ECLI:NL:RBGEL:2026:4780

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2305
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot intrekking last onder bestuursdwang sloop bedrijfswoning

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder bestuursdwang die is opgelegd aan haar zoon voor de sloop van een bedrijfswoning. De last is onherroepelijk geworden nadat geen rechtsmiddelen tegen het besluit zijn ingesteld. Verzoekster vroeg intrekking van deze last, maar het college wees dit af. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het terugkomen op het onherroepelijke besluit rechtvaardigen.

De voorzieningenrechter benadrukt dat de aangevoerde gronden, zoals het niet bekendmaken van de last aan verzoekster en het gebruiksrecht van de woning, eerder naar voren hadden moeten worden gebracht. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een intrekking rechtvaardigen. Daarom is het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van het intrekkingsverzoek kennelijk ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling. De uitspraak is definitief en hoger beroep of verzet is niet mogelijk. Dit besluit is een analoge toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2305

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.A.M.R. van Lent),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van het verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang van 16 april 2026. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat het verzoek over?
2. Op 14 januari 2019 is een anterieure overeenkomst gesloten tussen [persoon A] (zoon van verzoekster, hierna: [persoon A]) en de gemeente West Betuwe, waarin is vastgelegd dat de bestaande bedrijfswoning met aanbouwen op het perceel [locatie] in [plaats] binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor de nieuwe bedrijfswoning moet worden gesloopt. Verzoekster woont in deze bedrijfswoning.
2.1.
Op 24 januari 2019 is de omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe bedrijfswoning verleend. Als voorschrift is opgenomen dat de bestaande woning binnen twee jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, moet worden gesloopt. De omgevingsvergunning is op 7 maart 2019 onherroepelijk geworden.
2.2.
[persoon A] heeft de sloopverplichting niet nageleefd. Een verzoek om intrekking van het sloopvoorschrift is op 30 januari 2023 buiten behandeling gesteld en in 2023 en 2024 zijn lasten onder dwangsom opgelegd om naleving van het voorschrift af te dwingen. Deze dwangsommen zijn verbeurd.
2.3.
Bij besluit van 13 november 2025 heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd aan [persoon A]. Het college heeft [persoon A] gelast om de oude bedrijfswoning op het perceel aan de [locatie] in [plaats] voor 17 maart 2026 te slopen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. Dit besluit is onherroepelijk geworden.
2.4.
Op 10 maart 2026 heeft verzoekster bij het college een verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang ingediend.
2.5.
Bij besluit van 16 april 2026 heeft het college dit verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang afgewezen.
2.6.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij verzoekt de voorzieningenrechter het besluit van 16 april 2026 en de uitvoering van het handhavingsbesluit van 13 november 2025 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Kan de afwijzing in stand blijven?
3. Verzoekster stelt dat het besluit niet in stand kan blijven, omdat de last onder bestuursdwang niet aan haar bekend is gemaakt, haar gebruiksrecht van de woning onvoldoende is meegewogen, er sprake is van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, er concreet zicht is op legalisatie en het ten uitvoer leggen van de last onder bestuursdwang haar onevenredig zal schaden.
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het ligt op de weg ligt van verzoekster, die van het college verlangt dat het terugkomt op een eerder rechtens onaantastbaar geworden besluit, feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds naar voren gebracht hadden kunnen worden en tot een andersluidend besluit zou hebben geleid. [1]
4.1.
De voorzieningenrechter is voorlopig van oordeel dat hetgeen door verzoekster is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden. De door verzoekster aangevoerde gronden hadden naar voren gebracht dienen te worden in een procedure naar aanleiding van de opgelegde last onder bestuursdwang. Alleen hierom al is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het college het verzoek tot intrekking van de last onder bestuursdwang terecht heeft afgewezen.
4.2.
Evenmin zijn door verzoekster bijzondere omstandigheden aangevoerd die naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een intrekking van de opgelegde last rechtvaardigen.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit betreft een analoge toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.