Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4768

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
05.027310.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 55 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal met geweld en afpersing in vereniging met werkstraf en schadevergoeding

Op 11 januari 2025 heeft verdachte samen met een medeverdachte het slachtoffer beroofd van een scooter, een tas met vapes en andere goederen, waarbij met een mes en een airsoftwapen werd gedreigd. Het slachtoffer werd via Snapchat gelokt naar de plaats delict. De rechtbank achtte de verklaringen van het slachtoffer en medeverdachte betrouwbaar en verklaarde verdachte schuldig aan diefstal met geweld en afpersing in vereniging.

De rechtbank legde een werkstraf van 100 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en diverse bijzondere voorwaarden waaronder een contactverbod met het slachtoffer en begeleiding door de jeugdreclassering. Verdachte verscheen niet op de zitting, waardoor vragen onbeantwoord bleven.

De rechtbank kende aan het slachtoffer een schadevergoeding toe van €1.143,95 aan materiële schade en €2.500,- aan smartengeld, waarvan verdachte de helft moet betalen samen met de medeverdachte. De schadevergoeding wordt verhoogd met wettelijke rente vanaf de datum van het delict. De rechtbank wees de vordering voor beveiligingscamera’s af wegens gebrek aan rechtstreeks verband.

De straf en maatregelen zijn mede gebaseerd op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering, die zorgen uitten over het recidiverisico en het belang van begeleiding benadrukten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 uur werkstraf (40 uur voorwaardelijk) en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer zonder hoofdelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/027310-25
Datum uitspraak : 16 juni 2025
Tegenspraak (279 Sv)
vonnis van de meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats] ,
wonend aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsvrouw: mr. T.T.H.M. Bruers, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een terechtzitting achter gesloten deuren.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte (hierna: [verdachte] ) is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op de openbare weg, te weten de Lange akkers,
een scooter en/of een tas met inhoud (een aantal vapes en/of demperwol en/of een multitool en/of een identiteitsbewijs op naam van [aangever] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] voornoemd, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen via snapchat van een of meer vapes en/of (vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen;
2.
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
op de openbare weg, de Lange akkers,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van diens GSM, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [aangever] voornoemd en/of een derde toebehoorde(n),
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen van een of meer vapes via snapchat en/of (vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen waarbij verdachte en/of diens mededader dreigend zei(den) dat die [aangever] zijn telefoon moest
afgeven.
2. Overwegingen over het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging en afpersing in vereniging.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat er onvoldoende bewijs aanwezig is om tot een veroordeling te komen. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) vindt de raadsvrouw onbetrouwbaar. De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd [verdachte] vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten.
De beoordeling door de rechtbank
Aangever [aangever] (hierna: [aangever] ) heeft verklaard dat hij op zaterdag 11 januari 2025 met zijn scooter naar de Lange Akkers in Arnhem ging, omdat hij via Snapchat een afspraak had gemaakt om vapes te verkopen. Toen [aangever] bij de Lange Akkers aankwam, zag hij twee jongens in het gras naast het pad staan. Hij hoorde één van de jongens zeggen dat hij moest stoppen en moest afstappen. Toen [aangever] stopte, zag hij gelijk dat een van de twee jongens een mes vast had. [aangever] stapte van zijn scooter. De andere jongen, zonder het mes, pakte de sleutel van de scooter. [aangever] zag dat het [medeverdachte] was. [medeverdachte] opende de buddyseat met de sleutel van de scooter. In de buddyseat lag een bigshopper van Action met daarin demperwol voor de scooter, twee doosjes vapes, een multitool en een flesje Prime drank. [medeverdachte] pakte de bigshopper met de spullen erin uit de buddyseat. [aangever] moest van [medeverdachte] en de andere jongen zijn telefoon afgeven. Toen dit aan [aangever] gevraagd werd, liet [medeverdachte] een vuurwapen aan [aangever] zien. [aangever] schrok hier enorm van en gaf zijn telefoon aan [medeverdachte] . In het vakje aan de achterkant van het hoesje van de telefoon zat de identiteitskaart van [aangever] . Toen [aangever] zijn telefoon had afgegeven, stapten [medeverdachte] en de andere jongen op de scooter van [aangever] . Een van de jongens zei dat hij zijn scooter terug zou krijgen bij de busbrug. De jongens reden vervolgens op de scooter van [aangever] richting de busbrug. [aangever] liep naar de busbrug. Hij zag zijn scooter op het zandpad liggen. De buddyseat was leeg. [2]
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij samen met een vriend in contact kwam met een vapedealer. Deze vriend heet [verdachte] en woont aan het [adres] in [plaats] . Toen [medeverdachte] en [verdachte] bij de busbrug in Rijkerswoerd waren, kwam de dealer op de scooter aan. Hij had een plastic tas bij zich met daarin vapes. [medeverdachte] en [verdachte] pakten de tas met vapes. Daarna zei de vriend dat de dealer de buddyseat open moest doen. [medeverdachte] zag een tas met nitraten, Prime drinken, nog meer vapes en een zakmes. [medeverdachte] pakte de tas uit de buddy. [verdachte] wilde de scooter afpakken, maar de dealer wilde zijn scooter niet afgeven. [medeverdachte] pakte het balletjespistool in zijn rechter jaszak vast en haalde het wapen er deels uit. [medeverdachte] zag dat de dealer schrok toen hij het pistool zag. De dealer gaf vervolgens ook zijn telefoon af en de vapes in de buddy. [verdachte] zei dat de dealer zijn scooter kon ophalen aan het einde van de busbrug. Daar zetten [medeverdachte] en [verdachte] de scooter neer. [medeverdachte] en [verdachte] hebben ongeveer 32 vapes, één pakje nitraten, Prime drinken en een zakmesje van de dealer afgepakt. [3]
De rechtbank vindt de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar. Deze komt op alle belangrijke punten overeen met de verklaring van [aangever] . Bovendien belast [medeverdachte] zichzelf in forse mate in zijn verklaring. Van wijzen naar een ander om zijn eigen rol kleiner te maken, is dan ook geen sprake. Het signalement dat [aangever] heeft gegeven van de tweede jongen, past daarnaast bij [verdachte] . Bovendien is in de telefoon van [medeverdachte] een connectie te zien met het account [accountnaam] op Snapchat. Via dat account hadden [medeverdachte] en [verdachte] contact. Onder de accountnaam is te zien: ‘ [afkorting] ’. De rechtbank stelt vast dat dit de voorletters van [verdachte] zijn. Verder blijkt uit onderzoek van de politie dat [medeverdachte] en [verdachte] elkaar kennen, omdat zij samen zijn gezien tijdens een controle van de politie die plaatsvond op 24 augustus 2024 en toen verklaard hebben dat zij vrienden van elkaar zijn. [4]
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het [verdachte] is geweest die samen met medeverdachte [medeverdachte] aangever [aangever] heeft beroofd van zijn spullen en zijn scooter. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2.

3.De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Bewezen kan worden dat:
1.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
op de openbare weg, te weten de Lange akkers,
een scooter en
/ofeen tas met inhoud (een aantal vapes en
/ofdemperwol en
/ofeen multitool en
/ofeen identiteitsbewijs op naam van [aangever] ),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever] voornoemd,
in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd
voorafgegaan,vergezeld
en/of gevolgdvan
geweld en/ofbedreiging met geweld tegen die [aangever] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal
voor te bereiden ofgemakkelijk te maken,
of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen via snapchat van een of meer vapes en
/of (vervolgens
)die [aangever] dreigend een mes en
/of een vuurwapen, althanseen op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen;
2.
hij op
of omstreeks11 januari 2025 te Arnhem,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,
op de openbare weg, de Lange akkers,
met het oogmerk om zich en
/ofeen ander wederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/ofbedreiging met geweld, [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van diens GSM,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [aangever] voornoemd
en/of een derdetoebehoorde
(n),
door die [aangever] voornoemd naar de plaats van het delict te lokken door een bestelling te doen van
een of meervapes via snapchat en
/of(vervolgens) die [aangever] dreigend een mes en
/of een vuurwapen, althanseen op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen waarbij verdachte en
/ofdiens mededader dreigend zei
(den
)dat die [aangever] zijn telefoon moest
afgeven;
De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van die onderdelen van de tenlastelegging die niet zijn bewezen.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Er is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van [verdachte] geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

7.De motivering van de straf

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] wordt veroordeeld tot een werkstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De officier van justitie eist daarbij een proeftijd van 2 jaar, onder de algemene voorwaarde en met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met [aangever] , meewerken aan dagbesteding, meewerken aan kamertraining, een drugsverbod en meewerken aan ambulante behandeling, voor zover de jeugdreclassering dit nodig vindt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft gesteld dat [verdachte] zelf hulp zoekt als dat nodig is. Hij heeft sinds kort weer begeleiding van [begeleider] van Jeugdbescherming Gelderland. Volgens de raadsvrouw volgt uit de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming onvoldoende dat ambulante behandeling nodig is. Het toezicht en de begeleiding die op dit moment in een vrijwillig kader plaatsvindt, is voldoende om [verdachte] te ondersteunen.
De beoordeling door de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, betrekt de rechtbank de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan. Ook houdt de rechtbank rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] en met de inhoud van de volgende stukken:
  • het uittreksel justitiële documentatie van 23 april 2026 (het strafblad),
  • het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 6 mei 2026.
In het bijzonder weegt de rechtbank het volgende mee.
Strafblad
De rechtbank constateert dat [verdachte] niet eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Wel heeft hij een boete en twee strafbeschikkingen ontvangen vanwege verkeersfeiten.
De ernst van de feiten
[verdachte] heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een beroving. Hij heeft zich samen met [medeverdachte] bij het slachtoffer [aangever] voorgedaan als koper van een partij vapes en met hem een afspraak gemaakt voor een ontmoeting. Toen [aangever] met zijn scooter aankwam op de afgesproken plek werd hij beroofd van zijn spullen, waarbij door [verdachte] is gedreigd met een mes en door [medeverdachte] is gedreigd met een airsoftwapen. Vervolgens zijn [verdachte] en [medeverdachte] op de scooter van [aangever] vertrokken met de spullen van [aangever] , waaronder ook zijn telefoon. De scooter is een eind verderop beschadigd achtergelaten en de telefoon is weggegooid. De andere spullen hebben [verdachte] en [medeverdachte] meegenomen en onderling verdeeld.
Uit de vordering tot schadevergoeding en de slachtofferverklaring van [aangever] blijkt dat de beroving grote impact op hem en zijn familie heeft gehad. [aangever] heeft bij het zien van de wapens gevreesd voor zijn leven. Sinds de beroving ervaart hij constant een gevoel van onveiligheid. Daar komt bij dat [aangever] in het tweede jaar van zijn opleiding heeft besloten om hiermee te stoppen, omdat [medeverdachte] dezelfde opleiding ging volgen en hij op school steeds met hem werd geconfronteerd. De rechtbank vindt het feit heel ernstig en verdrietig voor [aangever] dat hij hier slachtoffer van is geworden .
De rechtbank vindt het erg jammer dat [verdachte] niet is verschenen bij de behandeling van zijn zaak op zitting. De inhoud van het dossier riep vragen op die de rechters graag aan [verdachte] hadden willen stellen. Door de keuze van [verdachte] om niet te verschijnen bij de zitting, is een deel van de vragen van de rechtbank onbeantwoord gebleven. De rechtbank heeft daarom nu een beslissing genomen op basis van het politiedossier en de rapportage van de Raad.
Het advies van de Raad en de jeugdreclassering
Uit het onderzoek van de Raad komen zorgen over [verdachte] naar voren. De Raad ziet risicofactoren voor de kans op herhaling binnen meerdere domeinen en schat het recidiverisico gemiddeld in. De Raad vindt het positief dat [verdachte] zelf hulp heeft gezocht bij de jeugdreclasseerder die eerder bij hem betrokken was. Wel stelt de rechtbank vast dat dit nog maar zeer recent (circa twee maanden) in gang is gezet en [verdachte] zich voornamelijk tot de jeugdreclassering heeft gericht met een hulpvraag gericht op een eigen woonplek. De Raad adviseert de rechtbank om [verdachte] een (deels) voorwaardelijke werkstraf op te leggen met verplichte begeleiding door de jeugdreclassering gericht op meer dan alleen het verkrijgen van een woonplek. De bijzondere voorwaarden zouden volgens de Raad moeten zien op een zinvolle dagbesteding, het meewerken aan een kamertrainingstraject, het op orde brengen van de financiële situatie en het afbetalen van boetes. Tijdens de zitting is daaraan toegevoegd dat het drugsgebruik van [verdachte] een risicofactor is, waardoor het goed is als de jeugdreclassering dat kan monitoren. Daarnaast zou het goed zijn als ambulante behandeling kan worden ingezet als de jeugdreclassering dat nodig vindt. De jeugdreclassering heeft aangegeven dat de financiële situatie van [verdachte] al in kaart is gebracht. Zodra [verdachte] een baan heeft gevonden, kan de jeugdreclassering hem helpen om betalingsregelingen te treffen zodat de schulden kunnen worden afbetaald. Omdat dit al loopt, vindt de jeugdreclassering het niet nodig om dit als bijzondere voorwaarde op te nemen.
Conclusie
Alles afwegende legt de rechtbank een werkstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk op aan [verdachte] , met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd verbindt de rechtbank de voorwaarde dat [verdachte] niet opnieuw een strafbaar feit pleegt, een contactverbod met [aangever] en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en de jeugdreclassering, met uitzondering van de geadviseerde ambulante behandeling. De rechtbank is het met de verdediging eens dat onvoldoende duidelijk en concreet is dat een ambulante behandeling nodig is en ook is niet aangegeven om welke behandeling van welke duur het zou moeten gaan.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert € 2.455,88 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheid verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de toe te kennen schadevergoeding niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft van de schade voor rekening van [verdachte] te brengen. De andere helft moet dan betaald worden door [medeverdachte] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering van [aangever] af te wijzen dan wel hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet bekend is of de schade aan de scooter is vergoed door de verzekeraar en dat geen vergoeding van de geleden schade door [verdachte] kan plaatsvinden zolang hierover geen duidelijkheid bestaat. Over de kosten van de aanschaf van de beveiligingscamera’s heeft de raadsvrouw gesteld dat geen sprake is van een rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten. Het incident heeft volgens de raadsvrouw niet plaatsgevonden bij de woning en er zijn ook geen latere omstandigheden bekend waardoor de aanschaf van beveiligingscamera’s noodzakelijk zouden zijn.
Over de immateriële schade heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de feiten in de aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar zijn met de ten laste gelegde feiten in deze strafzaak. Zij heeft de rechtbank verzocht een lager bedrag aan smartengeld vast te stellen als de rechtbank tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten komt.
De beoordeling door de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek op de terechtzitting is voldoende gebleken dat [aangever] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van [verdachte] rechtstreeks schade heeft geleden.
De rechtbank overweegt dat de schadeposten die zien op de multitool, de Samsung A34, de aanvraag van een nieuwe ID-kaart, de kosten van nieuwe pasfoto’s en de reiskosten naar het politiebureau niet zijn betwist. Deze schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. De rechtbank vindt dat deze posten toewijsbaar zijn.
Over de schade aan de scooter overweegt de rechtbank dat deze door de verdediging onvoldoende gemotiveerd is betwist. In reactie op het verweer van de raadsvrouw over de verzekering van de scooter, is namens [aangever] gesteld dat de scooter WA casco was verzekerd waardoor schade aan de eigen scooter niet wordt vergoed. Het schadebedrag dat ziet op de scooter is daarom toewijsbaar.
Voor de hiervoor genoemde schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de materiële schade tot een hoogte van € 2.287,89 toewijsbaar is.
Ten aanzien van de gevorderde kosten van de aanschaf van beveiligingscamera’s verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering. De vordering is op dit onderdeel betwist. Omdat er naar het oordeel van de rechtbank geen concrete bedreigingen waren of aanwijzingen dat [aangever] en/of zijn familie moesten vrezen voor hun veiligheid, kan geen rechtsreeks verband worden aangenomen.
Smartengeld
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat tijdens de zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat [aangever] gelet op de aard en de ernst van de normschending, te weten door de beroving onder bedreiging van een mes en een niet van echt te onderscheiden airsoftwapen, op andere wijze in de persoon is aangetast. Hij is als minderjarige geconfronteerd met twee gewapende daders, die hem naast zijn spullen, ook zijn scooter hebben afgenomen. De rechtbank acht het zeer voorstelbaar dat dit feit een diepe impact heeft gehad op [aangever] , zoals ook door zijn moeder namens hem tijdens de zitting naar voren is gebracht. Dit is aan [verdachte] toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank stelt daarom het bedrag aan smartengeld vast op € 2.500,-. De rechtbank zal [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Wettelijke rente
[verdachte] is wettelijke rente verschuldigd vanaf 11 januari 2025.
De schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door [verdachte] wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, waarbij de maatregel alleen ziet op het toegewezen bedrag. In verband met de leeftijd van [verdachte] ten tijde van de ten laste gelegde feiten zal geen gijzeling worden opgelegd.
Geen hoofdelijkheid
Bij het gezamenlijk veroorzaken van schade is het uitgangspunt dat de veroorzakers van de schade allemaal kunnen worden aangesproken om het hele bedrag te betalen (hoofdelijkheid). In dit geval vindt de rechtbank het beter als [verdachte] en [medeverdachte] na de afronding van deze strafzaak niet meer met elkaar in contact hoeven te zijn over de verdeling van het te betalen schadebedrag. Gelet op het feit dat de rechtbank gelijktijdig vonnis wijst ten aanzien van [medeverdachte] , zal de rechtbank bepalen dat [verdachte] en [medeverdachte] ieder de helft van de toewijsbare schade moeten betalen aan [aangever] . Dat is per persoon in totaal € 1.143,95 aan materiële schade en € 1.250,- aan smartengeld.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 55, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen wat [verdachte] meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
 verstaat dat het bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart [verdachte] hiervoor strafbaar;
 veroordeelt [verdachte] wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf, te weten
een werkstraf van 100 (honderd) uur, met bevel dat als deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
 bepaalt dat van die werkstraf
40 (veertig) uur niet zullen worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
 stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar onder de
algemene voorwaardedat [verdachte] zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, en
 stelt als
bijzondere voorwaardendat [verdachte] gedurende de proeftijd:
meewerkt aan een traject gericht op zelfstandig wonen (kamertraining) en hiervoor verblijft bij een instelling voor begeleid wonen, te bepalen door de jeugdreclassering, indien en voor zover de jeugdreclassering dat nodig vindt. [verdachte] houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;
meewerkt aan het realiseren en behouden van een zinvolle dagbesteding, in de vorm van school, werk of stage;
geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) van de Opiumwet gebruikt, voor zover en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt. [verdachte] moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles in de vorm van urineonderzoek of een speekseltest. De jeugdreclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangever] , geboren op [geboortedatum 2] 2007;
geeft de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering de opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden.
onder de voorwaarden dat [verdachte]:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in art. 77aa, eerste tot en met vierde lid, Wetboek van Strafrecht, uit te voeren door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland, afdeling jeugdreclassering, waaronder de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen;
 veroordeelt [verdachte] in verband met de bewezenverklaarde feiten tot betaling van schadevergoeding aan de
benadeelde partij [aangever]van een bedrag van € 1.143,95 (duizendhonderddrieënveertig euro en vijfennegentig cent) aan materiële schade en € 1.250,- (duizendtweehonderdvijftig euro) aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt [verdachte] in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
  • legt aan [verdachte] de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 1.143,95 (duizendhonderddrieënveertig euro en vijfennegentig cent) aan materiële schade en € 1.250,- (duizendtweehonderdvijftig euro) aan smartengeld. De materiële schade (€ 1.143,95) en het smartengeld (€ 1.250,-) worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 0 (nul) dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van Poecke (voorzitter en kinderrechter), mr. G.M.L. Tomassen en mr. M.W. Stoet, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.G.M. van Lammeren- van Dijck, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2026.
mr. M.W. Stoet is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, VAT Arnhem, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025017273, gesloten op 14 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 12 t/m 14 en het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangever] , p. 16 en 17.
3.Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 143 t/m 146 en het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 149 en 150.
4.Het proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte] , p. 153 en 154 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 29.