Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[naam gedaagde 1] ,
2.
[naam gedaagde 2],
1.De procedure
2.De zaak in het kort
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 64.000,00 is) € 579.455,63, verdeeld over de vorderingen onder a. en c. De rente zit niet langer, zoals in de dagvaarding nog het geval was, deels in de hoofdsom maar wordt afzonderlijk gevorderd. Uit de producties 3, 4, 29 en 30 van [de eiser] en de toelichting die zij daarop heeft gegeven, volgt dat zij ter zake van het werk (dus exclusief contractuele rente) facturen heeft gestuurd aan [de gedaagden] voor een totaalbedrag van
€ 676.527,07. Van dit totaal stond ten tijde van de eiswijziging van 21 november 2025 nog de voornoemde € 579.455,63 open. In haar akte van 21 november 2025 stelt [de eiser] namelijk dat de factuur 10866 van € 23.500,00 is betaald op 29 augustus 2024 en de factuur 10867 van € 43.571,44 op 24 februari 2025. Van de factuur 10970 van € 94.000,00 is
€ 30.000,00 betaald op 2 mei 2025 en stond nog € 64.000,00 open, aldus [de eiser] .
aan [de eiser]. Deze betwisting slaagt niet. Tijdens de zitting heeft [de eiser] gesteld dat Architectuur Wonen inderdaad niet als handelsnaam is ingeschreven in het handelsregister, maar wel een merknaam van [de eiser] is. [de contactpersoon] heeft bij [de eiser] gewerkt als begeleider van kopers en is de contactpersoon, bijvoorbeeld als er meerwerk wordt overeengekomen, aldus [de eiser] . De rechtbank stelt vast dat de handtekening van [de contactpersoon] onder de offertes staat en dat [de gedaagde sub 1] ter zitting heeft bevestigd dat [de contactpersoon] zijn contactpersoon was. De aanbouw is feitelijk gerealiseerd door [de eiser] en de facturen hiervoor zijn ook gestuurd door [de eiser] . Al met al kan op geen enkele manier onduidelijk zijn geweest aan wie [de gedaagden] het meerwerk opdroegen: aan [de eiser] .
€ 6.372,48 en € 205,70 is) € 669.948,90 aan [de eiser] moeten betalen. Naast de betalingen die in 4.2 zijn vermeld, hebben [de gedaagden] in de periode van 4 tot en met
9 december 2025 nog een aantal betalingen gedaan. Dit nadat zij bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 10 november 2025 waren veroordeeld tot betaling van € 515.455,63. Zij stellen (en onderbouwen met bankafschriften) dat zij in totaal € 457.071,44 hebben betaald aan [de eiser] . Tijdens de zitting heeft [de eiser] dit nagekeken en erkend dat dit totaalbedrag klopt. Hieruit volgt dat [de gedaagden] nu nog € 212.877,50 moeten betalen. De vordering onder a. is toewijsbaar tot dit bedrag en de vordering onder c. is dan alleen nog toewijsbaar wat betreft de contractuele rente.
€ 6.765,00. Over de factuur met nummer 11331 heeft [de eiser] onbetwist gesteld dat het gaat om kosten van herstel van het retentierecht. Wat betreft deze factuur is een bedrag van € 170,00 exclusief btw toewijsbaar als schade als gevolg van de onrechtmatige daad. In totaal is dus een schadevergoeding van € 6.935,00 toewijsbaar. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf 16 maart 2026, zoals is gevorderd.
5.De beslissing
€ 6.935,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag, met ingang van 16 maart 2026 tot de dag van volledige betaling,