Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4751

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
059812-26
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vijf vermogensdelicten met vrijspraak medeplichtigheid witwassen

De rechtbank Gelderland heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een 44-jarige man die werd verdacht van meerdere vermogensdelicten en medeplichtigheid aan witwassen. De verdachte werd beschuldigd van poging tot woninginbraak, diefstal van diverse goederen bij Albert Heijn, diefstal van gereedschap en een laptop, diefstal van legosets met braak en diefstal van een bolderkar met boombeschermers. Daarnaast werd hem medeplichtigheid aan witwassen ten laste gelegd.

Na beoordeling van het bewijs, waaronder camerabeelden, verklaringen van aangevers en verbalisanten, en de verdediging, oordeelde de rechtbank dat de verdachte schuldig was aan de vijf vermogensdelicten. De medeplichtigheid aan witwassen werd echter niet bewezen geacht, omdat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte bewust zijn bankgegevens ter beschikking had gesteld voor witwaspraktijken.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, recidive en het advies van de reclassering. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €796,- aan de benadeelde partij voor de gestolen laptop, vermeerderd met wettelijke rente. De overige civiele vorderingen werden afgewezen. De straf zal volledig onvoorwaardelijk worden uitgevoerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf voor vijf vermogensdelicten en vrijgesproken van medeplichtigheid aan witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05.059812.26
Datum uitspraak : 15 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfsplaats] .
Raadsvrouw: mr. E.J. Teeuwen, advocaat in Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 5 september 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 1] te [plaats 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevond, geld en/of goederen naar diens gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel
met een koevoet in het kozijn van het keukenraam en/of de deur van de berging heeft gewrikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij, op of omstreeks 27 oktober 2025 te [plaats 1] levensmiddelen en/of batterijen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn (Vestigingsnummer 000018376347) aan het Polsbroek 77 te [plaats 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij, op of omstreeks 16 september 2025 te [plaats 2] een emmer met diverse handgereedschappen en/of een HP laptop met tas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] ., in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
4.
hij, op of omstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] een hoeveelheid legosets en/of speelfiguren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
5.
hij, op of omstreeks 11 oktober 2025 te [plaats 2] een bolderkar en/of (delen van) boombeschermers, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [stichting] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
6.
een of meer onbekend gebleven dader(s) op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 november 2025 tot en met 13 november 2025, te [plaats 1] , Heerhugowaard, Delft, Geleen, Dordrecht, Haelen, Leeuwarden en/of Wilnis, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen telkens (van) een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van
- €206,75 van [aangever] op 7 november 2025,
- €378,95 van [aangever] op 8 november 2025,
- €125 van [aangever] op 8 november 2025,
- €518,40 van [aangever] op 9 november 2025,
- €611 van [aangever] op 9 november 2025,
- €580 van [aangever] op [geboortedatum] 2025 en/of
- €164 van [aangever] op [geboortedatum] 2025,
in totaal € 2584,10, althans enig geldbedrag,
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
terwijl die mededader en/of mededader wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks 6 november 2025 tot en met 13 november 2025 te [plaats 1] , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn, verdachtes, bankpas, pincode, inloggegevens van de bankierenapp en/of zijn bankrekeningnummer ter beschikking te stellen aan die onbekend gebleven dader(s).

2.Vrijspraak

Feit 6
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte medeplichtig is aan het medeplegen van schuldwitwassen door zijn bankpas, pincode, inloggegevens van de bankierenapp en zijn bankrekeningnummer ter beschikking te stellen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van feit 6. De verdediging betwist dat sprake is van oplichting en dat geen sprake is van dubbel opzet om van medeplichtigheid te kunnen spreken. Verdachte heeft zijn bankgegevens niet bewust (ook niet in voorwaardelijke zin) ter beschikking gesteld ten behoeve van witwashandelingen.
Beoordeling door de rechtbank
Uit de aangiftes die zien op de marktplaatsoplichting en uit de daarmee samenhangende ingediende vorderingen tot schadevergoeding blijkt dat aangevers geld hebben betaald voor spullen die zij niet geleverd hebben gekregen. Daarbij is in een korte periode nagenoeg steeds dezelfde werkwijze gehanteerd, namelijk advertenties die op naam van ene [verdachte] staan, waarbij goederen worden aangeboden en alleen de mogelijkheid wordt geboden om geld over te maken - al dan niet via het betalen van een Tikkie - naar rekeningnummers. Na het betalen is er geen contact meer mogelijk en het goed dat is gekocht wordt niet ontvangen. De rechtbank leidt uit deze omstandigheden af dat er sprake is van oplichting.
De ontvangen bedragen zijn gestort op drie rekeningnummers, die allemaal op naam staan van verdachte. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zijn inloggegevens van zijn bankrekening aan ene [naam] heeft gegeven, omdat zij samen online gokten. In zijn requisitoir heeft de officier van justitie toegelicht dat zij de rol van verdachte bij de oplichtingen beschouwt als die van katvanger, en niet verder reikt dan het ter beschikkingstellen van de bankgegevens van zijn bankrekeningen. Verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de oplichtingen, het ging om online gokken. De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat dat verdachte wist of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard of redelijkerwijs moest vermoeden dat met de door hem verstrekte bankgegevens de marktplaatsoplichting dan wel het witwassen zou worden gepleegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van feit 6 (medeplichtigheid bij het medeplegen van (schuld)witwassen).
3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat:
  • verdachte zich ten aanzien van feit 1 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot woninginbraak;
  • verdachte zich ten aanzien van feit 2 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van levensmiddelen en batterijen;
  • verdachte zich ten aanzien van feit 3 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een emmer met gereedschap en een laptoptas met een laptop erin. Voor de ten laste gelegde inklimming dient vrijspraak te volgen;
  • verdachte zich ten aanzien van feit 4 schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak van een groot aantal legosets en speelfiguren;
  • verdachte zich ten aanzien van feit 5 schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een bolderkar waarin boombeschermers lagen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 tot en met feit 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
[aangever] heeft aangifte gedaan van een poging tot inbraak in zijn woning aan de [adres 1] in [plaats 1] op 5 september 2025. Aangever heeft verklaard dat op camerabeelden van de buurvrouw te zien is dat op 5 september 2025 een man voor de woning loopt die met een koevoet het keukenraam probeert open te breken. Daarnaast zou te zien zijn dat de man iets bij de deur van de berging aan het doen is. [2]
Verbalisant [verbalisant 1] heeft de camerabeelden van een poging tot woningbraak aan de [adres 1] in [plaats 1] bekeken. Hij beschrijft dat hij op de camerabeelden van een Ring videobel op 5 september 2025 om 05:00 uur een man voor een woning ziet staan die tegen een raamkozijn staat te drukken. Op andere beschikbare camerabeelden ziet verbalisant dat om 04:52 uur een man komt aanlopen die om zich heen kijkt en bij een deur gaat staan die vermoedelijk toegang geeft tot de berging van de woning. Verbalisant ziet dat de man aan de deur voelt. [3]
Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden. [4]
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van inklimming door tegen het raam te drukken en aan de deur te voelen gedurende de voor nachtrust bestemde uren. Door zo te handelen is er naar de uiterlijke verschijningsvorm sprake van een poging tot diefstal door middel van inklimming. Ten aanzien van de ten laste gelegde omstandigheid ‘braak’, overweegt de rechtbank dat alleen aangever over een koevoet heeft verklaard. Verbalisant heeft in de beschrijving van de camerabeelden niet beschreven dat er een koevoet te zien is. Ook heeft de rechtbank op de camerabeelden geen koevoet waargenomen. Niet staat vast dat verdachte schade heeft veroorzaakt. De rechtbank zal verdachte gelet op het voorgaande partieel vrijspreken van de poging tot braak.
Feit 2
Namens Albert Heijn, gevestigd aan de Polsbroek 77 in [plaats 1] (vestigingsnummer 000018376347), is aangifte gedaan van diefstal van vlees, vis, batterijen, alcohol en kaas op 27 oktober 2025. Aangever heeft verklaard dat een meneer door de winkel loopt en de hiervoor genoemde producten in zijn tas stopt. Vervolgens loopt hij langs de kassa naar buiten. [5]
Verbalisant [verbalisant 2] heeft de camerabeelden van de diefstal bekeken. Hij zag op de beelden dat de voor hem welbekende [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] meerdere goederen in een gele plastic Jumbo tas deed en vervolgens de winkel verliet. [6]
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal.
Feit 3
Namens [bedrijf] . is aangifte gedaan van diefstal van een emmer met diverse handgereedschappen en een laptoptas waarin een HP-laptop zat. Aangever heeft verklaard dat de hiervoor genoemde goederen op 16 september 2025 vanuit een pand aan het [adres 2] in [plaats 2] zijn weggenomen door een man die op een scooter kwam aanrijden. [7]
Verbalisant [verbalisant 3] heeft de camerabeelden op 16 september 2025 van het [adres 2] in [plaats 2] bekeken. Verbalisant ziet een man op een donkere scooter aan komen rijden. De persoon loopt door een openstaande deur van het pand. Even later komt de persoon terug door diezelfde deur terwijl hij een emmer met diverse spullen vast heeft. De man zet de emmer op het voetenplankje van zijn scooter en plaatst daar een plastic tas overheen. Vervolgens loopt de man weer door dezelfde deur heen. Als hij daar uit komt lopen houdt hij in zijn linker hand een zwarte tas vast. De man loopt direct naar zijn scooter en de zwarte tas verdwijnt achter het stuur van de scooter. Vervolgens rijdt de man weg op de scooter. [8]
Verbalisant [verbalisant 4] heeft de beveiligingsbeelden bekeken naar aanleiding van een diefstal op 16 september 2025. Op de beelden herkent verbalisant, [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] . Verbalisant kent [verdachte] zeer goed en ze herkent hem aan zijn gezicht, postuur en manier van bewegen. [9]
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten dat deze diefstal is gepleegd door middel van inklimming. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid ‘inklimming’.
Feit 4
[aangever] heeft aangifte gedaan van diefstal uit zijn garagebox in [plaats 2] . Aangever heeft verklaard dat hij op 2 oktober 2025 zag dat zijn berging niet op slot zat, terwijl hij weet dat zijn berging altijd dicht en op slot zit. Aangever zag dat er meerdere plastic bakken met zijn legoverzameling weg waren. Hij zag ook dat er een Jumbo bigshopper met lego weg was en dat er een legodoos weg was. Aangever zag dat er braaksporen aan de deur van zijn berging zaten. Op de camerabeelden zag aangever dat de diefstal op zaterdag 27 september 2025 en zondag 28 september 2025 vroeg in de ochtend heeft plaatsgevonden. [10] Er zijn diverse legodozen en figuren weggenomen. [11]
Verbalisant [verbalisant 5] heeft de camerabeelden van 27 en 28 september 2025 bekeken. Op de camerabeelden van 27 september 2025 zag verbalisant dat er om 04:27 uur een zwartgekleed persoon met een helm op via de roldeur van de algemene parkeergarage in beeld kwam lopen. Vervolgens verdween de persoon uit beeld. Om 04:52 uur kwam er een persoon in beeld lopen die verbalisant herkende als de persoon die eerder via de roldeur naar binnen kwam. Deze persoon hield twee grote plastic bakken vast waar een doos op lag. De persoon verdween via de roldeur uit beeld.
Op de camerabeelden van 28 september 2025 zag verbalisant om 05:01 uur dat er een persoon via de roldeur de algemene parkeergarage inliep die zwart gekleed was en een helm droeg. Verbalisant herkende de persoon als dezelfde persoon die te zien was op de camerabeelden van 27 september 2025. Deze persoon verdween vervolgens uit beeld. Verbalisant zag op de beelden dat om 05:07 uur een persoon de deur open deed en meerdere goederen in zijn handen vasthield. Verbalisant zag dat de persoon drie plastic bakken op elkaar vasthield en dat de persoon de helling opliep naar de roldeur van de algemene parkeergarage. De persoon verdween vervolgens uit beeld. [12]
Verbalisant [verbalisant 6] heeft [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] , herkend op foto’s van een aandachtvestiging naar aanleiding van een diefstal. Verbalisant herkent [verdachte] , omdat hij hem meerdere keren voorbij heeft zich komen op de briefing en in mails met berichtgeving over veelplegers. In augustus 2025 heeft verbalisant [verdachte] staande gehouden en een controle van 25 minuten uitgevoerd. Hierbij heeft verbalisant [verdachte] goed kunnen observeren. Verbalisant herkent [verdachte] aan het totaalbeeld van zijn kenmerken: een baardje, zijn onmiskenbare tattoos in het gezicht, zijn kleine postuur, kleine neus, stand van de ogen, houding en helm ( [verdachte] verplaatst zich altijd op zijn scooter). [13]
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal met braak.
Feit 5
Namens [stichting] is aangifte gedaan van diefstal van een bolderkar met daarin onderdelen voor een boombeschermer. Aangever heeft verklaard dat op 11 oktober 2025 een cliënt van [stichting] op de locatie van [stichting] in [plaats 2] bezig was met de verzorging van de dieren. Deze cliënt zag een voor hem onbekende man met een scooter met daarachter een bolderkar van [stichting] met daarin twee onderdelen voor een boombeschermer van [stichting] . De cliënt heeft de man gefilmd en hij heeft dit filmpje aan de begeleiding laten zien. Aangever heeft verklaard dat niemand van de begeleiding wist wie de man was. [14]
Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de bolderkar achter zijn scooter heeft gebonden om spulletjes te verplaatsen. [15]
Op de terechtzitting heeft verdachte verder verklaard dat hij toestemming had om de bolderkar met inhoud mee te nemen. Uit de aangifte blijkt dat verdachte die toestemming niet had. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van een bolderkar en delen van een boombeschermer.

4.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij, op
of omstreeks5 september 2025 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 1] te [plaats 1] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevond, geld en/of goederen naar diens gading
, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde
(n
)
weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van
braak, verbreking,inklimming
en/of een valse sleutel
met een koevoet in het kozijn van het keukenraam en/of de deur van de berging heeft gewrikt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij, op
of omstreeks27 oktober 2025 te [plaats 1] levensmiddelen en
/ofbatterijen
, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan Albert Heijn (Vestigingsnummer 000018376347) aan
dePolsbroek 77 te [plaats 1]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
hij, op
of omstreeks16 september 2025 te [plaats 2] een emmer met diverse handgereedschappen en
/ofeen HP laptop met tas
, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan [bedrijf] .
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;
4.
hij,
op ofomstreeks 28 september 2025 te [plaats 2] een hoeveelheid legosets en/of speelfiguren
, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan [aangever]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van braak;
5.
hij, op
of omstreeks11 oktober 2025 te [plaats 2] een bolderkar en
/of (delen van
)eenboombeschermer
s, in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten deleaan [stichting]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
poging tot diefstal in een woning waarbij de schuldige heeft gepoogd zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van inklimming;
feit 2, feit 3 en feit 5, telkens:
diefstal;
feit 4:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

6.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

7.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

8.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een veel kortere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist wordt opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk is.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot inklimming in een woning, een diefstal met braak en drie diefstallen. De poging tot inklimming in de woning is een ernstig feit, omdat een dergelijk feit inbreuk maakt op de privacy en het veiligheidsgevoel van de bewoners. De overige diefstallen zijn feiten die voor veel overlast en schade zorgen voor de slachtoffers en de maatschappij.
De rechtbank heeft gelet op de justitiële documentatie van 30 april 2026, die bestaat uit 21 pagina’s en waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensfeiten. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank heeft gelet op het reclasseringsadvies van 7 mei 2026. De reclassering beschrijft dat in het verleden diverse strafmodaliteiten zijn opgelegd, waaronder (voorwaardelijke) gevangenisstraffen, bijzondere voorwaarden, taakstraffen en geldboetes. Dit heeft echter niet geleid tot structurele gedragsverandering of recidivevermindering. In 2023 heeft verdachte een ISD-maatregel opgelegd gekregen, welke in maart 2025 is beëindigd. Verdachte is kort nadat de ISD-maatregel is beëindigd weer teruggevallen in middelengebruik en het plegen van strafbare feiten.
De reclassering heeft geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.
Gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, het feit dat er eerder verschillende strafmodaliteiten aan verdachte zijn opgelegd en het feit dat de feiten zijn gepleegd kort nadat de ISD-maatregel was beëindigd, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere straf op te leggen dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen reden om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

9.De beoordeling van de civiele vorderingen

Feit 3
De benadeelde partij [bedrijf] heeft in verband met feit 3 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.284,- aan materiële schade voor de aanschaf van een nieuwe laptop vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 796,-, voor de kosten van de gestolen laptop, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van
€ 796,- kan worden toegewezen. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering worden verklaard.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank overweegt dat de schadepost van de laptop tot een hoogte van € 796,- is erkend. Deze schadepost is verder voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de laptop tot een hoogte van € 796,- kan worden toegewezen. Verdachte is vanaf 16 september 2025 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.
Feit 6
De volgende benadeelde partijen hebben in verband met feit 6 de volgende vorderingen tot schadevergoeding ingediend, telkens vermeerderd met de wettelijke rente:
  • [aangever] vordert € 206,95 aan materiële schade;
  • [aangever] vordert € 125,- aan materiële schade;
  • [aangever] vordert € 518,40 aan materiële schade;
  • [aangever] vordert € 611,40 aan materiële schade;
  • [aangever] vordert € 580,- aan materiële schade;
  • [aangever] € 164,- aan materiële schade.
Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard nu vrijspraak is bepleit.
Overweging van de rechtbank
Verdachte wordt vrijgesproken van feit 6. Daarom zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen worden verklaard.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder 6 ten laste gelegde feit;
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Civiele vordering [bedrijf] (feit 3)
 veroordeelt verdachte in verband met feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 796,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [bedrijf] , een bedrag te betalen van € 796,- aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 september 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Civiele vorderingen [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] en [aangever] (feit 6)
 verklaart de benadeelde partijen [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] , [aangever] en [aangever] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. de Vries (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. A.T.G. van Wandelen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.L. Goedheer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 7] van de politie Oost-Nederland, Recherche IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2025550657, gesloten op 26 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, [aangever] , p. 14.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 31.
4.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2026.
5.Proces-verbaal van aangifte [aangever] namens Albert Heijn, p. 41.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 43.
7.Proces-verbaal van aangifte R.H.J. Schutte, namens [bedrijf] ., p. 309-310.
8.Proces-verbaal van bevindingen, p. 320-321.
9.Proces-verbaal van herkenning, p. 318.
10.Proces-verbaal van aangifte, [aangever] , p. 329.
11.Proces-verbaal aanvullend, p. 332-333.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 338-340.
13.Proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar, p. 353.
14.Proces-verbaal van aangifte [aangever] , namens [stichting] , p. 358-359.
15.Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juni 2026.