Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4517

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
05/348990-24 ontneming
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak medeplegen telen hennep

De rechtbank Gelderland heeft op 9 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder werd vrijgesproken van medeplegen telen hennep maar veroordeeld voor andere feiten. De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van ruim € 819.000, later aangepast naar € 762.075,24, maar de rechtbank baseerde zich op verklaringen van veroordeelde en medeveroordeelde over huurinkomsten van een hennepkwekerij.

De rechtbank stelde de ontnemingsperiode vast op 22 weken, van 1 april tot 4 september 2024, en nam een huurbedrag van € 500 per week als uitgangspunt, wat resulteerde in een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van € 11.000. Kosten van Liander werden niet in mindering gebracht vanwege gebrek aan bewijs van betaling. Het bewijs bestond uit verklaringen afgelegd na mededeling van de cautie, die de rechtbank als betrouwbaar beschouwde.

De rechtbank wees het bewijsuitsluitingsverweer van de raadsman af en oordeelde dat de verklaringen bruikbaar waren. Veroordeelde werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het bedrag, met een maximale gijzelingstermijn van 110 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel van € 11.000,- op aan veroordeelde met hoofdelijke aansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer: 05/348990-24 (ontneming)
Datum uitspraak : 9 juni 2026
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde],
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
raadsman: mr. E.S.G. Roethof, advocaat in Amsterdam.

1.De inhoud van de vordering

De officier van justitie heeft schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 819.431,65.

2.De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en heeft gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt op € 762.075,24. De officier van justitie heeft gesteld dat de kosten van Liander, te weten € 57.356,41, in mindering moeten worden gebracht.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het daadwerkelijk genoten voordeel ontnomen dient te worden. Het gaat enkel om huuropbrengst. Er dient te worden uitgegaan van de verklaring van medeveroordeelde [medeveroordeelde] . De opbrengst van de huur is maximaal € 1.200,00. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat uit dient te worden gegaan van de verklaring van veroordeelde, te weten een huur van € 500,00 per maand. Dan is het genoten voordeel € 3.000,00. Van deze bedragen dienen de kosten van Liander van € 57.356,41 te worden afgetrokken. Het verkregen voordeel is dan € 0,00.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 9 juni 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde ter zake van (onder meer) het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand en een taakstraf voor de duur van 160 uren.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. [1]
Omdat de rechtbank veroordeelde vrijspreekt van het medeplegen van het telen van hennep, zal zij niet uitgaan van het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank de verklaringen van veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde] als uitgangspunt.
De ontnemingsperiode
De rechtbank stelt de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt berekend op grond van de in het strafvonnis bewezenverklaarde periode van - kort gezegd -het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep en de medeplichtigheid aan het medeplegen van diefstal stroom vast op (afgerond in het voordeel van veroordeelde) 22 weken. De rechtbank gaat uit van een periode van 1 april 2024 tot en met 4 september 2024.
Inkomsten
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren op 4 september 2024 bij de ontmanteling van de hennepkwekerij bij de woning van veroordeelde en haar partner [medeveroordeelde] . Nadat de cautie was medegedeeld, werden verbalisanten door de partner van veroordeelde naar de kwekerij gebracht. Vervolgens spraken verbalisanten met veroordeelde nadat zij haar mededeelden dat zij en haar partner als verdachte werden aangemerkt en wat dit voor hen betekende. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde dat veroordeelde dit begreep. Veroordeelde verklaarde tegen verbalisanten dat zij ongeveer een jaar eerder werden benaderd voor het huren van de schuur. In eerste instantie kregen zij € 200,00 per week. Toen de kwekerij groter werd kregen zij € 500,00 per week. [2]
Verbalisant [verbalisant 3] sprak op 4 september 2024 met [medeveroordeelde] , nadat hij hem de cautie mededeelde. [medeveroordeelde] verklaarde dat hij € 500,00 per week zou krijgen voor het verhuren van de ruimte van de hennepkwekerij. [3]
De raadsman heeft ter zitting bepleit dat de verklaringen die door veroordeelde en partner [medeveroordeelde] zijn afgelegd op 4 september 2024 uitgesloten dienen te worden van het bewijs, omdat hen de cautie niet is medegedeeld en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] niet ten spoedigste is ondertekend. De rechtbank stelt op basis van de bovenstaande bewijsmiddelen vast dat aan zowel veroordeelde als aan [medeveroordeelde] de cautie is medegedeeld. Dit is zelfs meerdere malen en door verschillende verbalisanten gedaan. Na het geven van de cautie hebben veroordeelde en [medeveroordeelde] verklaringen afgelegd. De rechtbank volgt het verweer van de raadsman niet en gebruikt de verklaringen dan ook voor het bewijs. Het verweer van de raadsman dat het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] te laat is ondertekend verwerpt de rechtbank ook. Dat het proces-verbaal is afgesloten op 14 oktober 2024 zegt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niets over de betrouwbaarheid van de informatie uit dit proces-verbaal. Het tijdsverloop is niet zo groot dat dit niet meer onder het vereiste “ten spoedigste” valt. De verklaring van veroordeelde ter terechtzitting dat zij minder huur ontving, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Veroordeelde heeft wisselend over de bedragen verklaard. De verklaring die zij direct na de ontmanteling heeft afgelegd, wordt ondersteund door de verklaring van [medeveroordeelde] . De rechtbank gaat daarom uit van die verklaringen.
De rechtbank stelt aldus vast dat zowel veroordeelde als [medeveroordeelde] verklaren over een huurbedrag van € 500,00 per week. Veroordeelde verklaart ook dat dit eerst een bedrag van € 200,00 was, maar dat dit een bedrag € 500,00 werd. Veroordeelde verklaart over een langere periode dan medeveroordeelde [medeveroordeelde] . De rechtbank gaat daarom uit van een huurbedrag van € 500,00 per week vanaf 1 april 2024.
Het totaal aan inkomsten is € 11.000,00 (€ 500,00 x 22 weken).
De kosten
Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben gesteld dat de kosten van Liander in mindering dienen te worden gebracht. In de aangifte van Liander wordt een bedrag genoemd van € 57.356,41. De rechtbank heeft geen factuur in het dossier aangetroffen. Daarnaast wordt de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting dat er al bedragen zijn betaald aan Liander niet onderbouwd met betalingsbewijzen. De rechtbank kan aldus niet vaststellen óf en zo ja, hoeveel betaald is aan Liander. Ook het daadwerkelijke te betalen bedrag kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank kan om die reden geen kosten vaststellen en gaat daarom uit van een bedrag van € 0,00 aan kosten.
Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel
Nu er geen kosten afgetrokken dienen te worden, stelt de rechtbank het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 11.000,00.
Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van € 11.000,00 en zal de rechtbank hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.
Hoofdelijkheid
De rechtbank heeft in de hoofdzaak bewezen verklaard dat de feiten door twee of meer personen zijn gepleegd. De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht en op de totstandkomingsgeschiedenis bij dit artikellid. In het bijzonder wijst de rechtbank daarbij op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting (
Kamerstukken II2006/07, 30841, nr. 3. p. 5):
“Hoofdelijke aansprakelijkheid komt aan de orde wanneer er geen of onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de toerekening van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de daders afzonderlijk, dan wel wanneer de mogelijkheid bestaat dat een van de daders een groter deel van het voordeel heeft genoten.”
In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin geen of onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de daders afzonderlijk. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te bepalen dat veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 11.000,00.
- legt de veroordeelde de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;
- verstaat dat de verplichting tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen indien en voor zover de medeveroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat;
- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering op 110 dagen.
Aldus gegeven door mr. J.M. Graat (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. S. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Wisseborn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2026.
De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024473176, gesloten op 13 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26-27.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, p. 34.