangeefster] zich op dat moment in die kamer bevond,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te [plaats] , althans in Nederland [aangeefster] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- meermalen met een vuurwapen op en/of door de deur, althans in de richting van de deur van de kamer van die [aangeefster] heeft geschoten, terwijl die [aangeefster] zich op dat moment in die kamer bevond;
2.
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te [plaats] , althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Crvena Zastava, model 70, kaliber 7.65mm Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 7 juli 2025 om 16:24 uur krijgen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de opdracht om naar het Leger des Heils aan de [adres] te [plaats] te gaan omdat er een melding binnen was gekomen dat er geschoten gehoord zouden zijn op dat adres. Ter plaatste meldde het personeel van het Leger des Heils dat de man, later benoemd als verdachte, [verdachte] , een voorwerp, dat leek op een vuurwapen, op de eerste verdieping in de gang/hal had neergelegd. [2]
Daar aangekomen ziet verbalisant [verbalisant 3] op de grond bovenaan de trap dat er rechts in de hoek een vuurwapen ligt. Vervolgens is die verbalisant met zijn collega, [verbalisant 4] , doorgelopen naar de kamer waar mogelijk geschoten zou zijn. Dit betrof kamer 1.06. Voor de deur lag heel (de rechtbank begrijpt: veel) zwarte grond/aarde op de grond, afkomstig uit een grote bloempot. Tussen deze zwarte grond zag verbalisant meerdere hulzen en patronen liggen. Verbalisant [verbalisant 4] gaf aan dat er nog een vrouw in de kamer zat. Verbalisant [verbalisant 3] zag dat er op de deur was geschoten. Hij zag meerdere plekken van “inschot" ter hoogte van de slotplaat op de deur. De vrouw in de kamer gaf aan dat zij de deur niet kon openen. Verbalisant heeft vervolgens een koevoet tussen de deur en het kozijn gezet en de deur na een aantal wrikpogingen weten te openen. Hij zag dat er een vrouw op het bed zat, hij zag geen uiterlijke verwondingen bij haar en het leek relatief goed te gaan met deze vrouw, [aangeefster] (de rechtbank begrijpt: mevrouw [aangeefster] , hierna te noemen “aangeefster”). [3]
In het pand bevinden zich meerdere woningen van Next Level, onderdeel van Leger des Heils. De verdachte was ook woonachtig in dit pand. [4] De woning van aangeefster betreft een eenkamerwoning. Het bed waarop zij gezeten had, stond recht tegenover de toegangsdeur. [5] Dit bed stond achterin de kamer. [6] De kamer is ongeveer zes meter lang en drie meter breed. Bij binnenkomst stond direct links van de deur een koelkast. Daarachter is in de lengte een keukenblok gevestigd. Aan de rechterzijde van de kamer stond een kledingkast. Er kan niet door de beschoten toegangsdeur worden gekeken. [7] Het gaat om een massief houten deur. [8]
Op de overloop op de eerste etage is een scherp schietend vuurwapen – zijnde een pistool – aangetroffen, [9] waarover verdachte heeft verklaard deze uit zijn huis te hebben gehaald en te hebben weggelegd toen hij van de trap naar beneden ging. Verdachte erkent op de deur te hebben geschoten en denkt dat dit zeven of acht keer was. [10] Op de vraag of verdachte wel eens over de vloer kwam bij haar (de rechtbank begrijpt: bij aangeefster) zegt hij dat het voorkomt dat hij die kamer weleens binnenkomt, maar niet zoveel. [11]
Er werden in de enige toegangsdeur van de woning van aangeefster zeven kogelgaten aangetroffen. Zes kogels waren afgevuurd rondom het slot van de toegangsdeur en één kogel aan de rechterzijde van de deur. Eén kogel heeft het deurkozijn doorboord en ook zagen verbalisanten dat in de koelkast met vriezer twee perforaties zaten veroorzaakt door kogels. In de bovenste lade van de vriezer zagen verbalisanten een zak patat waarin zij een kogel aantroffen. De baan van de kogel die rechts door de toegangsdeur ging, is bepaald met een gele pen. Verbalisanten zagen dat de kogel door de voordeur in een voorraadkast terecht gekomen was, nadat deze door enkele etenswarenverpakkingen was gegaan. Verbalisanten zagen en voelden dat de kogel in het zakje van de kippensoep in de voorraadkast terecht was gekomen. [12]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag. Verdachte heeft door te handelen zoals hij heeft gedaan klaarblijkelijk de aanmerkelijk kans op de koop toegenomen dat aangeefster dodelijk zou worden verwond en dat risico bewust aanvaard. Wat betreft het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gesteld dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangeefster, zodat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Omdat evenmin sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dient verdachte ook te worden vrijgesproken van de onder feit 1subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, aldus nog steeds de raadsman. De raadsman concludeert dat feit 1 kan worden gekwalificeerd als een bedreiging in de zin van de meer subsidiaire tenlastelegging. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1: poging doodslag?
Verdachte heeft zevenmaal geschoten op de enige toegangsdeur van de eenkamerwoning van aangeefster. Uit het forensisch onderzoek is gebleken dat twee kogels de deur hebben doorboord en terecht zijn gekomen in de koelkast met vriezer respectievelijk de voorraadkast. Verdachte wordt primair verweten dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
De rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte vol opzet had op het doden van aangeefster. De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of sprake is van voorwaardelijke opzet op haar dood. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is, als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De vragen die de rechtbank in dat kader dan ook dient te beantwoorden zijn achtereenvolgens: of door het schieten de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer zou komen te overlijden en, vervolgens, of verdachte de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zou intreden bewust heeft aanvaard.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bij de beantwoording van de (vervolg)vraag of de aanmerkelijke kans door verdachte ook bewust is aanvaard, spelen de gedragingen van de verdachte eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen namelijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank stelt vast dat aangeefster zich in haar woning (kamer) bevond ten tijde van het schieten, dat dit een kleine woning (kamer) was (zes bij drie meter) en dat zij de woning niet op een andere manier kon verlaten omdat de beschoten deur de enige toegang tot deze ruimte was. Uit het feit dat verbalisanten een melding krijgen om 16:24 uur leidt de rechtbank af dat het schieten iets voor dat moment moet hebben plaatsgevonden. Op dat tijdstip is het niet ongebruikelijk dat mensen zich in hun woning en ter voorbereiding op het avondeten zich in de keuken bevinden. Deze keuken in de woning (kamer) bevindt zich zeer dicht bij de deur.
Verdachte is meermaals bij aangeefster in haar kleine woning (kamer) geweest en moet de indeling en grootte van de kamer dan ook hebben gekend. Dat blijkt ook uit zijn verklaringen bij de politie waarin hij verklaart dat hij wel eens voorkwam dat hij in de woning van aangeefster is geweest. Verdachte stelt bovendien gericht te hebben geschoten op de deurklink links waar hij schuin voor stond omdat hij, als hij iets zou raken, de koelkast zou raken en zeker niet iemand. Verdachte heeft verklaard dat de andere plek (de rechtbank begrijpt: het schot in de rechterkant van de deur) wel gevaarlijk was, omdat daar iemand kon lopen. [13]
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij met eigen ogen wilde zien of het klopte dat aangeefster er was omdat hij telkens geluid hoorde of dat hij dat alleen maar dacht. Ook is verdachte ter zitting geconfronteerd met het feit dat hij bij het NIFP heeft verklaard bang te zijn geweest dat er iemand achter de deur zat die geraakt kon worden, hetgeen hij ter zitting heeft bevestigd door aan te geven dat het klopt dat hij daar bang voor was, omdat hij niemand iets wilde aandoen. [14]
Uit het onderzoek door forensische opsporing is verder gebleken dat verdachte in verschillende richtingen op de deur heeft geschoten. [15] In weerwil van hetgeen door en namens verdachte is betoogd, leidt de rechtbank uit het forensisch onderzoek af dat de door verdachte afgevuurde kogels niet zodanig zijn gericht dat deze enkel de koelkast zouden raken die zich links achter de betreffende deur bevond. De rechtbank leidt dit reeds af uit het kogelschot dat zich aan de rechterzijde van de deur bevindt. Zoals de verdachte tijdens zijn verhoor door de politie terecht opmerkte:
“De andere plek(de rechtbank begrijpt: de rechterzijde)
was wel gevaarlijk, want daar kon iemand lopen”. [16]
De baan van de kogel die in de voorraadkast terecht is gekomen, was afgevuurd in de richting van waar het slachtoffer op dat moment zat. Deze kogel is slechts enkele centimeters rechts in de richting van het slachtoffer in de kast terecht gekomen. De drie kogels die door de deur zijn geschoten, hadden bovendien via ricochet alle kanten op kunnen gaan in de richting van het slachtoffer. [17] Verdachte, die naar eigen zeggen wist hoe hij moest schieten (omdat hij tijdens zijn militaire dienstplicht in China met een wapen heeft geschoten), [18] had dit kunnen weten. Aangeefster bevond zich op dat moment op het bed in die (kleine) kamer, op slechts enkele meters afstand van de deur, waardoor er gelet op het voorgaande, levensgevaar voor dit slachtoffer te duchten was. [19]
Door meerdere malen in verschillende richtingen te schieten op een dichte deur waarachter zich een kleine éénkamerwoning bevond waarin zich het slachtoffer bevond, bestond de aanmerkelijke kans dat verdachte haar zou raken met één of meerdere kogels. Dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestaat indien een persoon wordt geraakt door een kogel, is een feit van algemene bekendheid.
Aangezien verdachte wist hoe de éénkamerwoning was ingericht, hij meerdere malen in verschillende richting door de deur heeft geschoten en bang is geweest iemand te raken, is de rechtbank van oordeel dat hij zich ook bewust is geweest van voornoemde aanmerkelijke kans.
De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer dodelijk zou worden geraakt door een kogel. De onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2:
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, p. 77-85;
- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 150-154;
- de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 mei 2026.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 (primair) en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op
of omstreeks7 juli 2025 te [plaats]
, althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangeefster] , van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen op en
/ofdoor de deur
, althans in de richting van de deurvan de kamer van die [aangeefster] heeft geschoten, terwijl die [aangeefster] zich op dat moment in die kamer bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij op
of omstreeks7 juli 2025 te [plaats]
, althans in Nederland,een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Crvena Zastava, model 70, kaliber 7.65mm Browning, zijnde een vuurwapen in de vorm van een
geweer, revolver en/ofpistool voorhanden heeft gehad.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging tot doodslag
feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Aan de voorwaardelijke straf moeten de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals door de reclassering geadviseerd. Ook vordert hij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden nu er ernstig rekening mee moeten worden gehouden dat, mocht het komen tot een veroordeling, verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van het pistool waarmee verdachte heeft geschoten en de daarbij behorende munitie. De inbeslaggenomen bijl kan worden teruggeven aan de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de bewezen feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Gelet op het aanzienlijke voorarrest van ruim 317 dagen, de verminderde toerekeningsvatbaarheid, de schulderkenning, het positieve reclasseringsadvies en de omstandigheid dat aangeefster geen lichamelijk letsel heeft opgelopen, verzoekt de verdediging een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, een proeftijd en bijzondere voorwaarden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft op klaarlichte dag zevenmaal met een pistool door een deur geschoten van een kleine eenkamerwoning. Dit deed hij naar eigen zeggen om de deur te openen om te controleren of aangeefster daadwerkelijk thuis was. De rechtbank acht het, ongeacht de toestand waarin verdachte verkeerde, onbegrijpelijk dat verdachte de noodzaak voelde om de deur te forceren door middel van het meermalen schieten met een pistool. Door aldus te handelen heeft verdachte een onaanvaardbaar en levensgevaarlijk risico genomen. Een woning is een plek waar eenieder zich veilig zou moeten voelen. Uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding blijkt welke grote impact het handelen van verdachte heeft op aangeefster. Door het handelen van verdachte heeft hij niet alleen een risico op de dood aanvaard, hij heeft bij de direct betrokkenen en aangeefster in het bijzonder een gevoel van onveiligheid teweeggebracht welk gevoel zij mogelijkerwijs nog de rest van hun leven met zich zullen dragen.
Voorts was verdachte in het bezit van een pistool dat is aangemerkt als een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie. Het bezit van een vuurwapen levert een onaanvaardbaar risico op voor de maatschappij en zorgt voor maatschappelijke onrust.
Justitiële documentatie
Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 1 april 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke zaken.
Rapportage
Op 10 december 2025 heeft D.R. van der Velden, GZ-psycholoog, een rapport opgeleverd over het psychologisch onderzoek over verdachte.
De conclusie van de psycholoog is dat verdachte een gemiddeld – benedengemiddeld intelligente, oorspronkelijk Oeigoerse man is met een kortdurende psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis. Deze kortdurende psychotische stoornis komt vrij plots bij een blanco psychiatrische voorgeschiedenis voor psychoses, mogelijk geluxeerd door middelengebruik (cocaïne, heroïne, dagelijks cannabis) in combinatie met slaaptekort, bij sowieso onregelmatige werktijden. Ook ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was er sprake van de beschreven stoornis. Er lijkt ook sprake (intoxicatie) van cocaïne en heroïnegebruik rond het tenlastegelegde, maar niet in die duur en ernst dat vanuit huidig psychologisch onderzoek gesproken wordt over een stoornis in het gebruik van deze middelen.
Het advies is om, bij een bewezenverklaring, het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen. Verdachte wordt tijdens het tenlastegelegde steeds verder in beslag genomen en raakt verward door (seksuele) akoestische hallucinaties, betrekkingsideeën en achterdocht. Er is sprake van een vertekende realiteit, waarin aangeefster de hoofdrol speelt. Hij verliest zijn zelfcontrole in een poging grip te krijgen op zijn sterk vertekende realiteit, namelijk door te controleren of aangeefster oorzaak van de geluiden en stemmen’ in haar kamer is. Hij schiet naar eigen zeggen gericht op de deurklink en wil niemand neerschieten, wat nog enige sturing van zijn gedrag doet vermoeden bij weliswaar een voortdurende vertekende realiteit. Indien bewezen, is de conclusie dat het recidiverisico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag samenhangt met en oploopt door middelengebruik in combinatie met slaaptekort, waardoor de kans bestaat op sterk vertekende realiteit samenhangend een kortdurende psychotische stoornis.
Mocht de rechtbank komen tot een bewezenverklaring dan wordt het advies gegeven om het recidiverisico te verminderen door een ambulante forensische behandeling te starten gericht op het maken van een signalerings- en risicomanagementplan. In een behandeling zou aandacht moeten uitgaan naar psycho-educatie over psychotische stoornissen, het aanleren van adequate hanteringsvaardigheden (coping/zelfcontrole) bij stress of krenking, meer zicht op zijn onderliggende gevoelsdynamiek, het effect van middelengebruik en stoornis in het gebruik van cannabis.
Het advies luidt om een ambulante forensische behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel. Deze ambulante forensische behandeling is nodig om het recidiverisico te verminderen. Reclasseringstoezicht is noodzakelijk om te kijken of verdachte zich aan voorwaarden houdt. Daarnaast kunnen urinecontroles overwogen worden, zodat het abstinent blijven van middelen een terugkerend gesprekonderwerp is. Reclasseringstoezicht is ook noodzakelijk om te monitoren of het verdachte lukt zijn beschermende factoren (wonen, werken) weer op te bouwen.
Reclasseringsadvies
Op 6 mei 2026 heeft de reclassering, Leger des Heils Oost-Nederland, een rapport over verdachte uitgebracht. De reclassering kan zich vinden in de inschatting van het NIFP:
'Indien bewezen, is de conclusie dat het recidiverisico op vergelijkbaar gewelddadig gedrag samenhangt met en oploopt door middelengebruik in combinatie met slaaptekort, waardoor de kans bestaat op sterk vertekende realiteit samenhangend een kortdurende psychotische stoornis.'
Om de risico's te verkleinen dient er volgens de reclassering een ambulante forensische behandeling gestart te worden. De kans op het onttrekken aan voorwaarden wordt door reclassering laag ingeschat, omdat verdachte te kennen heeft gegeven mee te willen werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:
• Meldplicht bij reclassering
• Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Verbod verdovende middelen en middelencontrole
• Dagbesteding
• Ambulante woonbegeleiding
• Contactverbod
De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht en indien de geadviseerde voorwaarden worden overgenomen, wordt geadviseerd dat de reclassering opdracht krijgt om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte daarbij te begeleiden.
De op te leggen maatregel en straf
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en straffen die worden opgelegd in soortgelijke zaken, is de rechtbank van oordeel dat enkel een forse gevangenisstraf passend en geboden is.
De rechtbank neemt het advies van de deskundige over om verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Dit weegt in strafverminderende zin mee.
Gelet op de adviezen van de deskundige en de reclassering zal de rechtbank een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank voorwaarden verbinden, conform de adviezen. Op die manier zal verdachte behandeling en begeleiding krijgen met het oog op het beperken van het risico op herhaling.
Alles overwegende zal aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de tijd die hij in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en aan het voorwaardelijke strafdeel worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals voorgesteld door de reclassering.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en dat is een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangeefster.
Gelet op de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan en de adviezen van de deskundige en reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangeefster] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij heeft een vordering ingediend van € 385,- aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ter zitting heeft de benadeelde partij verzocht haar in het materiële gedeelte van de schadevordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het feit dat deze post (voor nu) onvoldoende is onderbouwd. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij, gelet op het ter zitting ingenomen standpunt, voor wat betreft het materiële gedeelte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het immateriële gedeelte van de vordering kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente. Verder vordert hij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Ten aanzien van het materiële gedeelte van de vordering tot schadevergoeding heeft de verdediging verzocht de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft het immateriële gedeelte van de vordering heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat de vordering tot vergoeding van materiële schade onvoldoende is onderbouwd. De vordering van de benadeelde partij zal op dat punt dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zijn zo ingrijpend dat dit meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarbij kijkt de rechtbank ook naar de bedragen die genoemd worden in de ‘Rotterdamse schaal’. Gelet daarop zal de rechtbank het smartengeld vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. Verdachte is vanaf 7 juli 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De beoordeling van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van het inbeslaggenomen pistool waarmee verdachte heeft geschoten en de daarbij behorende munitie. Ten aanzien van de inbeslaggenomen hakbijl is verzocht deze aan verdachte te retourneren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de inbeslaggenomen hakbijl aan verdachte terug te geven.
De beoordeling door de rechtbank
Onder verdachte zijn een vuurwapen (SIN AANA8780NL), een zevental hulzen (SIN AANA8788NL, SIN AANA8782NL, SIN AANA8785NL, SIN AANA8791NL, SIN AANA8792NL, SIN AANA8793NL, SIN AANA8796NL), twee projectielen (SIN AANA8797NL en SIN AANA8798NL) en een hakbijl (goednummer PL0600-2025321360-349019) inbeslaggenomen.
Verdachte wordt veroordeeld wegens een strafbaar feit. Met uitzondering van de hakbijl
betreft het inbeslaggenomen goederen met betrekking tot welke de feiten zijn begaan. Deze goederen zijn van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De rechtbank zal dan ook de onttrekking aan het verkeer daarvan gelasten.
De rechtbank zal de teruggave van de inbeslaggenomen hakbijl/bijl/slagwapen aan verdachte gelasten.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.De beslissing

De rechtbank:
  • verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
  • verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
  • verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
  • verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
  • veroordeelt verdachte tot een
  • bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf – te weten
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering van het Leger des Heils te [plaats] ( [adres] [plaats] ), zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
  • zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos en/of Iriszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het maken van een signalerings- en risicomanagementplan en psycho-educatie over psychotische stoornissen, het aanleren van adequate hanteringsvaardigheden bij stress of krenking, meer zicht krijgen op onderliggende gevoelsdynamiek, het effect van middelgebruik en stoornis in het gebruik van cannabis. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
  • zich laat opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is nadat de reclassering een indicatiestelling heeft aangevraagd voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, kan dit slechts nadat dit door de rechter is bevolen;
  • gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
  • gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek, en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
  • zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur;
  • zich gedurende de proeftijd, zolang de reclassering dat nodig vindt, ambulant laat begeleiden te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de regels en de afspraken met zijn ambulant (woon) begeleider;
  • op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] (Syrië), en;
  • geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • beveelt dat de op grond van artikel 14c Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c lid 6 Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:

  • veroordeelt verdachte in verband met feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 3.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [aangeefster] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangeefster] , een bedrag te betalen van € 3.000 - aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kan/kunnen 30 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing ten aanzien van het beslag:

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van:
-vuurwapen (SIN AANA8780NL);
-hulzen (SIN AANA8788NL, SIN AANA8782NL, SIN AANA8785NL, SIN AANA8791NL, SIN AANA8792NL, SIN AANA8793NL, SIN AANA8796NL) en
-projectielen (SIN AANA8797NL en SIN AANA8798NL);
 gelast de teruggave van de hakbijl/bijl/slagwapen (goednummer PL0600-2025321360-349019) aan verdachte.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Jansen (voorzitter), mr. T.M.A. Arts en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juni 2026.
mr. Verbeek en mr. Benbouazza zijn
buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 5] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025321360, gesloten op 25 oktober 2025 (onderzoek Som, nummer ON4R025063) en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 27-28.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 62.
5.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 78.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 24.
7.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 108.
8.Proces-verbaal aanvullend forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [plaats] ), p. 2.
9.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 78.
10.Proces-verbaal van verhoor, p. 202.
11.Proces-verbaal van verhoor, p. 200.
12.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 78-79.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 202.
14.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 mei 2026.
15.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 112.
16.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 202.
17.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 80.
18.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 mei 2026.
19.Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 80.