Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4718

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
348983-25 en 070023-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen bedreiging met knalpatronen en toekenning smartengeld

Op 22 november 2025 bedreigde verdachte samen met anderen het slachtoffer door meerdere knalpatronen op diens woning af te vuren en dit te filmen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte medepleger was van deze ernstige bedreiging, ondanks dat het slachtoffer en zijn kinderen niet thuis waren.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en diens omgeving, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een strafblad en problematiek zoals ADHD en middelenafhankelijkheid. De opgelegde straf bestaat uit 138 dagen gevangenisstraf (waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar), een taakstraf van 180 uur en een contactverbod.

De civiele vordering van het slachtoffer tot smartengeld werd deels toegewezen. De rechtbank kende €750 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank wees de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af wegens procedurele tekortkomingen.

De straf en maatregelen zijn bedoeld om de ernst van het feit te onderstrepen en de verdachte te stimuleren zijn positieve levenslijn voort te zetten, terwijl het slachtoffer een vergoeding ontvangt voor de immateriële schade.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 138 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, een taakstraf van 180 uur, een contactverbod en toekenning van €750 smartengeld aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer: 05-348983-25 en 05-070023-23 (tul)
Datum uitspraak : 12 juni 2026
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats],
wonende aan [adres],
[postcode], in [woonplaats].
Raadsman: mr. M.W.J. Rosendaal, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot aanpassing omschrijving feiten in de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op 22 november 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door
- meerdere knalpatronen op, althans in de richting van, het huis van die [slachtoffer] te schieten, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen.

2.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 22 november 2025 te [plaats], tezamen en in vereniging met
een of meeranderen,
althans alleen,[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,
en/of met zware mishandeling,door
- meerdere knalpatronen op
, althans in de richting van,het huis van die [slachtoffer] te schieten
, en/of
- deze beschieting op video vast te leggen.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

3.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, een proeftijd van drie jaar en een taakstraf van 180 uur. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een contactverbod ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd ten hoogte van de duur van het voorarrest en dat er geen taakstraf wordt opgelegd. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte inmiddels een veel stabieler leven leidt. Op 19 mei 2026 is hij voor de tweede keer vader geworden, hij heeft een fulltime baan en hij is bezig met de aanpak van zijn schuldenproblematiek. Een nieuwe detentie zou dit alles doorkruizen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de taakstraf sterk gematigd moet worden.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige bedreiging. Hij is samen met een medeverdachte naar het huis van het slachtoffer gereden, waar hij heeft gefilmd hoe deze medeverdachte meerdere knalpatronen op de woning van het slachtoffer afvuurde. Dit was hem gevraagd door een derde medeverdachte en hij zou hier 500 euro voor krijgen. Dit is een indringende en intimiderende bedreiging en het enkele feit dat het slachtoffer en zijn kinderen niet thuis waren op het moment van de beschieting, doet niets af aan het bedreigende karakter daarvan. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht bij het slachtoffer en zijn kinderen, maar ook in de straat van het slachtoffer heeft hij voor onrust gezorgd. Meerdere buren hebben de schoten gehoord. Uit de onderbouwing bij het verzoek tot schadevergoeding wordt duidelijk welke impact dit feit heeft gehad op het leven van het slachtoffer. Hij is voortdurend op zijn hoede en zijn kinderen verblijven sindsdien uitsluitend bij hun moeder. Dit alles is te wijten aan verdachte en zijn mededaders. Dat geschoten is met (“slechts”) knalpatronen doet aan dit alles niet af. Toen het slachtoffer op de hoogte raakte van de bedreiging was dit namelijk onbekend.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in het verleden regelmatig is veroordeeld wegens het plegen van misdrijven, waaronder een bedreiging die hij heeft gepleegd op 9 juni 2023. Verdachte liep bovendien in een proeftijd ten tijde van het bewezenverklaarde. Dit alles heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De reclassering schrijft in haar advies van 26 maart 2026 dat verdachte kampt met een complexe interactie tussen vroege hechtingsproblematiek en ontwikkelingsonveiligheid, ADHD-kenmerken, persoonlijkheidstrekken met impulsiviteit en affectregulatieproblemen, en ernstige middelenafhankelijkheid. Daarnaast is geen sprake van beschermende factoren. Ten tijde van het plegen van het strafbare feit was er sprake van een lopend toezicht, wat niet goed verliep. Verdachte hield zich niet aan de bijzondere voorwaarden en er was geen sprake van huisvesting en dagbesteding. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte klinisch wordt opgenomen vanwege zijn middelengebruik, maar geeft aan dat verdachte hier niet aan mee wil werken. Zij zien daarom geen mogelijkheden om het recidiverisico bij verdachte terug te dringen. De reclassering adviseert om aan verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen en de rechtbank neemt dit advies over.
De rechtbank houdt verder rekening met de door de raadsman aangevoerde beschermende factoren, waaruit zou kunnen blijken dat er recentelijk een (voorzichtig) positieve lijn is ingezet door verdachte.
Gelet op de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte acht de rechtbank de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaar, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen opleggen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Dit leidt ertoe dat verdachte niet terug naar de gevangenis hoeft en dat de door hem ingezette positieve lijn niet zal worden doorbroken. Tegelijkertijd is er in de vorm van een fors voorwaardelijk strafdeel dan een stevige stok achter de deur die ervoor moet zorgen dat verdachte op het goede pad blijft. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een taakstraf opleggen van 180 uur en een contactverbod ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer].

7.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.000,- aan smartengeld, met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat deze niet voldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er niet meer dan € 600,- aan smartengeld moet worden toegekend.
Overweging van de rechtbank
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit.
Gelet op de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan, is sprake van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze. De benadeelde partij is met een misdrijf tegen het leven gericht bedreigd doordat zijn woning is beschoten door een van de verdachten, in samenwerking met twee medeverdachten. Er is direct op de woning geschoten met een vuurwapen. Deze normschending is van zodanige aard en ernst, dat de voor toekenning van smartengeld relevante nadelige gevolgen van die normschending voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Het gaat hier namelijk om een zeer ernstige, direct op de bewoners van de woning gerichte bedreiging.
De verdachte is door zijn bijdrage aan de beschieting naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de immateriële schade die de benadeelde partij daardoor heeft geleden. Dit betekent dat een vergoeding van immateriële schade op zijn plaats is.
De rechtbank heeft onder meer gekeken naar de Rotterdamse Schaal en naar bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend en acht om die reden een bedrag van € 750,- billijk. Deze is zonder nader onderzoek of onderbouwing toewijsbaar. De vordering tot immateriële schadevergoeding zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade op die datum is ontstaan.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (05-070023-23)

De politierechter heeft verdachte op 29 oktober 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 19 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht en een proeftijd van 3 jaren.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van mening dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard vanwege het ontbreken van de handtekening op de vordering na voorwaardelijke veroordeling van 19 februari 2026.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van
138 dagen;
 bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten
90 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarde dat:
contactverbod
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 1978;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op een
taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;
 verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 29 oktober 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 19 dagen (parketnummer 05-070023-23);
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 750,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 750,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen maximaal 7 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte(n) (een deel van) het schadebedrag betaalt/betalen dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A.P. Sno en mr. A. Bril, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.N. Witteveen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
mr. A. Bril is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.