Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4663

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
26/2662
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij weigering opvang Oekraïense ontheemden

Verzoekster, afkomstig uit Oekraïne, en haar gezin hebben zich gemeld bij de gemeente Doetinchem voor opvang. Na tijdelijke noodopvang wees het Regionaal Coördinatiepunt Spreiding (RCVS) een opvangplek toe in Apeldoorn, die verzoekster weigerde. Het college van Apeldoorn stelde dat de verantwoordelijkheid voor opvang bij Doetinchem bleef, omdat het aanbod niet was geaccepteerd.

Verzoekster maakte bezwaar tegen de weigering van Apeldoorn om opnieuw opvang te bieden en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was genomen, waardoor hij onbevoegd was om het verzoek te behandelen.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het enkele aanbod van een kamer niet betekent dat de verantwoordelijkheid voor opvang is overgegaan. De weigering om opnieuw opvang te bieden is slechts een intrekking van een eerder uit coulance gedaan aanbod en vormt geen appellabel besluit. Verzoekster kan zich wenden tot de burgerlijke rechter voor rechtsbescherming.

De voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan verzoekster wordt terugbetaald. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om een voorlopige voorziening te treffen tegen de weigering van het college van Apeldoorn om opvang te bieden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2662

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en

het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn

(gemachtigde: mr. S. Huisman-Mol).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de weigering van het college om verzoekster en haar gezin opvang aan te bieden. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert zij een aantal gronden aan.
1.1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.2.
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd omdat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met een e-mail van 22 mei 2026 heeft het college geweigerd verzoekster en haar gezin opvang aan te bieden
.Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 gelijktijdig met de behandeling van een ander verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers op zitting behandeld. [1] Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat ging aan het verzoek om voorlopige voorziening vooraf
3. Verzoekster en haar partner en minderjarige dochter zijn afkomstig uit Oekraïne. Zij hebben zich op 7 mei 2026 (via de gemachtigde) bij het college van Doetinchem gemeld en verzocht hen toegang tot de gemeentelijke opvang voor Oekraïners te geven. Op dat moment verbleven zij bij de moeder van verzoekster in de opvang [naam opvang] in [plaats].
3.1.
Op 12 mei heeft dat college verzoekster en haar gezin tijdelijk opgevangen in de noodopvang. Het Regionaal Coördinatiepunt Spreiding (RCVS) heeft hen vervolgens op 13 mei 2026 een opvangplek toegewezen in de gemeente Apeldoorn. Deze opvang heeft verzoekster niet geaccepteerd, waarna zij is teruggekeerd naar [plaats] waar zij verblijven bij de moeder van verzoekster.
3.2.
Met een e-mail van 22 mei 2026 heeft het college aangegeven dat omdat verzoekster de hen aangeboden kamer hebben geweigerd, het aanbod voor opvang is komen te vervallen. Er zal geen nieuw aanbod voor opvang worden gedaan.
Is de voorzieningenrechter bevoegd?4. Sinds de beëindiging van het landelijke registratiepunt in Utrecht moet een ontheemde zich melden bij een gemeente in Nederland voor opvang. De gemeente moet opvang bieden als er plek beschikbaar is. Als er geen opvangplek beschikbaar is in de gemeente, dan neemt de gemeente contact op met het RCVS. Mochten er geen opvangplekken in de regio beschikbaar zijn dan dient het RCVS via een geautomatiseerde aanvraag een verzoek in te dienen bij het Knooppunt Coördinatie Informatie Oekraïne (KCIO)/ Landelijk Centrum Vluchtelingen Spreiding (LCVS).
4.1.
Het is niet in geschil dat verzoekster en haar gezin zich (feitelijk) voor opvang hebben gemeld in de gemeente Doetinchem en dat de verantwoordelijkheid voor het regelen van opvang daarom bij de gemeente Doetinchem ligt. De vraag die de voorzieningenrechter dient te beantwoorden is of de gemeente Apeldoorn de verantwoordelijkheid voor de opvang van verzoekster en haar gezin heeft overgenomen van de gemeente Doetinchem en wat dit betekent voor de weigering van het college om verzoekster opnieuw opvang aan te bieden.
4.2.
Op de zitting heeft de gemachtigde van het college de volgende toelichting gegeven. Het RCVS heeft aan de gemeenten in de regio de vraag gesteld of er ergens nog plek was om verzoekster en haar gezin op te vangen. De gemeente Apeldoorn heeft hier positief op gereageerd en een kamer beschikbaar gesteld voor verzoekster en haar gezin. Het enkele aanbieden van een kamer betekent echter niet dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op de gemeente Apeldoorn. Omdat verzoekster deze kamer niet heeft aanvaard, is het aanbod komen te vervallen. Het feit dat de gemeente Apeldoorn niet opnieuw bereid is een opvangplek aan te bieden is geen weigering tot het aanbieden van opvang of het intrekken van het aanbod en daarmee is geen sprake van een appellabel besluit.
4.3.
Het klopt dat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De verantwoordelijkheid voor opvang van verzoekster is namelijk niet overgegaan op de gemeente Apeldoorn. Uit de door de gemachtigde van het college geschetste gang van zaken blijkt afdoende dat het college de gemeente Doetinchem ter wille heeft willen zijn door een kamer aan te bieden, maar door de weigering van de betreffende kamer is de verantwoordelijkheid bij de gemeente Doetinchem gebleven. Het enkele aanbod van een kamer maakt niet dat de verantwoordelijkheid overgaat.
4.3.1.
Met het college is de voorzieningenrechter voorts van oordeel dat waar het college niet de verantwoordelijkheid voor het bieden van opvang heeft overgenomen van de gemeente Doetinchem, de weigering om opvang aan te bieden niet meer is dan een intrekking van een eerder uit coulance gedaan aanbod. Dit is niet aan te merken als een appellabel besluit, waartegen de mogelijkheid van bezwaar open staat.
4.4.
Omdat uit artikel 8:81 van Pro de Awb volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is een verzoek te behandelen als er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waartegen bezwaar kan worden ingediend, is hij in deze zaak niet bevoegd wegens het ontbreken van zo’n besluit. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoekers. Zij kunnen zich als zij dat willen met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter is onbevoegd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, krijgt verzoekster wel het betaalde griffierecht teruggestort door de griffier.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart zich onbevoegd;
- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoekster het griffierecht terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y Snoeren-Bos, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd de uitspraakte ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dat betrof een verzoek om een voorlopige voorziening met procedurenummer ARN 26/2661 gericht tegen het college van burgemeester en wethouders van Doetinchem.