AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Annulering huurovereenkomst camper wegens niet-informeren over herroepingsrecht
In deze zaak vordert de consument de terugbetaling van een aanbetaling en schadevergoeding wegens annulering van een huurovereenkomst voor een camper. De huurovereenkomst is gesloten als een overeenkomst op afstand, waarbij de consument niet duidelijk is geïnformeerd over zijn herroepingsrecht. Hierdoor is de herroepingstermijn verlengd tot maximaal twaalf maanden.
De consument heeft de overeenkomst binnen deze verlengde termijn herroepen, waardoor de huurovereenkomst rechtsgeldig is geannuleerd. De vordering tot terugbetaling van de aanbetaling wordt toegewezen op grond van de ongedaanmakingsverplichting uit artikel 6:271 BWPro. De gevorderde schadevergoeding voor het huren van een vervangende camper wordt afgewezen omdat deze lager is dan de oorspronkelijke huurprijs.
De vordering van de handelaar tot betaling van een deel van de huursom wegens eerdere annulering wordt afgewezen. De handelaar wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J.H. Steverink en uitgesproken op 20 mei 2026.
Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig herroepen, aanbetaling wordt terugbetaald, schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11816751 \ CV EXPL 25-6003
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: SnK Juristen,
tegen
[gedaagde] , H.O.D.N. [naam bedrijf],
zaakdoende te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 27 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 waarbij [eiser] met zijn gemachtigde en [gedaagde] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2.Het geschil in conventie
2.1.
[eiser] vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 4.231,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de ingebrekestelling totdat alles is betaald, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2.
[eiser] legt hieraan te grondslag dat tussen hem en [gedaagde] een huurovereenkomst met betrekking tot een camper bestond. In eerste instantie ging het om de huur van twee campers, maar de huurovereenkomst van de tweede camper is in maart 2024 geannuleerd. Omdat kort voor aanvang van de huurovereenkomst bleek dat partijen een verschillende ingangsdatum van de huur van de overgebleven camper voor ogen hadden, heeft [eiser] ook de huurovereenkomst van deze camper geannuleerd. Dit brengt met zich dat [eiser] de aanbetaling van € 2.175,00 onverschuldigd aan [gedaagde] heeft voldaan (artikel 6:203 BWPro). Daarnaast heeft [eiser] schade geleden doordat hij op het laatste moment een andere camper heeft moeten huren voor een bedrag van € 2.056,00, aldus [eiser] . Omdat [gedaagde] deze bedragen niet tijdig heeft voldaan, is hij in verzuim. Daarom is [gedaagde] eveneens de wettelijke rente verschuldigd.
2.3.
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3.Het geschil in reconventie
3.1.
[gedaagde] vordert bij vonnis in reconventie, [eiser] te veroordelen om aan hem te betalen een bedrag van € 3.810,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] legt hieraan te grondslag dat [eiser] een bedrag van € 1.087,50 verschuldigd is uit hoofde van de in maart 2024 geannuleerde camper en een bedrag van € 2.722,50 aan daadwerkelijke proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
Aangezien de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, bespreekt de kantonrechter deze gezamenlijk.
4.2.
De centrale vraag in deze procedure is of [eiser] de huurovereenkomst met betrekking tot de camper(s) (kosteloos) heeft kunnen annuleren en in het verlengde daarvan, of [gedaagde] de door [eiser] gevorderde bedragen moet betalen.
Ambtshalve toetsing
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een handelaar is, dat [eiser] een consument is en dat daarom ambtshalve aan het dwingende consumentenrecht moet worden getoetst, waaronder de informatieplichten als bedoeld in Boek 6, titel 5 en afdeling 2b BW. De bedoeling van de informatieplichten is om consumenten te beschermen door hen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst goed te informeren (over de rechten en verplichtingen), om zo een weloverwogen beslissing te kunnen maken en zodat zij hun rechten effectief kunnen uitoefenen. Het is daarbij aan [gedaagde] als handelaar om te stellen en te onderbouwen dat hij aan die informatieplichten heeft voldaan. Als niet is voldaan aan de informatieplichten, past de kantonrechter ambtshalve een sanctie toe. Het consumentenrecht is recht van openbare orde, zodat de kantonrechter de verplichting heeft ambtshalve te onderzoeken of en hoe hieraan is voldaan. Daarom zal de kantonrechter eerst ambtshalve moeten vaststellen wat voor soort consumentenovereenkomst de onderhavige overeenkomst betreft, ongeacht de stellingen daarover c.q. duiding daarvan van partijen.
4.4.
De kantonrechter kwalificeert de onderhavige overeenkomst als een overeenkomst op afstand als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 sub e BW, nu partijen voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst in december 2023 per e-mail contact hebben gehad over de huur van de camper(s). Na de aanbetaling van € 2.175,00 op 30 december 2023 heeft [gedaagde] op 1 januari 2024 per e-mail de overeenkomst bevestigd. De overeenkomst is dan ook op 1 januari 2024 tot stand gekomen. Vervolgens zijn de door [gedaagde] genoemde data (3 tot en met 24 augustus 2024) op 12 januari 2024 per e-mail door [eiser] bevestigd. Dat partijen elkaar die dag ervoor (op 11 januari 2024) hebben gesproken op een locatie buiten de verkoopruimte van [gedaagde] , maakt zulks niet anders. Op dat moment was de overeenkomst immers al gesloten.
4.5.
Omdat sprake is van een overeenkomst op afstand heeft [eiser] een herroepingsrecht. Dit betekent dat [eiser] de overeenkomst zonder opgave van redenen kan ontbinden tot een termijn van veertien dagen na de dag waarop de overeenkomst is gesloten (artikel 6:230o lid 1 BW). Indien [gedaagde] niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst [eiser] op duidelijke en begrijpelijk wijze heeft geïnformeerd over dit herroepingsrecht, wordt de herroepingstermijn verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de consument zijn verstrekt, doch met ten hoogste twaalf maanden. Dit laatste volgt uit artikel 6:230o lid 2 BW.
4.6.
Door [gedaagde] zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat hij [eiser] op duidelijke en begrijpelijke wijze heeft geïnformeerd over het aan hem toekomend herroepingsrecht. Dit had gezien de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten wel van [gedaagde] verwacht mogen worden. Dit betekent dat [eiser] zijn herroepingsrecht heeft kunnen uitoefenen tot 1 januari 2025 (twaalf maanden na het sluiten van de overeenkomst).
4.7.
Het voorgaande brengt met zich dat [eiser] de overeenkomst tijdig (op 23 juli 2024) heeft herroepen. [gedaagde] kan dan ook reeds op die grond geen aanspraak maken op betaling van enig bedrag. De vordering in reconventie tot betaling van een bedrag van € 1.087,50 (gelijk aan 50% van de huursom) in verband met de annulering van de huurovereenkomst van de camper in maart 2024 wordt daarom afgewezen.
4.8.
[eiser] op kan zijn beurt wel aanspraak maken op terugbetaling van de door hem gedane (aan)betaling van € 2.175,00. Naar het oordeel van de kantonrechter is de rechtsgrond van deze vordering gelegen in de nakoming van de ongedaanmakingsverplichting (artikel 6:271 BWPro) en niet in de onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BWPro). De herroeping van de huurovereenkomst heeft ex artikel 6:271 BWPro tot gevolg dat partijen worden bevrijd van de daardoor getroffen verbintenissen en dat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaat. In de stellingen van [eiser] ligt voldoende besloten dat zij mede op grond daarvan betaling vordert van [gedaagde] . De kantonrechter vult op voet van artikel 25 RvPro de rechtsgronden dienovereenkomstig aan. De vordering in conventie tot betaling van € 2.175,00 zal dan ook worden toegewezen.
4.9.
Ook de wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 2 oktober 2024, de datum waarop de in de ingebrekestelling van 18 september 2024 genoemde termijn van veertien dagen verstrijkt, totdat alles is betaald.
4.10.
Gelet op het voorgaande behoeft de discussie omtrent de toepasselijkheid en de terhandstelling van de algemene voorwaarden geen bespreking meer.
4.11.
Daarnaast stelt [eiser] dat hij voor een bedrag van € 2.056,00 schade heeft geleden omdat hij op het laatste moment een andere camper heeft moeten huren. Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van schade. Het door [eiser] gevorderde bedrag is gelijk aan het bedrag dat hij voor een vervangende camper heeft betaald. Dit bedrag ligt zelfs lager dan de aan [gedaagde] verschuldigde huurprijs. De door [eiser] in conventie gevorderde schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen.
4.12.
[gedaagde] wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dit brengt met zich dat de door [gedaagde] gevorderde vergoeding van de volledige proceskosten wordt afgewezen. De proceskosten van [eiser] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
150,00
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
€
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
949,50
4.13.
De proceskosten van [eiser] worden in reconventie begroot op € 108,50 (1 punt x factor 0,5 x € 217,00) aan salaris gemachtigde.
5.De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.175,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BWPro over het toegewezen bedrag, met ingang van 2 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 949,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 108,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Steverink en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.