Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4701

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
05-329329/25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 175 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 Wetboek van StrafrechtArt. 14a Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor veroorzaken verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door onvoorzichtig rijgedrag

Op 4 juli 2025 veroorzaakte verdachte in Terschuur, gemeente Barneveld, een verkeersongeval door onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag. Hij reed met een bedrijfsbus over een calamiteitendoorgang (CADO) terwijl hij dit niet mocht, en liet een tegemoetkomende motorrijder niet voorgaan. Hierdoor botste de motorrijder tegen het voertuig van verdachte en liep zwaar lichamelijk letsel op, waaronder een gecompliceerde polsbreuk.

Verdachte voerde aan dat hij een ontheffing had om als hulpdienst de CADO te gebruiken, maar de rechtbank stelde vast dat deze ontheffing niet op het gebruikte voertuig van toepassing was en dat het gebruik van de CADO niet strikt noodzakelijk was voor de werkzaamheden. Ook was er geen sprake van een calamiteit die het gebruik van de CADO rechtvaardigde.

De rechtbank oordeelde dat verdachte onvoldoende voorzichtigheid betrachtte en daardoor het ongeval met zwaar letsel veroorzaakte. De strafmaat werd bepaald op basis van LOVS-oriëntatiepunten, waarbij rekening werd gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn blanco strafblad en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. De rechtbank legde een taakstraf van 80 uur op en een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 80 uur taakstraf en 6 maanden voorwaardelijke rijontzegging wegens onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-329329/25
Datum uitspraak : 1 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. K. Haak, advocaat in Zoetermeer.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de (afrit van de) A30, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in strijd met artikel 78 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de verplichte rijrichting van de door hem bereden rijstrook heeft gevolgd en/of
- in strijd met artikel 62 jo Pro. bord C1 met als onderbord "uitgezonderd hulpdiensten" van bijlage I van voornoemd reglement de calamiteitendoorgang is in/door gereden en/of
- in strijd met artikel 18 van Pro voornoemd reglement bij het afslaan naar links een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een dicht vanuit tegengestelde richting genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de (afrit van de) A30,
- in strijd met artikel 78 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de verplichte rijrichting van de door hem bereden rijstrook heeft gevolgd en/of
- in strijd met artikel 62 jo Pro. bord C1 met als onderbord "uitgezonderd hulpdiensten" van bijlage I van voornoemd reglement de calamiteitendoorgang is in/door gereden en/of
- in strijd met artikel 18 van Pro voornoemd reglement bij het afslaan naar links een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een dicht vanuit tegengestelde richting genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een bedrijfsauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de (afrit van de) A30, bij het afslaan naar een calamiteitendoorgang, een hem op dezelfde weg tegemoetkomende motorfietser niet heeft laten voorgaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Verdachte heeft op 4 juli 2025 in Terschuur, in de gemeente Barneveld als bestuurder van een bedrijfsbus met het kenteken [kenteken 1] gereden. Hij kwam vanaf de N30 ter hoogte van Terschuur uit de richting van Nijkerk. Hij reed bij de verkeerslichten door groen licht en sloeg links af over de calamiteitendoorgang (hierna: CADO) richting de snelweg A1, terwijl de verplichte rijrichting rechtdoor was. Deze calamiteitendoorsteek is altijd open, gezien het een verharde middenberm betreft met klinkers. Deze calamiteiten doorsteek is voorzien van een C1 bord met een onderbord ‘uitgezonderd hulpdiensten’. [slachtoffer] reed op zijn motorfiets op de afrit van de A30, namelijk de N30, komende uit de richting van Barneveld. Hij reed bij het verkeerslicht door groen licht. Op datzelfde moment reed verdachte via het kruisingsvlak naar de CADO en botste [slachtoffer] tegen verdachtes voertuig aan. [slachtoffer] brak zijn dominante pols door deze aanrijding en is aan zijn pols geopereerd. Er is een plaat in zijn pols geplaatst die ook weer moet worden verwijderd en er is kans op (beperkte) restschade. [2]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Verdachte mocht gebruik maken van de CADO, omdat hij in opdracht van Rijkswaterstaat werkzaamheden moest verrichten bij een systeemkastje dat was geplaatst op de toerit van de N30 richting de A1 in de richting van Amersfoort. Verdachte moest de werkzaamheden opleveren voordat de spits begon en er was sprake van spoedeisendheid waardoor hij gebruik mocht maken van de CADO.
Daarnaast is verdachte gecertificeerd om als hulpdienst op te treden en heeft hij een ontheffing om als hulpdienst te kunnen fungeren. Uit de ontheffing blijkt dat verdachte een vrijstelling heeft tot en met 31 augustus 2027 voor een aantal verkeerstekens, inclusief het C1-bord. Dat het kenteken van deze ontheffing nog niet was aangepast naar de nieuwe bedrijfsbus van verdachte, staat in geen enkel causaal verband tot het ontstaan van ongeval. Verdachte mocht de CADO, ondanks deze omstandigheid gebruiken en hij was niet verplicht de verplichte rijrichting te volgen.
Verder heeft verdachte bij het optrekken vanaf de CADO goed gekeken, zacht opgetrokken en [slachtoffer] niet gezien. Het enkel over het hoofd zien van iemand, waarbij de bestuurder dit mogelijk wel had moeten opmerken is niet voldoende om vast te stellen dat verdachte zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden. Schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW) kan daarom niet worden vastgesteld.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank merkt het volgende op ten aanzien van het verweer dat verdachte beschikte over een ontheffing om gebruik te maken van de CADO wegens de ontheffing voor het C1-bord. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat aan het voertuig met kenteken [kenteken 1] , waarin verdachte reed, een ontheffing is afgegeven. Uit de door de raadsman overgelegde ontheffing blijkt dat wel een ontheffing is afgegeven aan het voertuig met het kenteken [kenteken 2] . [3] Verdachte heeft verklaard dat het voertuig met het kenteken [kenteken 2] is gestolen in de nacht van 23 januari 2025 en dat het kenteken, waarop de ontheffing van toepassing moest zijn, nog niet was aangepast in het systeem. [4] Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het voertuig waarin verdachte ten tijde van het ongeval reed geen ontheffing had van het C1-bord en dus geen gebruik mocht maken van de CADO.
De rechtbank zal gelet op het door de verdediging gevoerde verweer desondanks de vraag of verdachte gebruik had mogen maken van de CADO als hij wel zou hebben beschikt over een ontheffing van het C1-bord op twee manieren beoordelen, namelijk aan de hand van de ontheffing zelf en aan de hand van het Handboek calamiteit- en verkeersdoorsteken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook geen gebruik mocht maken van de CADO, als hij wel beschikte over een ontheffing voor een C1-bord. Immers blijkens het voorschrift van de ontheffing, horende bij het voertuig met het kenteken [kenteken 2] , mag alleen gebruik worden gemaakt van de ontheffing als het voor de werkzaamheden strikt noodzakelijk is. Als dat niet het geval is, is de ontheffing niet van kracht. Verder mag van de ontheffing alleen gebruik worden gemaakt wanneer de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de ontheffing niet redelijkerwijs kunnen worden uitgevoerd. [5] De rechtbank oordeelt dat het gebruik van de ontheffing niet strikt noodzakelijk was voor het uitvoeren van de werkzaamheden en dat de werkzaamheden ook zonder gebruikmaking van de ontheffing konden worden uitgevoerd. Verdachte kon immers de verplichte rijrichting richting de A30 volgen, bij de eerstvolgende afslag de snelweg verlaten en daarna via de oprit aan de andere zijde de tegenovergestelde richting van de A30 op rijden en stoppen bij het systeemkastje.
Verder blijkt uit het Handboek calamiteit- en verkeersdoorsteken dat de doorsteek alleen gebruikt mag worden voor spoedeisende zaken als gevolg van een incident of calamiteit op de weg. Een calamiteit wordt gedefinieerd als gebeurtenissen op de rijbaan, zoals (ernstige) verkeersongevallen, gestrande voertuigen en afgevallen lading, waardoor de doorstroming van het verkeer geheel of gedeeltelijk wordt belemmerd. Gestrande voertuigen op de vluchtstrook vormen een uitzondering voor zover er sprake is van een aanvaardbaar risico ten aanzien van de doorstroming en de veiligheid van het verkeer. [6] Nu niet is gebleken dat sprake was van een calamiteit in de zin van het hiervoor genoemde Handboek, oordeelt de rechtbank dat verdachte ook op grond van het Handboek in dit geval geen gebruik had mogen maken van de CADO.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte de verplichte rijrichting op de N30 komend uit de richting van Nijkerk niet heeft gevolgd, dat hij in strijd met het bord C1 met als onderbord ‘uitgezonderd hulpdiensten’ door de CADO heen wilde rijden en dat hij een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan, waardoor de motorfiets tegen de bedrijfsbus van verdachte aan is gereden.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij niet in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Verdachte heeft verklaard dat hij op kruisingsvlak stil heeft gestaan om te kijken of er tegemoetkomend verkeer aan kwam en het tegendeel blijkt niet uit het dossier. Verder merkt de rechtbank op dat verdachte om de CADO te kunnen gebruiken daarbij de tegenovergestelde rijrichting op ging en dat hij een scherpe bocht moest maken. De rechtbank stelt vast dat de snelheid van verdachte niet (te) hoog kan zijn geweest, omdat hij anders de scherpe bocht niet zou kunnen maken.
Verdachte heeft verklaard dat de vrachtwagen op de linker rijbaan van de tegenovergestelde rijrichting heeft gezien, dat hij er niet bij stil heeft gestaan dat er verkeer op de tegenovergestelde rechter rijbaan kon rijden en dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer] achter de vrachtwagen op de rechterrijbaan reed en dit ook niet heeft kunnen zien. [7] De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich er onvoldoende van heeft vergewist of er verkeer op de rechterrijbaan reed, terwijl hij zich er bewust van was dat zijn zicht werd belemmerd door de vrachtwagen op de tegenovergestelde linker rijbaan.
Gelet op de hiervoor genoemde verkeersfouten en het geheel van de gedragingen van verdachte is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat verdachte zich hiermee in een situatie heeft gebracht waar een ongeval, zoals dat heeft plaatsgevonden, niet onvoorzienbaar was.
Zoals vastgesteld onder de vaststaande feiten heeft het slachtoffer [slachtoffer] een gecompliceerde polsbreuk aan zijn dominante hand opgelopen, waaraan hij is geopereerd. Bij deze operatie is een plaat met schroeven in zijn arm gezet, die in de toekomst operatief zal moeten worden verwijderd. Al die tijd heeft het slachtoffer niet volledig gebruik kunnen maken van zijn pols. Gezien de aard van het letsel, de operatie die het slachtoffer heeft ondergaan en de operatie die het slachtoffer nog moet ondergaan ter verwijdering van de plaat, de duur van het herstel en de mogelijke restschade is de rechtbank van oordeel dat bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorafgaand aan het ongeval niet de bij de omstandigheden passende voorzichtigheid heeft betracht en derhalve verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gehandeld en dat daardoor een [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks4 juli 2025 te Terschuur, gemeente Barneveld als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de
(afrit van de
)A30,
zeer, althansaanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en
/ofonachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- in strijd met artikel 78 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de verplichte rijrichting van de door hem bereden rijstrook heeft gevolgd en
/of
- in strijd met artikel 62 jo Pro. bord C1 met als onderbord "uitgezonderd hulpdiensten" van bijlage I van voornoemd reglement de calamiteitendoorgang is
in/door gereden en
/of
- in strijd met artikel 18 van Pro voornoemd reglement bij het afslaan naar links een hem op dezelfde weg tegemoetkomende bestuurder van een motorfiets niet heeft laten voorgaan
en/of
- in strijd met artikel 19 van Pro voornoemd reglement zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-
is gebotst tegen, althansin aanrijding
isgekomen met een dicht vanuit tegengestelde richting genaderd zijnde bestuurder van een motorfiets, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander
(te weten [slachtoffer]
)zwaar lichamelijk letsel
of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht
, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
primair:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot 80 uren taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete dient te worden opgelegd en geen, of subsidiair een geheel voorwaardelijke, ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen op te leggen. Verdachte heeft vijfentwintig jaar zijn rijbewijs en heeft niet eerder een aanrijding gehad waarbij strafrechtelijk is gehandeld. Ook heeft hij een blanco strafblad en hij kan zijn werk niet uitvoeren zonder rijbewijs.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft op 4 juli 2025 onvoorzichtig rijgedrag vertoond en heeft daardoor een ongeluk veroorzaakt. Hij wilde gebruik maken van de CADO, waar hij geen gebruik van mocht maken, en hij is de weg opgereden richting CADO, terwijl er een motorrijder hem tegemoet kwam. De motorrijder is tegen de bedrijfsbus van verdachte aan gereden en heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen, namelijk een complexe polsbreuk waaraan hij is geopereerd. Verdachte heeft door zo te handelen zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd en heeft daarmee de verkeersveiligheid voor andere verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Verdachte had voorzichtiger en oplettender moeten zijn dan dat hij is geweest.
Bij het bepalen van de duur en modaliteit van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS. De LOVS-oriëntatiepunten gaan bij het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel en aanmerkelijke schuld uit van 120 uur taakstraf en 6 maanden ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk. Hij werkt als zelfstandige en heeft zonder zijn rijbewijs geen inkomen. Gelet op deze persoonlijke omstandigheden en het feit dat verdachte een blanco strafblad heeft, zal de rechtbank een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden opleggen. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op als waarschuwing. Verder zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen dan is genoemd in de LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank weegt mee de schuldbewuste houding van verdachte en de betrokkenheid van verdachte bij het slachtoffer mee. Verdachte heeft namelijk contact opgenomen met het slachtoffer, een fruitmand naar het slachtoffer gezonden en meegewerkt aan het regelen van de schade door de verzekering. Alles overwegende, legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren op.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straffen is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 legt op een taakstraf van 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen;
 ontzegt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest;
 bepaalt dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoedeman (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. R.M.H. Pennings, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 juni 2026.
Mr. R.M.H. Pennings is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025581730, gesloten op 2 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026; Het proces-verbaal van bevindingen, p. 8-13; Het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15; Het proces-verbaal van bevindingen, p. 17; Het proces-verbaal van bevindingen van verhoor van getuige [slachtoffer] , p. 103-104.
3.Het schriftelijk bescheid, te weten Beschikking RWS-2022/19580 d.d. 20 juni aan [kenteken 2] (als bijlage gevoegd bij de pleitnota van de raadsman).
4.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 29 september 2025, p. 112.
5.Het schriftelijk bescheid, te weten Beschikking RWS-2022/19580 d.d. 20 juni aan [kenteken 2] (als bijlage gevoegd bij de pleitnota van de raadsman).
6.Het schriftelijk bescheid, te weten het Handboek calamiteit- en verkeersdoorsteken, p. 57-59.
7.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026.