Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4770

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2239
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:41 AwbArt. 1 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur waarin werd bepaald dat gegevens over verzoeker openbaar moeten worden gemaakt. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het kennelijk niet-ontvankelijk is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht van € 200 niet is betaald binnen de gestelde termijn, ondanks dat verzoeker hierover op 2 mei 2026 schriftelijk is geïnformeerd en gewaarschuwd. De betalingstermijn liep tot 15 mei 2026. Verzoeker heeft geen verontschuldigbare reden opgegeven voor het niet betalen van het griffierecht.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en beoordeelt het verzoek niet inhoudelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2239

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoeker] uit [plaats 1], verzoeker,

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2].

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van de minister van 17 februari 2026. Met dit besluit heeft de minister naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet open overheid bepaald dat gegevens over de verzoeker openbaar moeten worden gemaakt. Verzoeker heeft hier bezwaar tegen gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41 van Pro de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dit is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.

Heeft de griffier verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen?

4. De griffier heeft verzoeker bij brief van 30 april 2026 gewezen op het verschuldigd zijn van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen twee weken na de datum van de nota moet zijn betaald. Daarbij heeft de griffier vermeld dat als verzoeker het griffierecht niet (binnen de betalingstermijn) heeft betaald hij het risico loopt dat zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard. Verzoeker heeft hieraan binnen de gestelde betalingstermijn geen gehoor gegeven. De in de aangetekende brief vermelde betalingstermijn eindigde daarmee op 14 mei 2026. Nu deze termijn eindigt op een feestdag, wordt de termijn verlengd naar de eerstvolgende dag die niet op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag valt. [1] Dit betekent dat de termijn om te betalen uiteindelijk eindigde op vrijdag 15 mei 2026.
5. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 2 mei 2026 om 14:38 is bezorgd op het adres van verzoeker en dat verzoeker (of iemand namens verzoeker) voor ontvangst heeft getekend. Vanaf dat moment is verzoeker op de hoogte van het bedrag dat hij aan griffierecht moest betalen, weet hij dat hij dit bedrag uiterlijk op 15 mei 2026 moest betalen, en dat hij, als hij niet (op tijd) betaalt, het risico zou lopen op een niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek.
Heeft verzoeker het griffierecht betaald?
6. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat verzoeker het griffierecht niet heeft voldaan.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
7. Verzoeker heeft geen reden opgegeven voor het niet betalen van het griffierecht. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet betalen van het griffierecht niet verontschuldigbaar vindt.

Conclusie en gevolgen

8. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet.