Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], verzoekers
het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem
Samenvatting
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
Procesverloop
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Conclusie en gevolgen
5.1. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te bepalen dat het college de bijzondere opvangbehoefte in kaart moet brengen, eventueel door advies te vragen aan een medisch adviseur of het spreidingscentrum. Uit de functie van artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. De materiële connexiteit houdt in dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van dat besluit. Het bestreden besluit houdt beëindiging van de noodopvang in. Het verzoek om de bijzondere opvangbehoefte in kaart te brengen gaat de materiële connexiteit dan ook te buiten. Alleen al daarom kan dit verzoek niet worden toegewezen.
7.2. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Ook krijgen zij een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 907 per proceshandeling. Omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen leidt dit tot een totaal van € 1.814.
Beslissing
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.814.