Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de Dienst Toeslagen op haar aanvraag voor aanvullende schadevergoeding bij de Commissie Werkelijke Schade in het kader van de herstelregeling kinderopvangtoeslag. De aanvraag werd op 12 november 2024 ontvangen, waarna de dienst de beslistermijn eenmaal verlengde tot 12 november 2025. Na het verstrijken van deze termijn stelde eiseres de dienst op 6 januari 2026 in gebreke.
De rechtbank ontving het beroepschrift op 18 mei 2026 en constateert dat de dienst ook na de ingebrekestelling niet heeft beslist. De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juni 2026, waarin is bepaald dat in dergelijke zaken een beslistermijn van twee weken na verzending van de uitspraak geldt. De rechtbank legt deze termijn op en stelt de dwangsom op nihil, conform de lijn van de Afdeling.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt de dienst op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt de dienst veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot afwijking van deze beslistermijn of dwangsom.