ECLI:NL:RBGEL:2026:4741

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
K/5001/11896110
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230t BWArt. 6:230o BWArt. 6:193d BWArt. 3:40 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging overeenkomst wegens schending informatieverplichtingen en onrechtmatige toegang tot laptop

In deze civiele bodemzaak vordert de eiser terugbetaling van betaalde bedragen en schadevergoeding wegens een geschil over een ICT-dienstverleningsovereenkomst met de gedaagde. De eiser stelt dat er geen geldige overeenkomst is gesloten omdat zijn krabbel geen digitale handtekening is, en dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens schending van informatieverplichtingen en oneerlijke handelspraktijken.

De kantonrechter oordeelt dat er wel een overeenkomst tot stand is gekomen, gelet op de aanvaarding van het aanbod en de langdurige uitvoering. De overeenkomst kwalificeert als buiten de verkoopruimte gesloten. De gedaagde heeft echter niet voldaan aan essentiële precontractuele informatieverplichtingen, zoals het niet duidelijk maken van de looptijd en het ontbindingsrecht, wat een misleidende omissie oplevert.

De sanctie is een gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst voor 20%, aansluitend bij de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten. Daarnaast zijn twee verhogingen van het maandbedrag onterecht en moet de gedaagde deze terugbetalen. Tevens is vastgesteld dat de gedaagde onrechtmatig spyware op de laptop van de eiser heeft geïnstalleerd, waarvoor schadevergoeding wordt toegekend.

De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen tot het wettelijke maximum en de wettelijke rente wordt toegekend vanaf 13 februari 2025. De proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De gedaagde wordt veroordeeld tot gedeeltelijke terugbetaling, schadevergoeding en incassokosten wegens schending informatieverplichtingen en onrechtmatige installatie van spyware.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11896110 \ CV EXPL 25-7767
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. Franzen,
tegen
[naam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 december 2025 en de hierin genoemde processtukken,
1.2.
Op 11 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [de eiser] was hierbij aanwezig, vergezeld door de heer [betrokkene] en bijgestaan door zijn gemachtigde. [de gedaagde] was eveneens in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. F.J. Boonstra die gemachtigd was om namens hem tijdens de zitting het woord te voeren. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis zal worden gewezen.

2.De feiten

2.1.
In november 2022 heeft [de gedaagde] de woning van [de eiser] bezocht, waar ook de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) aanwezig was. Partijen hebben gesproken over ICT-ondersteuning die [de gedaagde] aan [de eiser] zou kunnen bieden en welke maandbedragen hij daarvoor in rekening zou brengen. [de eiser] heeft vervolgens op een elektronisch scherm iets getekend en heeft ook zijn bankrekeningnummer aan [de gedaagde] gegeven.
2.2.
Vanaf december 2022 heeft [de gedaagde] via een automatische incasso een maandbedrag van € 137,50 van [de eiser] geïncasseerd.
2.3.
Op of rond 15 december 2022 heeft [de gedaagde] een laptop, een printer en toner aan [de eiser] geleverd. Het hiervoor gefactureerde bedrag van € 932,50 is door middel van automatische afschrijving voldaan. Op 21 februari 2023 heeft [de gedaagde] de internetverbinding van [de eiser] volledig operationeel gemaakt.
2.4.
Op 25 januari 2023 heeft [betrokkene] [de gedaagde] per mail verzocht om hem de contractuele verbintenissen en de looptijd in te laten zien.
2.5.
Het maandelijkse bedrag is in maart 2023 verhoogd naar € 167,50 in verband met het toevoegen van 1x 4G. In april 2023 is een verhoging naar € 171,50 gevolgd.
2.6.
In mei 2023 is [de eiser] van [plaatsnaam] naar [woonplaats] verhuisd. [de gedaagde] heeft het systeem van het internet en de TV in de nieuwe woning van [de eiser] rond augustus/ september 2023 in functie gesteld.
2.7.
Het maandelijkse bedrag is in september 2023 nogmaals verhoogd, namelijk naar € 183,50.
2.8.
Op 1 juli 2024 heeft [de eiser] [de gedaagde] een aangetekende brief gestuurd waarin hij mededeelt dat hij de samenwerking stopt per 1 december 2024. Vervolgens heeft [de eiser] [de gedaagde] op 26 juli 2024 nogmaals een aangetekende brief gestuurd, met gelijke strekking.
2.9.
Medio augustus/september 2024 heeft JG-Solutions in opdracht van [de eiser] een onderzoek uitgevoerd op de laptop van [de eiser] . JG-Solutions constateert dat er bepaalde software op de laptop is geïnstalleerd en deze software is door JG-Solutions verwijderd. Voor de uitgevoerde werkzaamheden heeft JG-Solutions aan [de eiser] € 1.440,99 en € 340,32, in totaal € 1.781,31, gefactureerd.
2.10.
Op 4 september 2024 heeft [de eiser] [de gedaagde] een aangetekende brief gestuurd waarin hij de samenwerking tussen partijen per direct opzegt. [de eiser] heeft de maandbedragen die in de maanden daarna werden geïncasseerd, gestorneerd.
2.11.
[de gedaagde] heeft [de eiser] op 22 november 2024 per mail verzocht om de modem, tv-box, simkaart en SIP-ontvanger aan hem te retourneren.
2.12.
Op 29 januari 2025 heeft [de eiser] [de gedaagde] een brief gezonden waarin hij de overeenkomst vernietigt en sommeert tot terugbetaling van een bedrag van € 8.355,80.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij uitvoerbaarheid bij voorraad te verklaren vonnis:
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 7.595,80 (bestaande uit betaalde maandbedragen, kosten voor geleverd apparatuur en onderzoekskosten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 februari 2025,
[de gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 754,75,
[de gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald.
3.2.
[de eiser] legt aan zijn vorderingen primair ten grondslag dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen en evenmin een doorlopende machtiging, omdat een rechtsgeldige handtekening ontbreekt. [de eiser] stelt dat hij slechts een krabbel heeft gezet en dat dit niet geldt als digitale handtekening met dezelfde bewijskracht als een handgeschreven handtekening. Subsidiair legt [de eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens schending van de informatieverplichtingen en wegens oneerlijke handelspraktijken. Doordat [de gedaagde] essentiële informatie over de overeenkomst heeft weggelaten, heeft [de eiser] niet de gelegenheid gekregen om een voldoende afgewogen besluit te nemen over het verstrekken van de opdracht, aldus [de eiser] . [de eiser] stelt dat de overeenkomst in zijn geheel vernietigd moet worden omdat de sanctie op het handelen van [de gedaagde] doeltreffend, evenredig en afschrikkend moet zijn. Nu hij de overeenkomst heeft vernietigd, hebben de maandbedragen van in totaal € 5.814,49 te gelden als onverschuldigd betaald. Ook heeft [de eiser] schade geleden doordat hij onderzoek heeft moeten laten verrichten naar de toegang van [de gedaagde] tot zijn computer. Uit dit onderzoek is gebleken dat op de laptop spyware stond waardoor [de gedaagde] altijd volledige toegang had tot alle files van [de eiser] . De kosten voor het onderzoek en de verwijdering van deze spyware van € 1.781,31 zal [de gedaagde] volgens [de eiser] moeten vergoeden.
3.3.
[de gedaagde] voert aan dat er tussen partijen wel een overeenkomst tot stand is gekomen. De elektronische handtekening heeft hetzelfde rechtgevolg als een schriftelijke handtekening omdat de handtekening die is gezet door [de eiser] voldoende betrouwbaar is. Ook heeft [de eiser] [de gedaagde] gedurende lange tijd uitvoering laten geven aan de overeenkomst. Verder voert [de gedaagde] aan dat duidelijk was dat betaling plaats zou vinden via automatische incasso en dat hij [de eiser] ook heeft gewezen op het gebruik van software waarmee op afstand ICT-hulp kan worden geboden. Verder moet bij schendingen van de (pre)contractuele informatieverplichtingen de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten gehanteerd worden. Op basis van deze richtlijn kan slechts vermindering met een bepaald percentage op de koopprijs worden toegepast. Voor volledige restitutie van al hetgeen door [de eiser] is betaald, is dan ook volgens [de gedaagde] geen plaats. Een situatie waarin het volledige bedrag moet worden gerestitueerd, is volgens hem in strijd met de redelijkheid en billijkheid, gelet op het verstreken tijdsverloop, de informele wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en het feit dat hij een beginnende, jonge ondernemer is. Tot slot voert [de gedaagde] nog aan dat rekening gehouden moet worden met de werkzaamheden die hij voor [de eiser] heeft verricht, die ook een bepaalde waarde hebben.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Overeenkomst buiten de verkoopruimte
4.1.
Primair stelt [de eiser] zich op het standpunt dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen. Hij wijst erop dat hij weliswaar een krabbel heeft gezet, maar dat dit niet kan gelden als digitale handtekening, Nu [de gedaagde] deze krabbel heeft gebruikt voor ondertekening van de overeenkomst is geen geldige overeenkomst tot stand gekomen. [de gedaagde] voert hiertegen aan dat er wel een overeenkomst tot stand is gekomen, dat de handtekening betrouwbaar is en dat er gedurende 21 maanden uitvoering is gegeven aan de overeenkomst.
4.2.
Voor totstandkoming van een overeenkomst is vereist dat er een aanbod wordt gedaan dat door de andere partij wordt aanvaard. Een overeenkomst is verder in beginsel vormvrij, wat betekent dat een overeenkomst ook mondeling kan worden gesloten. Uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandeling blijkt dat [de eiser] gebruik wilde maken van de ICT-diensten van [de gedaagde] . Ook staat vast dat er een maandbedrag van € 137,50 is afgesproken en dat [de eiser] na het gesprek tussen partijen in een vak op de laptop “een krabbel heeft gezet”. De kantonrechter is van oordeel dat [de eiser] aldus het aanbod van [de gedaagde] (het verlenen van ICT-hulp voor een maandbedrag van € 137,50) heeft aanvaard. Dat [de eiser] deze overeenkomst heeft willen aangaan blijkt verder ook uit de langdurige uitvoering van de overeenkomst. [de eiser] heeft gedurende 21 maanden het maandbedrag aan [de gedaagde] voldaan en zelfs op een later moment nog extra diensten van [de gedaagde] afgenomen. De kantonrechter oordeelt daarom dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en zal voorbijgaan aan de discussie over de betrouwbaarheid van de “krabbel” van [de eiser] , nu dit geen vereiste is voor de totstandkoming van een overeenkomst.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het aanbod van [de gedaagde] en het aanvaarden daarvan door [de eiser] , zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4.2 omschreven, hebben plaatsgevonden in de woning van [de eiser] , waar [de gedaagde] naartoe was gekomen. De tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert daarmee als een overeenkomst die is gesloten buiten de verkoopruimte.
Gedeeltelijke vernietiging overeenkomst
Informatieverplichtingen
4.4.
De vordering van [de eiser] is gebaseerd op een overeenkomst tussen handelaar ( [de gedaagde] ) en consument ( [de eiser] ). Bij het sluiten van een dergelijke overeenkomst moet ter bescherming van de consument worden voldaan aan de wettelijke (pre)contractuele informatieverplichtingen. Artikel 6:230m lid 1 BW bepaalt dat de handelaar, voordat de overeenkomst tot stand is gekomen, de consument op duidelijke en begrijpelijke wijze bepaalde informatie moet verstrekken. In hetzelfde artikel staat opgesomd welke informatie dit betreft. Artikel 6:230t lid 1 BW bepaalt vervolgens dat de handelaar de informatie die is genoemd in artikel 6:230m lid 1 BW, op duidelijke en begrijpelijke wijze en in leesbare vorm op papier, of - indien de consument hier mee instemt - op een andere gegevensdrager aan de consument moet verstrekken. Het doel van artikel 6:230m lid 1 BW is om de consument de mogelijkheid te geven een weloverwogen besluit te nemen over zijn aankoop.
4.5.
[de eiser] voert aan dat [de gedaagde] geen duidelijkheid heeft gegeven over de voornaamste kenmerken van de diensten, hoe daarvoor betaald zou moeten gaan worden, dat er een ontbindingsrecht bestond en welke voorwaarden daarvoor golden en wat de looptijd en opzegmogelijkheden waren. [de gedaagde] betwist dat hij [de eiser] onvoldoende informatie heeft gegeven.
4.6.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat tussen partijen is gesproken over de inhoud van de ICT-diensten en de hoogte van het maandbedrag. Echter, de ingangsdatum en de looptijd van de overeenkomst zijn door [de gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet duidelijk gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] aldus niet alle van toepassing zijnde informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op duidelijke en begrijpelijke wijze aan [de eiser] verstrekt, zodat hij in dat opzicht niet op juiste wijze heeft voldaan aan zijn precontractuele informatieverplichtingen.
4.7.
Wat betreft die informatieverplichtingen heeft [de gedaagde] zich erop beroepen dat de looptijd duidelijk in de overeenkomst stond vermeld. [de eiser] heeft echter aangevoerd dat de overeenkomst voor het eerst in januari 2023 aan hem is verstrekt en dat toen pas duidelijk werd dat de overeenkomst een looptijd heeft van 24 maanden. Ter onderbouwing hiervan heeft [de eiser] mailverkeer overgelegd waarin hij [de gedaagde] verzoekt om toezending van de overeenkomst. [de gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij de overeenkomst op een eerder moment per mail aan [de eiser] heeft verstrekt, maar heeft hiervan geen stukken overgelegd. Deze betwisting is daarom onvoldoende gemotiveerd.
4.8.
Verder stelt de kantonrechter vast dat, zoals [de eiser] ook heeft aangevoerd, [de gedaagde] tijdens het gesprek in de woning van [de eiser] niet heeft gewezen op de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst. [de gedaagde] betwist dit niet maar beroept zich erop dat dergelijke informatie is opgenomen in zijn algemene voorwaarden. Een verwijzing achteraf naar informatie in de algemene voorwaarden is echter, gelet op het hiervoor besproken doel van het artikel 6:230m lid 1 BW, niet voldoende. Daar komt nog bij dat [de eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij de algemene voorwaarden heeft ontvangen, zodat het nog maar de vraag is of de algemene voorwaarden van [de gedaagde] van toepassing zijn.
4.9.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [de gedaagde] niet (volledig) aan de verplichtingen van artikelen 6:230m lid 1 heeft voldaan.
4.10.
Artikel 6:230t lid 1 BW bepaalt dat de handelaar alle verlangde precontractuele informatie van artikel 6:230m lid 1 BW op papier aan de consument verstrekt, of - indien de consument daarmee instemt - op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager kan een brief zijn, een e-mailbericht, een pdf-bestand of zelfs een factuur, op voorwaarde dat daarin alle informatie is opgenomen. Zoals vastgesteld onder rechtsoverweging 4.7. heeft [de gedaagde] pas eind januari 2023 een kopie van de overeenkomst aan [de eiser] verstrekt en heeft [de eiser] niet eerder van de overeenkomst kennis kunnen nemen. Voorts stelt de kantonrechter vast dat deze overeenkomst niet alle verlangde contractuele informatie zoals omgeschreven in artikel 6:230m lid 1 BW bevat. De kantonrechter is daarmee van oordeel dat [de gedaagde] ook niet heeft voldaan aan de contractuele informatieverplichting van artikel 6:230t lid 1 BW.
4.11.
[de eiser] stelt verder nog dat ook onduidelijk was hoe betaald moest worden voor de diensten en wat de opzegmogelijkheden van de overeenkomst waren. De kantonrechter is echter van oordeel dat er op deze onderdelen geen schending van artikel 6:230m lid 1 BW aan de orde is. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat tijdens het bezoek van [de gedaagde] aan de woning van [de eiser] , [de eiser] aan [de gedaagde] zowel zijn bankpasje heeft getoond alsook zijn IBAN-nummer heeft verstrekt. In het licht van het gesprek dat partijen voerden over de ICT-diensten en het daarbij behorende maandbedrag, is volgens de kantonrechter voldoende duidelijk geweest dat er sprake was van betaling door middel van een automatische incasso. Immers, mocht er een andere wijze van betaling van toepassing zijn, dan was het niet nodig geweest dat [de eiser] zijn bankgegevens en/of pasje aan [de gedaagde] zou verstrekken. [de gedaagde] heeft dus in dat opzicht de precontractuele informatieverplichting van artikel 6:230m lid 1 sub g BW niet geschonden. Voor wat betreft de opzegmogelijkheden is van belang dat [de gedaagde] alleen verplicht is om informatie over de opzeggingsvoorwaarden te verstrekken als stilzwijgende verlenging is overeengekomen. Nu niet gesteld of gebleken is dat partijen dit zijn overeengekomen, is de kantonrechter van oordeel dat [de gedaagde] de precontractuele informatieverplichting van artikel 6:230m lid 1 sub o BW niet heeft geschonden.
4.12.
De conclusie is dat [de gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter niet heeft voldaan aan de op hem rustende informatieverplichtingen zoals genoemd in artikel 6:230m lid 1 sub a en h BW en in artikel 6:230t lid 1 BW. Dit levert dus in totaal drie schendingen van (essentiële) (pre)contractuele informatieverplichtingen op.
Oneerlijke handelspraktijk
4.13.
Een misleidende omissie is iedere handelspraktijk waarbij essentiële informatie wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193d lid 2 BW). In het voorgaande is geoordeeld dat [de gedaagde] niet aan bepaalde essentiële informatieplichten heeft voldaan. Daarmee staat vast dat sprake is van een misleidende omissie.
Toepasselijke sanctie
4.14.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1677) moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
4.15.
De schending van de informatieplicht ten aanzien van het ontbindingsrecht (artikel 6:230m lid 1 sub h BW) heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de daagde partij zijn verstrekt, doch met ten hoogste twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Nu deze termijn al is verstreken en niet gesteld of gebleken is dat [de eiser] de overeenkomst heeft willen herroepen, zal de kantonrechter aan deze schending alleen de in rechtsoverweging 4.20 te noemen sanctie verbinden.
4.16.
Zoals hiervoor geoordeeld heeft [de gedaagde] drie (essentiële) precontractuele informatieverplichtingen geschonden. Met het oog op voornoemde jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 20%. De kantonrechter sluit hierbij aan bij de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten. Daarbij wordt (mede) toepassing gegeven aan de artikelen 3:40 lid 2 en 3:41 BW, en aan artikel 6:193d BW omdat de schending van de informatieplichten ook een oneerlijke handelspraktijk is. Anders dan [de eiser] betoogt, acht de kantonrechter een volledige vernietiging van de overeenkomst in deze situatie niet evenredig. Voor de drie schendingen die zijn vastgesteld, zou volledige vernietiging buiten proportie zijn en ook sterk afwijken van de Richtlijn Sanctiemodel informatieplichten. Wat dit concreet betekent voor de terugbetalingsverplichting van [de gedaagde] wordt nader uitgewerkt in rechtsoverweging 4.21.
Verhoging maandbedrag
4.17.
In eerste instantie is de overeenkomst tussen partijen aangegaan voor een bedrag van € 137,50 per maand. Op een drietal momenten tijdens de looptijd van de overeenkomst heeft [de gedaagde] een verhoging van dit maandbedrag doorgevoerd, waarvan [de eiser] stelt dat deze verhogingen onterecht zijn. Tijdens de mondelinge behandeling zijn alle drie de verhoogmomenten uitvoerig met partijen besproken.
4.18.
Voor wat betreft de eerste verhoging, vanaf maart 2023, voert [de gedaagde] aan dat dit gaat om een verhoging van € 30,00 per maand in verband met een extra 4G kaart voor de tablet in de camper van [de eiser] , waardoor deze ook internet in zijn camper heeft. [de eiser] heeft erkend dat hij internet wilde in zijn camper en dat hij dit bij [de gedaagde] heeft aangevraagd. Wel beroept [de eiser] zich erop dat [de gedaagde] de verhoging van het maandbedrag niet met hem heeft gecommuniceerd. Overwogen wordt dat tussen partijen dus vaststaat dat [de eiser] een extra dienst heeft aangevraagd. Ook heeft [de gedaagde] bij de afschrijvingen vanaf maart 2023 duidelijk de tekst
“1x 4G”toegevoegd aan de reeks andere diensten. In deze omstandigheden geldt dat nu [de gedaagde] de exacte hoogte van de verhoging van het maandbedrag niet vooraf aan [de eiser] heeft gecommuniceerd, [de eiser] een redelijke prijs verschuldigd is. Het bedrag van € 30,00 voor het faciliteren van internet in de camper van [de eiser] , komt de kantonrechter niet onredelijk voor, zodat de eerste verhoging in rechte stand zal houden.
4.19.
In april 2023 is het maandbedrag voor een tweede keer verhoogd, en wel met € 4,00, en in september 2023 is het maandbedrag verhoogd met € 12,00. Volgens [de gedaagde] houdt de tweede verhoging verband met de Cloud-opslag en de derde verhoging met een tweede TV-box. [de eiser] betwist nadrukkelijk dat hij heeft verzocht om deze extra diensten en dat hij deze diensten geleverd heeft gekregen. De kantonrechter oordeelt dat [de gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat een extra dienst is aangevraagd en geleverd. Ook heeft [de gedaagde] op de afschrijvingen geen extra dienst toegevoegd, zoals hij wel expliciet heeft gedaan bij de eerste verhoging van het maandbedrag. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de tweede en de derde verhoging onterecht zijn en dat [de eiser] geen betaling van deze verhogingen verschuldigd is.
4.20.
Dit betekent dat [de eiser] aan [de gedaagde] voor de periode van december 2022 tot en met februari 2023 in totaal een bedrag van € 412,50 (3 x € 137,50) en voor de periode van maart 2023 tot en met augustus 2024 een bedrag van € 3.015,00 (18 x € 167,50) verschuldigd is. Dit levert een totaalbedrag op van € 3.427,50. Uit het overzicht in productie 3 van de dagvaarding van door [de eiser] aan [de gedaagde] gedane betalingen blijkt, dat er in totaal een bedrag van € 3.639,50 aan maandbedragen is betaald. Omdat [de eiser] meer aan [de gedaagde] heeft betaald dan hij verschuldigd was, veroordeelt de kantonrechter [de gedaagde] tot terugbetaling van het teveel betaalde, een bedrag van € 212,00 (€ 3.639,50 – € 3.427,50).
Terugbetaling overig
4.21.
[de eiser] vordert terugbetaling van al hetgeen hij in het kader van de overeenkomst aan [de gedaagde] heeft betaald, te weten een bedrag van € 5.814,49 bestaande uit betaalde maandbedragen en kosten voor geleverde apparatuur. Zoals hiervoor geoordeeld heeft [de eiser] recht op terugbetaling van de onterechte verhogingen van de maandbedragen ter grootte van een bedrag van € 212,00, waardoor resteert een te betalen bedrag van € 5.602,49. Voor toewijzing van de vordering tot terugbetaling van de kosten voor geleverde goederen, ziet de kantonrechter geen grond. Niet in geschil is dat [de eiser] de betreffende goederen heeft ontvangen en behouden en dat [de gedaagde] hierbij heeft voldaan aan zijn contractuele verplichtingen. De hoofdsom wordt op grond van wat hiervoor onder 4.16 is geoordeeld, met 20% verminderd, wat betekent dat [de eiser] een bedrag van € 1.120,50 (€ 5.602,49 x 0,20) onverschuldigd heeft betaald. De kantonrechter veroordeelt [de gedaagde] dus voor het overige tot terugbetaling van € 1.120,50.
Onderzoek JG Solutions
4.22.
Volgens [de eiser] heeft [de gedaagde] zonder toestemming spyware op de laptop van [de eiser] geïnstalleerd waardoor op afstand, te allen tijde, inzage mogelijk was in alle files. [de eiser] stelt dat dit onrechtmatig is en heeft JG Solutions opdracht gegeven deze spyware van de laptop te verwijderen. [de eiser] vordert terugbetaling van de kosten van het onderzoek en de kosten voor het verwijderen van deze spyware door JG Solutions, een bedrage van € 1.781,31. [de gedaagde] voert aan dat er toestemming is gegeven voor ICT-hulp op afstand en dat de software die op de laptop is geïnstalleerd gangbaar is om hiervoor te gebruiken.
4.23.
Op 3 september 2024 heeft JG Solutions een onderzoek uitgevoerd naar de op de computer van [de eiser] geïnstalleerde programma’s. JG Solutions concludeert dat de softwareprogramma’s ‘Altera’ en ‘Anydesk’ op de laptop zijn geïnstalleerd, waardoor het voor [de gedaagde] mogelijk was om direct verbinding met de laptop te maken zonder dat hier enige toestemming voor gegeven behoefde te worden. Volgens JG Solutions is het niet gebruikelijk om deze software bij consumenten te installeren. Indien er, zoals [de gedaagde] aanvoert, toestemming is gegeven voor hulp op afstand, strekt deze toestemming naar het oordeel van de kantonrechter niet zover dat er te allen tijde toegang kan zijn tot de laptop, inclusief alle files, van [de eiser] . De kantonrechter oordeelt dan ook dat [de gedaagde] onrechtmatig deze software op de laptop van [de eiser] heeft geïnstalleerd en dat [de gedaagde] de kosten gemoeid met het onderzoek daarnaar en het verwijderen van de software, moet vergoeden. De hoogte van het totale factuurbedrag van JG Solutions van € 1.781,31 komt de kantonrechter niet onredelijk voor gelet op de aard en omvang van de uitgevoerde werkzaamheden. De kantonrechter veroordeelt [de gedaagde] dan ook tot betaling van het schadebedrag van € 1.781,31.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.24.
[de eiser] vordert betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 754,75. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 403,25.
Wettelijke rente
4.25.
[de eiser] vordert betaling van wettelijke rente over zijn vorderingen vanaf 13 februari 2025. De kantonrechter zal deze vordering als onweersproken toewijzen.
De proceskosten
4.26.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.27.
De veroordelingen in dit vonnis worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] terug te betalen het bedrag van de onterechte verhogingen van in totaal € 212,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] om in verband met schending van zijn informatieverplichtingen aan [de eiser] te betalen een bedrag van € 1.120,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen een schadevergoeding van € 1.781,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 februari 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [de eiser] te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 403,25,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
68348 66349