Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4702

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
05.072711.25, 05.176626.24, 05.188547.25, 05.188532.25, 05.008772.26, 05.031156.26, 05.045075.26, 05.094717.26 (gev.ttz.) en 18.265267.21 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 43a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor twaalf diefstallen en pogingen met gevangenisstraf en schadevergoeding

De rechtbank Gelderland heeft verdachte veroordeeld voor twaalf diefstallen, waaronder pogingen en gekwalificeerde diefstallen, gepleegd tussen november 2023 en februari 2026 in de gemeente Lochem en omgeving. De feiten betroffen onder meer insluipingen in woningen, inbraken in schuren, diefstal van een elektrische fiets en diverse goederen zoals portemonnees, sieraden en een kampeertent.

Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, camerabeelden, aangiften, verklaringen van verdachte en politieonderzoek. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan de ten laste gelegde feiten, waarbij onder meer valse sleutels en braakmethoden werden gebruikt. Verdachte werd herkend op videobeelden en door meerdere verbalisanten.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers, de recidive van verdachte en zijn verslavingsproblematiek. De strafmaat werd vastgesteld op 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en nazorg. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf bevolen.

Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden voor materiële schade, met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Vorderingen tot immateriële schade werden grotendeels niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank legde ook bijzondere voorwaarden op voor behandeling en begeleiding tijdens de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met toewijzing van schadevergoedingen en oplegging van bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.072711.25, 05.176626.24, 05.188547.25, 05.188532.25, 05.008772.26, 05.031156.26, 05.045075.26, 05.094717.26 (gevoegd ter terechtzitting) en 18.265267.21 (tul)
Datum uitspraak : 12 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [verblijfplaats 1] .
Raadsman: mr. U. Ural, advocaat in Enschede.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 05.072711.25
1.
hij op of omstreeks 8 maart 2025 te [plaats] , gemeente Lochem in/uit een woning, gelegen op/aan [adres] ( [huisnummer] ) een rijbewijs (o.n.v. [benadeelde 1] ) en/of een museumjaarkaart (o.n.v. [benadeelde 1] ) en/of vier ABN-AMRO bankpassen (o.n.v. [benadeelde 1] ) en/of een kentekenbewijs (v.v. kenteken [kenteken] o.n.v. [benadeelde 1] ) en/of OV-pas (o.n.v. [benadeelde 1] ), in elk geval enig(e) goed(eren), die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming en/of insluiping;
2.
hij op of omstreeks 17 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, aan [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een (rode) tas,
- een of meerdere portemonnees (met inhoud),
- een sleutelkastje met een of meerdere sleutels,
- een spaarpot,
- een of meerdere sieraden en/of
- een of meerdere usb-sticks,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, insluiping en/of een valse sleutel;

Parketnummer 05.176626.24

hij op of omstreeks 25 november 2023 te [plaats] een portemonnee met inhoud, waaronder:
- een contant geldbedrag van 65 euro, althans enig geldbedrag en/of
- drie, althans een of meerdere, bankpassen en/of
- een creditcard en/of
- een of meerdere klantenpassen en/of
- een museumjaarkaart,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.188547.25
1.
hij op of omstreeks 1 maart 2025 te [plaats] in/uit een woning, gelegen op/aan [adres] ( [huisnummer] ) een zilveren bekertje en/of 3 zilveren lepeltjes en/of 20,- euro, in elk geval enig goed en/of geld, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen en/of dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2.
hij op of omstreeks 11 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Lochem in/uit een woning, gelegen op/aan [adres] ( [huisnummer] ) twee ringen, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [benadeelde 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een sleutelkastje (bevestigd nabij de voordeur) te verbreken en/of (vervolgens) met de verkregen huissleutel voornoemde woning te betreden;
Parketnummer 05.188532.25
hij op of omstreeks 1 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een schuur, behorende bij en/of staande in een tuin van een woning, gelegen aan de [adres] , één of meer goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van insluiping en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 05.008772.26
hij op of omstreeks 11 december 2025 te [plaats] , gemeente Lochem een elektrische fiets (Frappe type 201), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.031156.26
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te [plaats] (in/uit een schuur) een blikje bier, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 8] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.045075.26
1.
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres] te [plaats] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een of meerdere geldbedragen,
- een of meerdere sieraden,
- een mobiele telefoon en/of
- een of meerdere tassen met statiegeldblikken,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 9] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of dat/die weg te nemen gelbedragen, sieraden, telefoon en/of tassen met statiegeldblikken onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
2.
hij op of omstreeks 6 februari 2026 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres] in [plaats] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kampeertent, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 10] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen kampeertent onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Parketnummer 05.094717.26
1.
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een of meerdere sleutels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 11] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van insluiping;
2.
hij op of omstreeks 20 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op een besloten erf waarop een woning stond en/of uit een schuur aan de [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 11] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel met dat opzet
- het (besloten) erf van die [benadeelde 11] heeft betreden en/of (vervolgens)
- de schuurdeur met de sleutel heeft geopend en/of de schuur heeft betreden en/of
- in die schuur zoekend heeft rondgekeken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Parketnummer 05.072711.25 [1]
Feit 1: 8 maart 2025
insluiping woning [adres] in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit. Er is geen direct bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij het wegnemen van de pasjes uit de woning. Het gevolg van de pinpogingen is niet terug te vinden in het dossier en het kan ook iemand anders geweest zijn die de bankpas in het water heeft gegooid.
Beoordeling door de rechtbank
Getuige [getuige 1] liep op 8 maart 2025 omstreeks 13:15 uur vanuit de achtertuin de woning in aan de [adres] in [plaats] . Hij zag toen iets wegschieten vanuit zijn ooghoek. Bij de voordeur (die al open had gestaan) trof hij een onbekende man aan, net buiten de deur. De onbekende man excuseerde zich en vertelde dat zijn hond de woning in was gegaan en dat hij daarom even de woning in was geweest. Toen getuige binnen ging zoeken naar de hond zag hij papieren op de grond liggen. Hij kreeg het vermoeden dat de man aan het stelen was geweest. Hij ging weer naar de man toe en vertelde hem dat hij de politie ging bellen. De man draaide zich vervolgens om, rende naar zijn fiets en fietste hard weg richting de Blaak. [2]
Aangeefster [benadeelde 1] (de partner van getuige [getuige 1] ) had in de hal van de woning, op een stoel, haar tas staan. Onder deze stoel lagen de papieren op de grond. Die tas was eerst dicht, maar stond open na het bezoek van de man. Uit de tas was een rode wallet gestolen. Daarin zaten vier bankpasjes, een museumjaarkaart, een OV-pas, een rijbewijs en een kentekenbewijs (kenteken [kenteken] ), alle op naam van aangeefster [benadeelde 1] . [3]
Diezelfde dag kreeg de politie omstreeks 13:23 uur een melding om te gaan naar de [adres] . Onderweg belden zij met aangeefster [benadeelde 1] . Zij gaf het signalement van de man door en gaf aan dat hij was weggefietst in de richting van de Plus supermarkt. Toen de verbalisanten richting de Plus reden zagen zij een man op een fiets die voldeed aan het signalement. Zij herkenden hem ambtshalve als verdachte. De verbalisanten hielden verdachte staande. Verdachte verklaarde dat hij in de supermarkt was geweest.
Verbalisant [verbalisant 1] liep de route af vanwaar zij verdachte aan hadden zien komen fietsen. Hij liep over een klein bruggetje heen. Beneden in het water zag hij een pasje liggen. Dit bleek een ABN Amro bankpas op naam van [benadeelde 1] te zijn. Tussen het moment dat verdachte deze brug passeerde en de staande houding was niemand anders over die brug gekomen. [4]
Door de politie zijn de camerabeelden van de Plus supermarkt uitgekeken en beschreven. Te zien is dat verdachte op 8 maart 2025 rond 13:23 uur aan komt fietsen en de winkel binnen gaat. Hij houdt iets vast in zijn hand. In de winkel praat hij kort met een medewerker, loopt hij vervolgens de winkel in en blijft hij daarna 30 seconden stil om het hoekje staan. Een medewerker van de winkel bevestigt tegenover de politie dat zich daar de pinautomaat bevindt. Verdachte verlaat daarna de winkel en fietst weer weg. [5]
De politie heeft gegevens bij de ABM AMRO bank gevorderd. Daaruit blijkt dat op 8 maart 2025 op 13:27:15 uur en op 13:27:23 uur geprobeerd is om 20 euro te pinnen bij de desbetreffende pinautomaat in de Plus. Dit gebeurde met de pinpas op rekeningnummer [nummer] , dit is ook de pinpas die later werd aangetroffen in de sloot onder de brug. [6]
Verdachte verklaart dat hij op 8 maart 2025 bij de [adres] in [plaats] bij de deur heeft gestaan en dat hij vervolgens naar de Plus supermarkt is gefietst. [7]
De vraag is of verdachte binnen in de woning is geweest en de spullen uit de tas heeft meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat dit wettig en overtuigend bewezen is. Getuige [getuige 1] verklaart dat hij toen hij binnen was een man zag wegschieten en dat de man zich tegen hem verontschuldigde dat hij in de woning was. De tas waaruit de goederen verdwenen zijn zat eerst dicht maar stond na het bezoek van verdachte open. Enkele minuten na dit moment is verdachte op beelden van de Plus te zien, waaruit blijkt dat hij korte tijd bij de pinautomaat heeft gestaan. Uit de gevorderde gegevens van de bank blijkt dat rond die tijd ook twee pinpogingen met de pas van aangever zijn gedaan bij die pinautomaat. Na deze mislukte pogingen is verdachte weggefietst over een bruggetje. Onder dat bruggetje werd toen door de politie de betreffende pinpas aangetroffen. Dit alles heeft zich afgespeeld in nog geen kwartier tijd. Dit maakt, mede gelet op de korte tijd waarin deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van verdachte in die korte tijd zowel bij de woning als in de Plus supermarkt, dat de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het ten laste gelegde feit onder 1 heeft gepleegd. Voor een andere toedracht zoals verdachte die probeerde te schetsen ter zitting, heeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande geen enkele ruimte bestaan.
Feit 2: 17 februari 2026 – inbraak woning [adres] in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat er iemand anders bij het feit betrokken was. Bovendien was de tijd tussen de diefstal en het moment waarop verdachte werd gezien met de rode tas kort.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit. Er is geen bewijs dat verdachte de rode tas heeft weggenomen uit de woning. Hij heeft de tas slechts vervoerd en moest die ergens heenbrengen, in opdracht van iemand anders.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [benadeelde 2] woont op de [adres] in [plaats] en kwam op 17 februari 2026 thuis van haar werk rond 13:00 uur. Zij had de woning die ochtend rond 08:30 uur verlaten. Zij zag dat alle deuren open stonden in de woning en dat de woning overhoop was gehaald. Zij miste haar rode portemonnee. Daar zaten 1 of 2 bankpassen in en ook 150 euro. Uit een sieradendoosje waren drie gouden armbanden weg. Verder miste zij nog een blauwe lederen spaarpot met kleingeld erin, een zilveren horloge van Mondaine, een USB stick met beelden van de crematie van haar man en een USB stick van haar werk.
Aan de schuurdeur had een sleutelkastje gehangen met daarin de reservesleutel van de woning, maar het kastje was weg. [8] Toen zij in de ochtend wegging was het sleutelkastje nog niet van de schuur afgebroken. [9]
Eerder op diezelfde dag, omstreeks 12:15 uur, zagen verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (de hen ambtshalve bekende) verdachte fietsen over de Rijksstraatweg te Warnsveld. Zij zagen dat verdachte op zijn mobiel zat tijdens het fietsen en een volle rode schoudertas met grijze accenten droeg. Zij besloten verdachte staande te houden voor het rijden met een mobiel elektronisch apparaat in de hand en achtervolgden hem. Verdachte verhoogde zijn snelheid en fietste hard weg. Hij fietste de Albemarleweg in, de stoep op. Verbalisanten besloten hun voertuig voor de fiets van verdachte te zetten om hem zo tot stoppen te dwingen. Toen verbalisant de politieauto schuin over de stoep zette fietste verdachte met hoge snelheid tegen het dienstvoertuig aan. Hij gleed over de motorkap en rende weer weg, richting de Torenlaan. De agenten achtervolgden hem, maar raakten hem uit zicht toen hij de Landweg insloeg. [10]
De dag daarna lazen verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 3] in de dagrapportage dat er een rode tas met gestolen spullen was aangetroffen aan de Bonendaal in Warnsveld. [11] Die was daar aangetroffen rond 18:15 uur op 17 februari 2025. [12] De tas was weggestopt tussen een schuurtje en een heg. [verbalisant 3] bekeek de foto's van de tas met gestolen spullen en herkende die direct als de schoudertas die verdachte had gedragen de dag daarvoor. [verbalisant 4] herkende de goederen die in het rapport werden omschreven en die waren aangetroffen in de tas direct als zijnde een deel van de weggenomen goederen bij de woninginbraak. [13] In de tas waren namelijk aangetroffen: een rode portemonnee, een blauwe spaarpot met kleingeld, drie gouden armbanden, een zilveren horloge, en twee usb-sticks. [14]
Na navragen bevestigde aangeefster dat de rode tas met grijze accenten ook van haar was en ook weggenomen moest zijn. [15]
Verdachte heeft verklaard dat hij die dag de desbetreffende tas bij zich had. Onderweg kwam hij de politie tegen en toen is hij er vandoor gegaan en heeft hij de tas uiteindelijk verstopt. [16]
De rechtbank overweegt als volgt. Op 17 februari 2025 tussen 08:30 uur en 13:00 uur heeft de diefstal plaatsgevonden. Verdachte is fietsend met de rode tas gezien rond 12:15 uur. Dit was dus binnen het tijdslot waarin de diefstal heeft plaatsgevonden. Hij is door de politie aangetroffen niet heel ver van de plaats van de woninginbraak. Verdachte bekent dat hij op dat moment in bezit was van de gestolen rode tas en dat hij die daarna verstopt heeft. Later bleken daarin de gestolen spullen te zitten. Verdachte is pas ter zitting, dus op een zeer laat moment, met zijn alternatieve verklaring gekomen dat hij de tas van iemand heeft gekregen om weg te brengen. Hoewel deze verklaring niet strijdig is met de inhoud van de bewijsmiddelen, vindt de rechtbank het scenario van verdachte niet aannemelijk. De rechtbank ziet voor dit scenario geen aanknopingspunten in het dossier en kan dit dus niet verifiëren, ook al niet gelet op het zeer late moment van afleggen van deze verklaring. Bovendien wil verdachte niet benoemen door wie hij dan gebeld zou zijn om de tas weg te brengen, zodat ook dat niet geverifieerd kan worden.
De rechtbank is gelet op al het bovenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte schuldig is aan de woninginbraak die ten laste is gelegd onder feit 2. Omdat aangeefster heeft verklaard dat haar sleutelkastje met daarin de reservesleutel van haar woning weg was en er geen braaksporen aan de woning waren, concludeert de rechtbank dat verdachte door middel van die valse sleutel de woning moet zijn binnen gekomen.
Parketnummer 05.176626.24 [17]
25 november 2023 - diefstal portemonnee in [plaats]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] , p. 6-7;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Parketnummer 05.188547.25 [18]
Feit 1: 1 maart 2025 –inbraak woning [adres] in [plaats]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 4] , p. 47-48;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 73;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Feit 2: 11 oktober 2024 –inbraak woning [adres] in [plaats]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 5] , p. 8-12;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Parketnummer 05.188532.25 [19]
1 mei 2025 – poging inbraak schuur [adres] in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Verdachte is degene die in de schuur was en daar is aangetroffen door aangever.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden omdat het bewijs uitsluitend zou rusten op de verklaring van aangever. De getuigen hebben de poging tot diefstal niet direct waargenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [benadeelde 6] zat op 1 mei 2025 onder de overkapping van zijn huis aan de [adres] te [plaats] . Hij hoorde gerommel in zijn schuur. Hij ging kijken en zag in zijn schuur een onbekende man op zijn hurken zitten. Hij vroeg wat de man daar deed. De man antwoordde dat hij iets moest halen van iemand. De man moet via de achterdeur van de schuur binnen zijn gekomen. Die deur zat dicht maar niet op slot. De man wilde op zijn fiets stappen maar aangever heeft de man vastgehouden en zijn buren hebben toen de politie gebeld. [20]
De buren van aangever zijn als getuige gehoord. Getuige [getuige 2] hoorde zijn buurman hard schreeuwen. Hij zag dat de buurman een onbekend persoon vastpakte en erg boos leek. [21] Getuige [getuige 3] hoorde zijn buurman schreeuwen ‘He, wat doe jij hier?’. [getuige 3] is toen gaan kijken. Hij zag toen dat zijn buurman verdachte vasthield. [22]
De politie kreeg die dag melding van een poging tot inbraak aan de [adres] . Toen zij ter plaatse kwamen zagen zij twee mannen aan komen lopen. Dit waren aangever en een man die zij ambtshalve herkenden als verdachte. Aangever vertelde wat er gebeurd was. Zij hebben verdachte toen aangehouden. [23]
De rechtbank overweegt dat aangever duidelijk verklaart dat hij een persoon in zijn schuurtje zag en dat hij diezelfde persoon vervolgens heeft vastgehouden tot de politie kwam. Deze verklaring vindt steun in de verklaringen van de buurmannen en de rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen. Verdachtes alternatieve scenario, dat hij alleen langs fietste en iemand anders in de schuur zou zijn geweest die hij weg had zien rennen, wordt op geen enkele manier ondersteund door de inhoud van de bewijsmiddelen. Het door hem gestelde hulpgeroep is door niemand anders gehoord. Daarnaast komt deze verklaring de rechtbank ook uitermate onwaarschijnlijk voor.
Gelet op bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene was die de schuur is binnen gegaan, kennelijk met het doel om daar spullen weg te nemen en dat hij schuldig is aan de poging tot diefstal die ten laste is gelegd.
Parketnummer 05.008772.26 [24]
11 december 2025 – diefstal elektrische fiets in [plaats]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 7] , p. 5-6;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Parketnummer 05.031156.26 [25]
29 januari 2026 – diefstal blikje bier uit schuur in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat hij volgens zijn verklaring niet in de schuur is geweest. Subsidiair dient hij te worden vrijgesproken omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Verdachte dacht namelijk dat het blikje bier was afgedankt.
Beoordeling door de rechtbank
Op 29 januari 2026 was de politie bezig met een gerichte actie op verdachte. Omstreeks 13:20 uur liep verbalisant [verbalisant 5] achter verdachte aan. Zij liepen over de Emmerikseweg in [plaats] . Ter hoogte van nummer 23 bewoog verdachte abrupt naar links en verdween uit beeld. Daar bevond zich een klein steegje en [verbalisant 5] vermoedde dat verdachte daarin was gelopen. Hij liep ook het steegje in. Hij zag een paar verse voetsporen in de sneeuw en volgde die. Op het moment dat hij in het steegje naar links afboog hoorde hij een deur dichtslaan. Hij keek naar links en zag verdachte uit de richting van de laatste schuur rechts komen. Hij had een blikje in zijn handen met opvallende felle oranje en zilveren kleuren. Op het moment dat verdachte het steegje in liep had hij nog niks vast.
[verbalisant 5] liep met collega’s in de richting van het schuurtje. Zij zagen dat de deur niet op slot zat. Binnen in het schuurtje bevond zich een koelkastje met daarin speciaalbieren. Verdachte heeft het blikje later op straat gegooid. [26]
Diezelfde dag omstreeks 16:08 uur werd aangeefster [benadeelde 8] gebeld door de politie. De politie vroeg aan aangeefster of het kon zijn dat het kleurrijke blikje bier (
Blurredlinesvan Jopen) dat verdachte had weggegooid van haar was. Aangeefster herkende dit blikje als een blikje dat in de koelkast in haar schuur in haar tuin had gestaan. De deur van de schuur was niet op slot. [27]
Verdachte verklaart ter terechtzitting onder meer dat hij de steeg in ging en dat hij met een blikje speciaalbier de steeg weer uit kwam lopen. [28]
Vaststaat dat verdachte in de desbetreffende steeg is geweest en dat hij daar ergens een blikje bier heeft gepakt. De vraag is of verdachte het blikje in de steeg heeft gevonden zoals hij verklaart, of dat hij die uit de schuur van aangeefster meegenomen heeft. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zij het blikje bier herkende als een blikje dat bij haar in de koelkast in de schuur stond. Verbalisant [verbalisant 5] zag dat verdachte vanuit de richting van dat schuurtje kwam en vlak daarvoor hoorde hij een deur dichtslaan. Uit deze bewijsmiddelen, in hun onderlinge samenhang bezien, blijkt naar oordeel van de rechtbank dat verdachte het blikje uit de schuur heeft gepakt. Of het blikje over de datum was of niet is daarmee niet meer relevant en verdachte mocht er niet vanuit gaan dat het blikje afgedankt was, zoals de raadsman aanvoert, nog los van de vraag of het enkele feit dat een blikje bier over de datum is betekent dat iemand er dan afstand van doet. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank daarmee wel het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening gehad.
Daarmee concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 05.045075.26 [29]
Feit 1: 11 februari 2026 –inbraak woning [adres] in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank verdachte vrij dient te spreken als het standpunt van verdachte wordt gevolgd. Verdachte ontkent dat hij de inbraak heeft gepleegd en herkent zichzelf en/of zijn fiets niet op de beelden. Hij was de avond ervoor wel bij aangever geweest om sigaretten te kopen. Subsidiair refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [benadeelde 9] was op 11 februari 2026 omstreeks 11:30 uur vertrokken van zijn woning aan de [adres] te [plaats] voor boodschappen. Hij had de achterdeur niet op slot gedaan. Toen hij omstreeks 12:45 uur terug kwam zag hij dat het tuinhekje open stond, terwijl hij dat dicht had gedaan. Hij zag dat zijn schuurdeur was opengebroken en dat vijf grote zakken met statiegeldblikjes daar niet meer hingen. In de woning zag hij kastdeuren open staan. Zijn mobiel lag niet meer op het tafeltje. Het bruine koffertje dat normaal gesproken achter de bank stond en waarin hij 2000 euro bewaarde, lag op de bank en was leeg. Ook misten er twee zakhorloges en 300 euro aan muntgeld. [30]
Aangever heeft een camera in zijn achtertuin hangen en de beelden daarvan zijn bekeken en beschreven door de politie. Op 11 februari 2026 is te zien dat om 11:11 uur een persoon komt aanfietsen op een fiets met een opvallend wit spatbord. Deze persoon opent een hek en loopt de tuin in. Het is een blanke man met donkere bovenkleding met capuchon, een blauwe spijkerbroek, Nike Air Max 90 en een opvallende haakneus. De man loopt in de richting van de woning, en te zien is dat de deur van de woning opent en sluit. Om 11:19 uur is te zien dat de deur van de woning weer opent en sluit. Hierna is een hoop gerommel te horen. Kort hierop komt de man weer in beeld. Hij heeft dan minimaal drie grote PMD zakken met blikjes in zijn handen. Hij loopt naar de fiets en verdwijnt met fiets en zakken uit beeld. [31]
Nog diezelfde dag is onder verbalisanten een aandachtsvestiging uitgegaan. Die bevatte de bewegende beelden van de inbraak. Verbalisant [verbalisant 6] zag die en herkende onmiddellijk en voor 100% zekerheid verdachte daarin. Hij kent verdachte ambtshalve. Hij heeft meerdere dagen op verdachte een actie gedraaid vanuit de heterdaadweek. De verdachte is hem ambtshalve bekend als woninginbreker. Hij herkende verdachte aan zijn tengere postuur, bleke gelaat, ingevallen gezicht en opvallende kromme puntige neus. [32]
Ook verbalisant [verbalisant 7] zag de aandachtsvestiging. De persoon op de video's herkende hij als verdachte. Hij kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden en uit de briefing. Verdachte staat zeer vaak op de briefing in het team. Daarnaast heeft hij verdachte eens verzorgd als arrestantenverzorger. Hij herkende verdachte aan het totaalbeeld van zijn kenmerken, meer specifiek zijn gezicht, stoppelbaardje, neus, loopje en modus operandi. [33]
Diezelfde dag omstreeks 16:20 uur zag verbalisant [verbalisant 8] verdachte fietsen. Voor hem was inmiddels een aanhouding buiten heterdaad gelast door de officier van justitie. [verbalisant 8] en zijn collega hebben verdachte daarom aangehouden. Verdachte was op dat moment gekleed in een blauwe spijkerbroek, een zwarte jas met capuchon en Nike sportschoenen Hij fietste op een damesfiets met een opvallend wit stuk op het achterspatbord. Deze kleding en fiets herkende verbalisant [verbalisant 8] later op de beelden van de diefstal. [34]
De rechtbank overweegt dat uiteindelijk drie verbalisanten verdachte herkend hebben van de beelden van de insluiping. Er worden specifieke kenmerken van verdachte genoemd en deze herkenningen zijn naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar. Verdachte droeg tijdens zijn aanhouding (op dezelfde dag als de diefstal) kleding en maakte gebruik van een fiets die overeenkwamen met de kleding en fiets op de videobeelden. Dit alles tezamen maakt dat er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte schuldig is aan de ten laste gelegde diefstal onder feit nummer 1.
Feit 2: 6 februari 2026 – inbraak schuur [adres] in [plaats]
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 10] , p. 7;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 12-13;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2026.
Tijdens de terechtzitting bekent verdachte dat hij de tent heeft gestolen uit de tuin van aangever. Hij kwam daar via de tuinpoort. Verdachte ontkent eerst dat hij in de schuur is geweest, later verklaart hij dat het misschien toch wel zo kan zijn. De rechtbank overweegt dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte de schuurdeur opent en naar binnen gaat. Hij verlaat de schuur weer met de tent in zijn handen. [35] Daarom acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tent heeft gestolen uit de schuur.
Parketnummer 05.094717.26 [36]
Feiten 1 en 2: 20 februari 2026 – insluiping woning en poging inbraak schuur [adres] in [plaats]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Er zijn twee herkenningen op basis van beelden van andere inbraken. Aangever verklaart dat de man op die beelden de man is die hij heeft gezien in zijn schuur.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van beide ten laste gelegde feiten omdat er onvoldoende bewijs is. Het is onduidelijk of de aangever verdachte herkent op de beelden van buurtgenoten van andere incidenten of op basis van de waarneming in zijn schuur op 20 februari 2026.
Beoordeling door de rechtbank
Aangever [benadeelde 11] kwam op 20 februari 2026 omstreeks 10:20 uur thuis bij zijn woning aan het [adres] in [plaats] . Hij liep achter zijn schuur langs richting de woning toen hij zag dat de schuurdeur open stond. Die deur zit altijd op slot. Hij keek om de deur heen en zag dat er op twee meter afstand een man op de grond in het schuurtje zat. Hij kon de man goed zien. De man was blank, tussen de 30 en 40 jaar oud, klein van postuur, had een grote opvallende neus, een grijs kort onverzorgd baardje, droeg een rode jas met witte schoudervlakken, een spijkerbroek, en een grijze muts. Aangever wilde de man tegenhouden maar die rende weg. In het schuurtje, op de plek waar de man had gezeten trof aangever de sleutels van zijn vrouw en nog twee andere sleutelbossen aan. De sleutels van zijn vrouw lagen altijd op een kastje in de woning, bij de achterdeur. De schuur had geen braakschade.
In de straat hadden de tijd daarvoor meerdere diefstallen plaatsgevonden. De vermoedelijke dader was een aantal maal op beeld vastgelegd. Aangever ontving deze beelden en heeft ze bekeken. Hij herkende de man op de beelden gelijk en voor 100% als de man die in zijn schuur had gezeten. Hij herkende hem aan zijn gehaaste loopje, lange smalle gezicht, grote neus en diepliggende ogen. Hij realiseerde zich toen dat hij de man al langer kent, namelijk vanuit zijn baan bij [organisatie] in [plaats] , bij de dagbesteding. Hij heeft de man daar meerdere keren zien lopen. [37]
Verbalisant [verbalisant 9] nam de aangifte van aangever op en bekeek zodoende de beelden die aangever van zijn buren gekregen had. Hij herkende op de filmpjes en de foto direct en zonder enige twijfel verdachte. Verdachte verblijft bij [verblijfplaats 2] in [plaats] en als wijkagent van onder ander [plaats] heeft [verbalisant 9] vaker met verdachte van doen gehad. Hij kwam recentelijk vaak in beeld bij diefstallen. De laatste keer dat [verbalisant 9] verdachte zag was ongeveer twee weken daarvoor. [verbalisant 9] herkende verdachte aan zijn versnelde pas, postuur, smalle gezicht, grote, scheve en puntige neus, smalle lippen en kalend kort kapsel. [38]
Op 27 februari 2026 werd verbalisant [verbalisant 10] door collega [verbalisant 9] gevraagd om een herkenning. [verbalisant 10] bekeek de foto en de bijbehorende bewegende beelden op het politiesysteem. Hij herkende de man op de beelden ambtshalve als verdachte. Hij kent verdachte vanuit zijn werkzaamheden in de noodhulp bij basisteam IJsselstreek. Hij heeft daar meerdere malen met verdachte van doen gehad. De laatste keer was een aantal weken geleden. Ook komt verdachte vaak naar voren met zijn antecedenten en ziet hij hem dus vaak voorbijkomen. [verbalisant 10] heeft geen enkele twijfel dat de man op de beelden verdachte is. Hij herkent hem aan zijn grote, hoekige neus, smalle lippen, slechte gebit, grote voorhoofd, korte haren. Daarnaast herkent hij hem aan zijn manier van lopen, waarbij hij met versnelde pas loopt en spichtig om zich heen kijkt. [39]
De rechtbank overweegt dat uit de aangifte blijkt dat aangever de man uit zijn schuur herkende op de toegestuurde beelden. Hij had de man in zijn schuur goed kunnen zien en herkende de man gelijk en voor 100% op die beelden. Daarbij noemt aangever kenmerken van de man die specifiek zijn voor verdachte en ook door de politie benoemd worden, zoals zijn grote neus. Tegelijkertijd realiseerde aangever zich dat hij de man ook al eerder had gezien bij [organisatie] . Verdachte woonde op dat moment ook bij [organisatie] .
Daarnaast hebben twee verbalisanten de man op de beelden herkend als verdachte. De rechtbank is gelet op dit alles van oordeel dat het verdachte is die bij aangever in de schuur was. Op de plek waar hij zat zijn sleutels gevonden, die daarvoor nog in de woning lagen. De schuur had op slot gezeten. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte de sleutels uit de woning heeft weggenomen en die heeft gebruikt om de afgesloten schuur te openen. Vervolgens is hij de schuur ingegaan, kennelijk met het doel om daar goederen weg te nemen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
Parketnummer 05.072711.25
1.
hij op
of omstreeks8 maart 2025 te [plaats] , gemeente Lochem
in/uit een woning, gelegen
op/aan [adres] [huisnummer] ) een rijbewijs (o.n.v. [benadeelde 1] ) en
/ofeen museumjaarkaart (o.n.v. [benadeelde 1] ) en
/ofvier ABN-AMRO bankpassen (o.n.v. [benadeelde 1] ) en
/ofeen kentekenbewijs (v.v. kenteken [kenteken] o.n.v. [benadeelde 1] ) en
/ofOV-pas (o.n.v. [benadeelde 1] ),
in elk geval enig(e) goed(eren),die
geheel of ten deleaan [benadeelde 1]
, in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebrachtdoor middel van
inklimming en/ofinsluiping;
2.
hij op
of omstreeks17 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem, in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, aan de [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een
(rode
)tas,
- een
of meerdereportemonnees
(met inhoud
),
- een sleutelkastje met een of meerdere sleutels,
- een spaarpot,
-
een ofmeerdere sieraden en
/of-
een ofmeerdere usb-sticks,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 2] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/of dat/die weg te nemen goed
(eren
)onder zijn bereik heeft gebracht door middel van
braak, verbreking, inklimming, insluiping en/ofeen valse sleutel;

Parketnummer 05.176626.24

hij op
of omstreeks25 november 2023 te [plaats] een portemonnee met inhoud, waaronder:
- een contant geldbedrag van 65 euro,
althans enig geldbedragen
/of- drie
, althans een of meerdere,bankpassen en
/of- een creditcard en
/of-
een ofmeerdere klantenpassen en
/of- een museumjaarkaart,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 3] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.188547.25
1.
hij op
of omstreeks1 maart 2025 te [plaats] in
/uiteen woning, gelegen
op/aan de [adres] ( [huisnummer] ) een zilveren bekertje en
/of3 zilveren lepeltjes en
/of20,- euro,
in elk geval enig goed en/of geld, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 4] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/ofdie weg te nemen goederen en/of dat geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
en verbreking en/of inklimming;
2.
hij op
of omstreeks11 oktober 2024 te [plaats] , gemeente Lochem in
/uiteen woning, gelegen
op/aan de [adres] ( [huisnummer] ) twee ringen,
in elk geval enig goed,die
geheel of ten deleaan [benadeelde 5] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/ofdie weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door een sleutelkastje
(bevestigd nabij de voordeur)te verbreken en
/of (vervolgens
)met de verkregen huissleutel voornoemde woning te betreden;
Parketnummer 05.188532.25
hij op
of omstreeks1 mei 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
in/uit een schuur, behorende bij en
/ofstaande in een tuin van een woning, gelegen aan de [adres] , één of meer goederen van zijn gading,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde
(n
)weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen
en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengendoor middel van insluiping
en/of inklimming,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 05.008772.26
hij op
of omstreeks11 december 2025 te [plaats] , gemeente Lochem een elektrische fiets (Frappe type 201),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 7] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.031156.26
hij op
of omstreeks29 januari 2026 te [plaats]
(in/uit een schuur
)een blikje bier,
in elk geval enig goed,dat
/die geheel of ten deleaan [benadeelde 8] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 05.045075.26
1.
hij op
of omstreeks11 februari 2026 te [plaats] , in een woning en
/ofop een besloten erf waarop een woning stond, te weten de Van [adres] te [plaats] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een
of meerderegeldbedrag
en,
- een ofmeerdere sieraden,
- een mobiele telefoon en
/of-
een ofmeerdere tassen met statiegeldblikken,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 9] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft
en
/of dat/die weg te nemen
gelbedragen, sieraden, telefoon en/oftassen met statiegeldblikken onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
, verbreking en/of inklimming;
2.
hij op
of omstreeks6 februari 2026 te [plaats] ,
in een woning en/ofop een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres] in [plaats] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kampeertent,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [benadeelde 10] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen kampeertent onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Parketnummer 05.094717.26
1.
hij op
of omstreeks20 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem,
in een woning
en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
een ofmeerdere sleutels,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 11] ,
in elk geval aan een andertoebehoorde
(n
)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en
/of dat/die weg te nemen
goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van insluiping;
2.
hij op
of omstreeks20 februari 2026 te [plaats] , gemeente Lochem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om op een besloten erf waarop een woning stond en
/ofuit een schuur aan de [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
enig goed, dat
/diegeheel of ten dele aan [benadeelde 11] ,
in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde
(n)weg te nemen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en
/ofdat
/dieweg te nemen goed
/goederenonder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel met dat opzet
- het (besloten) erf van die [benadeelde 11] heeft betreden en
/of (vervolgens
)- de schuurdeur met de sleutel heeft geopend en
/ofde schuur heeft betreden
en/of- in die schuur zoekend heeft rondgekeken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Parketnummer 05.072711.25
feit 1:
Diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
feit 2:
Diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid
Parketnummer 05.176626.24
Diefstal
Parketnummer 05.188547.25
feit 1:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
feit 2:
Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels
Parketnummer 05.188532.25
Poging tot diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
Parketnummer 05.008772.26
Diefstal
Parketnummer 05.031156.26
Diefstal
Parketnummer 05.045075.26
feit 1:
Diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt en diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak
feit 2:
Diefstal, op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
Parketnummer 05.094717.26
feit 1:
Diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
feit 2:
Poging tot diefstal op een besloten erf waarop een woning staat door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheid

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat het gaat om een groot aantal vermogensdelicten. Gelet op zijn strafblad, de leeftijd van verdachte en zijn verleden (waaronder twee ISD-maatregelen en een lange voorwaardelijke gevangenisstraf) heeft hij gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en met aftrek. Hij eist een proeftijd van drie jaren en oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte geen moeite heeft met het uitzitten van een gevangenisstraf. Dat is daarom voor hem geen ‘straf’. Wat hij wel moeilijk vindt is werken aan zichzelf en dat zou vooral buiten de gevangenis in het kader van bijzondere voorwaarden moeten gebeuren, met als stok achter de deur een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf.
Verdachte heeft behoefte aan therapie en behandeling gericht op zijn verslaving en trauma’s en dat moet zo snel mogelijk starten. Hij heeft nu medicatie en het gaat de goede kant op met hem. De raadsman stelt daarom voor om het voorwaardelijk strafdeel groter te laten zijn dan het onvoorwaardelijk strafdeel, dat beperkt zou moeten blijven tot de duur van de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden de bijzondere voorwaarden gekoppeld moeten worden zoals die zijn geadviseerd door de reclassering, met een proeftijd van drie jaar.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft een groot aantal vermogensdelicten in relatief korte tijd gepleegd. Het gaat om insluipingen en inbraken in woningen, (poging tot) diefstallen uit schuren, en diefstallen van een fiets en een portemonnee. Dit zijn zeer vervelende feiten voor de slachtoffers. Niet alleen omdat zij hun spullen kwijt zijn maar ook omdat zij zich daardoor onveilig in hun eigen woningen voelen en bovendien ongevraagd te maken krijgen met allerlei rompslomp in de afwikkeling van de diefstallen. Bij meerdere van de feiten is verdachte overlopen door de slachtoffers. Dat toont aan hoe brutaal verdachte is geweest, maar ook hoe wanhopig en roekeloos. Hij pleegde deze feiten tegen de achtergrond van zijn verslaving. Alles stond in het teken van geld verkrijgen om drugs te kunnen kopen. Hij heeft daarbij geen moment aan de slachtoffers gedacht maar enkel aan zichzelf. Wanneer verdachte tijdens de terechtzitting gevraagd wordt om zich in te leven in de slachtoffers, geeft verdachte enkel aan dat hij zelf ook wel eens bestolen is, en dat boos worden geen zin heeft. Verdachte neemt maar deels verantwoordelijkheid voor zijn daden.
Verdachte heeft een strafblad van 42 pagina’s met daarop heel veel vermogensdelicten. De rechtbank neemt deze recidive mee bij het bepalen van de strafmaat. Verdachte heeft al verschillende soorten straffen en maatregelen gehad, waaronder tweemaal een ISD-maatregel, in 2012 en 2019. Daarnaast zijn aan hem over de jaren heen naast gevangenisstraffen al verschillende soorten bijzondere voorwaarden opgelegd waaronder opname in een inrichting en verplichte ambulante behandeling. Al deze straffen en maatregelen hebben verdachte er niet van weerhouden nu weer meerdere vermogensdelicten te plegen.
De reclassering beschrijft in haar advies van 18 mei 2026 dat er sprake is van een hoog recidiverisico. De conclusie is wel dat de reclassering nog mogelijkheden ziet om die risico’s te beperken. Een langdurige klinische opname wordt als laatste optie gezien om te komen tot een vermindering van delictgedrag. Verdachte is inmiddels geaccepteerd bij de [kliniek] in [plaats] . Hij staat momenteel op de wachtlijst. De reclassering acht het noodzakelijk dat verdachte vanuit detentie wordt overgebracht naar de kliniek zodat onttrekking en terugval in middelengebruik worden geminimaliseerd. Daarnaast adviseert de reclassering enkele bijzondere voorwaarden zodat passende nazorg kan worden geboden in de vorm van ambulante behandeling en begeleid wonen. Gezien de duur van zo’n traject adviseert de reclassering om een proeftijd van drie jaar op te leggen.
Verdachte is bereid om aan de voorwaarden mee te werken. Hij is echter wel van mening dat de reclassering een summier beeld schetst en dat hij de afgelopen jaren niet de juiste zorg en begeleiding heeft gekregen, waardoor het hem niet is gelukt om zijn verslaving onder controle te krijgen en houden en hij nu in deze situatie is beland. Deze mening wordt gedeeld door zijn zus, die op korte termijn als mentor van verdachte zal worden benoemd, en van wie de rechtbank een brief heeft ontvangen over de situatie van haar broer. Verdachte voegt daar tijdens de zitting wel aan toe dat hij zeker ook een eigen aandeel heeft in zijn gedrag. Beiden benadrukken dat vooral de nazorg na de klinische opname aandacht verdient, omdat het daar steeds mis lijkt te gaan.
De rechtbank sluit zich aan bij de reclassering, de officier van justitie en de verdediging dat goede zorg en begeleiding (in de vorm van bijzondere voorwaarden) belangrijk is om recidive te voorkomen. De rechtbank ziet dat verdachte wel uit het delictgedrag wil komen maar dat dat hem maar niet lukt, terwijl hij wel door de jaren heen allerlei kansen heeft gehad. Gelet op het grote aantal feiten waarvoor de rechtbank hem veroordeelt, de impact daarvan op de slachtoffers en de veiligheid van de maatschappij, is een langdurige gevangenisstraf echter ook aangewezen. Dit soort feiten roepen veel narigheid op bij de mensen die dit overkomt. Het is meer dan overlast, een deel van de feiten vond plaats in woningen.
Volgens de LOVS-oriëntatiepunten is voor een insluiping/inbraak in een woning, terwijl de verdachte recidive of veelvuldige recidive heeft, 3 tot 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Voor een inbraak in een woning geldt 5 tot 7 maanden. Op de diefstal van een fiets staat 2 tot 4 weken gevangenisstraf, en op de diefstal van een portemonnee 2 tot 4 maanden.
De rechtbank zal gelet op al het bovenstaande, aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en met aftrek van de tijd die verdachte al in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar verbinden en alle bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Deze straf is lager dan de officier van justitie heeft geëist, omdat de rechtbank naast de persoonlijke omstandigheden van verdachte ook rekening houdt met de hierna toe te wijzen vordering tenuitvoerlegging van ook nog bijna tien maanden.

8.De beoordeling van de civiele vorderingen

Parketnummer 05.176626.24
De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 273,30 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering geheel kan worden toegewezen, dus tot een bedrag van € 273,30, met de wettelijke rente vanaf 25 november 2023.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 05.008772.26
De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend, via haar wettelijk vertegenwoordiger [vertegenwoordiger]. De benadeelde partij vordert € 1.856,- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag dat op de factuur van de fiets staat is hoger dan het bedrag op de vordering. De benadeelde partij heeft dus al een afschrijving toegepast. Het bedrag is voldoende onderbouwd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden moet worden met het feit dat de fiets anderhalf jaar oud was. Dat moet percentagegewijs worden afgeschreven. Omdat een fiets vijf jaar mee gaat moet een derde van het bedrag worden afgehaald.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Haar fiets is gestolen en het daarbij behorende kettingslot. Bij de vordering is een bijlage gevoegd van de factuur van de fiets en het slot. Het framenummer wat daarop genoemd wordt is gelijk aan het framenummer van de gestolen fiets. Het is daarom voldoende vast komen te staan dat de factuur behoort bij de gestolen fiets en het slot.
Op de factuur staat dat de fiets anderhalf jaar geleden is aangeschaft voor € 1.999,-. Het slot kostte € 63,95. De benadeelde partij vordert voor de fiets € 1.799,- euro en voor het slot € 57,-. De benadeelde partij heeft dus zelf al rekening gehouden met afschrijvingen, die naar het oordeel van de rechtbank reëel zijn.
De schadeposten zijn daarmee voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering wat betreft de fiets en het slot geheel kan worden toegewezen, tot een bedrag van € 1.856,-, met de wettelijke rente vanaf 11 december 2025.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Parketnummer 05.045075.26
De benadeelde partij [benadeelde 9] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 4.366,95 aan materiële schade en € 3.000,- aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen ten aanzien van de materiële schade. De officier van justitie stelt dat er geen reden is om te twijfelen is aan de opgegeven posten en de juistheid van de bedragen. De vordering is voldoende onderbouwd ten aanzien van de materiële schade. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de officier van justitie dat de benadeelde partij goed heeft uitgelegd waarin de schade voor hem zit. Desondanks kan de officier van justitie zich voorstellen dat de rechtbank de schade uit hoofde van billijkheid waardeert op een lager bedrag, bijvoorbeeld € 750,-. De officier van justitie vraagt daarnaast om toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard omdat de vordering onvoldoende onderbouwd is. Er worden goederen genoemd zonder dat er een onderbouwing wordt gegeven waarom die genoemd worden en er wordt ook geen bon als bijlage bijgevoegd als onderbouwing van de waarde van die goederen. De schade aan de antieke kast lijkt te zijn geschat zonder enige onderbouwing. De immateriële schade is ook onvoldoende onderbouwd.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het strafdossier is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft verschillende schadeposten opgegeven. De rechtbank is van oordeel dat een deel daarvan (deels) kan worden toegewezen. Dit zijn de volgende posten:
  • Vijf zakken met blikjes/flesjes met statiegeld. De benadeelde partij vordert daarvoor € 50,-. Deze schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Deze kan daarom worden toegewezen.
  • Een mobiele telefoon van Samsung. De benadeelde partij vordert daarvoor € 220,-. Deze schadepost is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Deze kan daarom worden toegewezen.
  • Briefgeld en kleingeld. De benadeelde partij vordert daarvoor respectievelijk € 3.000,- en € 300,-. In de aangifte heeft de benadeelde partij verklaard dat hij een € 2.000,- aan briefgeld en € 300,- aan kleingeld mist. Deze schadepost is daarom tot dat bedrag voldoende onderbouwd. Deze post zal worden toegewezen tot € 2.300,-.
  • Schade aan een antieke kast. De benadeelde partij vordert daarvoor € 250,-. De rechtbank ziet in het dossier een foto (pagina 50) van een kastje waarvan het deurtje kapot is en gaat ervan uit dat dit de kast is die de benadeelde partij bedoelt. Het kastje is niet zwaar beschadigd, voor zover de rechtbank dat kan beoordelen op basis van de foto. De rechtbank gebruikt haar schattingsbevoegdheid en zal voor het kapotte kastje een bedrag van € 50,- toewijzen.
Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering wat betreft het statiegeld, de telefoon, het geld, en de kapotte kast tot een hoogte van bij elkaar genomen € 2.620,- kan worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor de rest van deze delen van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Voor de sieraden (zakhorloges) geldt dat er geen bedrag op de vordering is ingevuld en de rechtbank geen aanknopingspunten heeft om een schatting van de schade te kunnen maken.
De overige gevorderde schadeposten betreffen voorwerpen die in het geheel niet te herleiden zijn tot het dossier. Daarbij gaat het om een JBL koptelefoon, een slof sigaretten, een accu boormachine en een elektrische heggenschaar. De rechtbank zal om die reden de benadeelde partij in die delen van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:
  • verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,
  • de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,
  • de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of
  • de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.
Om te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de benadeelde partij mentaal last heeft (gehad) van de inbraak, is de immateriële schade onvoldoende onderbouwd. Verdachte was op het moment van de inbraak niet thuis en dan wordt een vordering tot smartengeld doorgaans niet toegewezen, omdat in dat geval de nadelige gevolgen niet zo zeer voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen zonder nadere onderbouwing. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade verklaren.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 18.265267.21)

De rechtbank heeft verdachte op 8 februari 2022 (onder meer) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 307 dagen, met een proeftijd van drie jaar. Deze proeftijd is op 30 januari 2025 verlengd met één jaar.
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen dient te worden. Een gevangenisstraf is niet belastend voor verdachte, en in die zin voor hem geen straf. Wel is hij gebaat bij hulp en begeleiding, en dat moet zo snel mogelijk gestart worden. Een gevangenisstraf zou daaraan in de weg staan.
Toewijzing
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen andere beslissing passend is dan tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf.

10.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 43a, 45, 57, 60a, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

11.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
36 maanden;
  • bepaalt dat deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- verdachte zich tijdens de proeftijd voor een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Tactus Verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er – na afronding van de langdurige klinische opname - sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie /observatie/ diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
- verdachte de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden. Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen;
- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de bovenstaande bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden tevens als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 8 februari 2022 door de rechtbank voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 307 dagen (parketnummer 18.265267.21)
 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder parketnummer 05.176626.24 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
[benadeelde 3], in verband met het feit onder parketnummer 05.008772.26 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
[benadeelde 7]en in verband met het feit onder parketnummer 05.045075.26, feit 1, tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
[benadeelde 9], van de volgende bedragen aan materiële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald):
Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente
1. [benadeelde 3] € 273,30november 2023
2. [benadeelde 7] € 1.856,-december 2025
3. [benadeelde 9] € 2.620,-februari 2026;
 verklaart de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk in de vorderingen;
 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan materiële schade te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt:
Benadeelde partij Bedrag Gijzeling
1. [benadeelde 3] € 273,30dagen
2. [benadeelde 7] € 1.856,-dagen
3. [benadeelde 9] € 2.620,-dagen
 bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. W. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juni 2026.
Mr. Bruins is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025105916, gesloten op 10 maart 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 13-14; Proces-verbaal van bevindingen, p. 37 (aanvullend verhoor);.
3.Proces-verbaal van aangifte, p. 8;.
4.Proces-verbaal van bevindingen, p. 19, 20.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 30-31.
6.Proces-verbaal van bevindingen, p. 13; Proces-verbaal van bevindingen, nr. 34 (aanvullend, 2e aanvulling).
7.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2026.
8.Proces-verbaal van aangifte, p. 7-8.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 21.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 16-17.
11.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 27.
13.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17.
14.Proces-verbaal van bevindingen, p. 27-28.
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 21.
16.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2026.
17.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 12] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023548294, gesloten op 24 maart 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
18.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025201226, gesloten op 29 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
19.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025201174, gesloten op 1 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
20.Proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.
21.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 12.
22.Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 13.
23.Proces-verbaal van bevindingen, p. 22-23.
24.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 13] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025598990, gesloten op 14 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
25.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 14] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026046004, gesloten op 31 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
26.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8-9.
27.Proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.
28.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 mei 2026.
29.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026068599, gesloten op 14 februari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
30.Proces-verbaal van aangifte en goederenlijst, p. 17-18, 20.
31.Proces-verbaal van bevindingen, p. 24.
32.Proces-verbaal van bevindingen, p. 22.
33.Proces-verbaal van bevindingen, p. 30.
34.Proces-verbaal van bevindingen, p. 26.
35.Proces-verbaal van bevindingen, p. 12-13.
36.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 11] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026083315, gesloten op 19 maart 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
37.Proces-verbaal van aangifte, p. 5-6.
38.Proces-verbaal van bevindingen, p. 13.
39.Proces-verbaal van bevindingen, p. 11.