Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4515

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
AWB-26_2536
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verlaging WGA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om haar loongerelateerde WGA-uitkering per 24 juni 2026 om te zetten in een lagere WGA-vervolguitkering. Dit leidt tot een aanzienlijke daling van haar maandelijkse inkomen, waardoor zij stelt haar vaste lasten niet meer te kunnen betalen.

De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Verzoekster heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat zij geen alternatieve uitkeringen kan aanvragen, zoals een toeslag op haar WIA-uitkering of een aanvullende Participatiewet-uitkering. Ook blijkt niet dat zij een dergelijke aanvraag heeft ingediend.

Gelet op het ontbreken van een spoedeisend belang oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoekster de beslissing op bezwaar kan afwachten. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2536

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 14 april 2026, waarin is besloten de loongerelateerde WGA-uitkering per 24 juni 2026 om te zetten in een lagere WGA-vervolguitkering. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij deze rechtbank ingediend. Daarnaast heeft verzoekster aanvullende stukken ter onderbouwing van haar verzoek ingediend.
2. De voorzieningenrechter kan op grond van artikel 8:83, derde lid, van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) in een aantal gevallen uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter vindt in deze zaak een zitting niet nodig, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is. Hij legt dat hieronder verder uit.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.1.
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Met ingang van 24 juni 2026 wordt de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een lagere WGA-vervolguitkering. Het maandelijkse bruto-inkomen van verzoekster daalt van € 3.261,32 naar € 1.164,41. Dit is een acute, ingrijpende en onomkeerbare inkomensdaling. Verzoekster kan haar maandelijkse vaste lasten niet meer betalen.
3.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Verweerder stelt onder meer dat verzoekster een toeslag op haar WIA-uitkering kan aanvragen danwel een (aanvullende) Participatiewet-uitkering.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster een aanvraag voor een van deze uitkeringen heeft ingediend. Evenmin heeft verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij niet voor deze (aanvullende) uitkeringen in aanmerking komt. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat verzoekster het spoedeisende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening onvoldoende heeft onderbouwd en dat zij de beslissing op bezwaar kan afwachten.

Conclusie en gevolgen

4. Nu een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.