Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4682

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
466435 / KG ZA 26-172
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 1:245 lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Moeder niet-ontvankelijk in kort geding wegens ontbreken gezagsbevoegdheid over minderjarige

De moeder startte een kort geding tegen de vader met het verzoek hem te verbieden een kaakchirurgische behandeling bij hun minderjarige kind te laten uitvoeren. De vader voert verweer en stelt dat de moeder niet-ontvankelijk is omdat zij niet het ouderlijk gezag heeft.

De rechtbank overweegt dat het ouderlijk gezag betrekking heeft op de persoon van het kind, het bewind over zijn vermogen en de vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. Omdat het gezamenlijke gezag eerder is beëindigd en aan de vader is toegekend, kan de moeder het kind niet vertegenwoordigen in deze procedure.

De moeder kan daarom niet namens het kind opkomen tegen beslissingen van de vader. De rechtbank verklaart de moeder niet-ontvankelijk en gaat niet inhoudelijk in op de stellingen. De vader heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens de moeder. De kosten worden ieder voor eigen rekening gelaten, maar de moeder wordt gewaarschuwd dat bij herhaling een proceskostenveroordeling kan volgen.

Uitkomst: Moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet het gezag heeft en het kind niet kan vertegenwoordigen in deze procedure.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/466435 / KG ZA 26-172
vonnis in kort geding van 12 juni 2026
in de zaak van
[naam moeder],
wonende in [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B. Wernik,
tegen
[naam vader],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.W.C. Giebels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 28 mei 2026 met producties 1 t/m 8;
  • de conclusie van antwoord van 3 juni 2026 met producties 1 t/m 7;
  • de mondelinge behandeling van 5 juni 2026, waarbij beide ouders met hun advocaten en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming zijn verschenen.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie van de ouders is geboren het minderjarige kind:
[naam kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [het kind] .
2.2.
De vader heeft [het kind] erkend.
2.3.
De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest. Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 10 juli 2019 de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken. In die beschikking heeft de rechtbank onder meer bepaald dat [het kind] haar hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben. Het huwelijk is op [echtschijdingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeentenaam] .
2.4.
Deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 april 2021 het gezamenlijke gezag van de ouders over [het kind] beëindigd en bepaald dat het gezag wordt uitgeoefend door de vader.

3.Het geschil

3.1.
De moeder verzoekt de vader te verbieden de kaakchirurgische behandeling/ operatie bij [het kind] te laten uitvoeren op verbeurte van een dwangsom van € 100.000.
3.2.
De vader voert verweer en verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel deze af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van deze procedure.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
Omdat de moeder niet het gezag heeft over [het kind] , is de eerste vraag wat de juridische grondslag is voor de vordering die de moeder instelt. De advocaat van de moeder heeft aangegeven dat de vordering is gebaseerd op artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat de vader misbruik maakt van de bevoegdheid die hij heeft als gezaghebbende ouder van [het kind] . De moeder stelt dat de vader hierdoor schade toebrengt aan [het kind] .
4.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat het onder omstandigheden mogelijk is dat een ouder misbruik maakt van zijn of haar bevoegdheid bij het uitoefenen van het gezag. Voor zover er sprake zou van misbruik van de bevoegdheid als gezaghebbende ouder, zijn de belangen van [het kind] in het geding en vindt dat misbruik van het gezag plaats jegens [het kind] en niet jegens de moeder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder niet namens [het kind] op deze wijze kan opkomen tegen beslissingen die de vader over [het kind] neemt.
4.3.
[het kind] is minderjarig en staat daarmee onder ouderlijk gezag. Op grond van artikel 1:245 lid 4 BW Pro heeft het ouderlijk gezag betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. Degene die [het kind] kan vertegenwoordigen in een procedure is dus degene die het gezag over haar heeft. De moeder heeft dit gezag niet (meer). Dit betekent dat de moeder [het kind] niet kan vertegenwoordigen en kan daarmee niet de onderhavige procedure namens [het kind] starten.
4.4.
Nu de moeder niet bevoegd is om onderhavige procedure te starten namens [het kind] , zal de voorzieningenrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De voorzieningenechter zal daarom ook niet inhoudelijk ingaan op de stellingen van partijen.
4.5.
De voorzieningenrechter overweegt volledigheidshalve nog - gelet op wat de vader hierover heeft opgemerkt - dat de vader wel een informatieplicht heeft jegens de moeder, ook al heeft zij geen gezag. Naar het (voorlopige) oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vader aan die verplichting voldaan door de moeder te informeren dat [het kind] geopereerd zal worden. De exacte datum van de operatie hoefde en hoeft de vader daarbij niet te benoemen.
De kosten van de procedure
4.6.
De vader heeft gevraagd om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure. De vader meent dat de moeder misbruik maakt van het recht om te procederen, omdat zij geen beslissingsbevoegdheid heeft over medische ingrepen bij [het kind] . Daarbij komt dat in het verleden al eerder is geprocedeerd over de tanden van [het kind] . Toen is de moeder in het ongelijk gesteld en is haar op het hart gedrukt om te berusten in de situatie en geen procedures meer te starten. In korte tijd zijn er echter twee procedures door de moeder aanhangig gemaakt waarbij zij bovendien - in tegenstelling tot de vader - procedeert op basis van gefinancierde rechtsbijstand.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door de vader naar voren is gebracht op dit moment nog onvoldoende aanleiding om af te wijken van de in familiezaken gebruikelijke regel om de proceskosten tussen partijen te compenseren. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nog niet is gebleken dat er sprake is van misbruik van procesrecht. De niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar vordering geeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu duidelijkheid aan de moeder over haar beperkte mogelijkheden als niet-gezaghebbende ouder als het gaat om het starten van procedures. Die duidelijkheid is in deze mate niet eerder gegeven. De moeder moet er in dat licht wel rekening mee houden dat een proceskostenveroordeling in de toekomst wel aan de orde zal zijn als zij ervoor zou kiezen opnieuw een soortgelijke procedure te starten.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar vordering;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Eskes en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.