ECLI:NL:RBGEL:2026:4766

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2541
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden en stukken

In deze zaak heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Rechtbank Gelderland. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een verzoek om voorlopige voorziening de gronden van het verzoek bevatten en moeten afschriften van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit waarop het geschil betrekking heeft, worden overgelegd. Verzoeker heeft echter nagelaten deze gronden en stukken te overleggen.

De rechtbank heeft verzoeker bij brief verzocht dit verzuim binnen een week te herstellen, maar verzoeker heeft hieraan geen gehoor gegeven en ook geen reden voor het verzuim opgegeven. Hierdoor is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en is het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden en benodigde stukken.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2541

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak van

[verzoeker] uit [plaats], verzoeker

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Tevens moet de indiener afschriften van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
1.1.
Verzoeker heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift en heeft ook geen afschriften van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit overlegd. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 20 mei 2026 verzocht om binnen een week dit verzuim te herstellen.
1.2.
Verzoeker heeft binnen die termijn geen gronden ingediend en ook geen afschriften van het bezwaar- of beroepschrift en het besluit overlegd.
1.3.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.

Conclusie en gevolgen

2. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. Sahli, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.