ECLI:NL:RBGEL:2026:4507

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
C/05/462069 / FA RK 26-208
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1:377a BWArt. 9 lid 3 IVRKArt. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek omgangsregeling wegens ontbreken nauwe persoonlijke betrekking

De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen met [kind 1], een kind van zijn ex-partner, met wie hij in 2022-2023 samenwoonde. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en het kind, mede omdat de samenwoning relatief kort was en het kind toen nog een peuter was. Sinds begin 2024 is er geen structureel contact meer geweest.

De rechtbank benadrukte dat het recht op omgang niet automatisch ontstaat door een korte periode van samenwonen, zeker niet bij jonge kinderen die mogelijk vaker nieuwe partners van hun ouders zullen ontmoeten. De man kon onvoldoende aantonen dat hij een volwaardige vaderrol vervulde in de verzorging en opvoeding van het kind.

Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard en is niet inhoudelijk op de omgangsregeling ingegaan. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank verwierp het verweer van de ouders dat de procedure misbruikt werd om contact met de moeder te houden, omdat daarvoor onvoldoende bewijs was.

Uitkomst: Verzoek tot omgangsregeling met het kind wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van nauwe persoonlijke betrekking.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/462069 / FA RK 26-208
Datum uitspraak: 9 juni 2026
beschikking omgangsregeling
in de zaak van
[naam man], hierna de man,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M.P. Gerrits uit Wijchen ,
tegen
[naam vrouw], hierna de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
mr. L.C.G.M. Joosten uit Nijmegen,
en
[naam vader], hierna de vader,
wonende in [woonplaats] ,
mr. L.C.G.M. Joosten uit Nijmegen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van de man, ontvangen op 9 januari 2026;
- het verweerschrift van de ouders, ontvangen op 24 april 2026.
1.2.
De minderjarige [kind 2] heeft op 7 mei 2026 met de kinderrechter gesproken over het
verzoek.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling van 8 mei 2026 zijn gehoord:
- de man, bijgestaan door mr. M.M.P. Gerrits;
- de ouders, bijgestaan door mr. L.C.G.M. Joosten;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van
[naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . Zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. [kind 1] woont bij de moeder.
2.2.
De man is de vader van
[naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . [kind 2] woont de ene week bij de man en de andere week bij haar moeder.
2.3.
De man en de moeder hebben in 2022 en 2023 samengewoond. [kind 1] en [kind 2] maakten deel uit van hun gezin. Zij zijn in januari 2024 uit elkaar gegaan en de moeder heeft in maart 2024 een eigen woning gekregen. De man en de moeder hebben daarna een knipperlichtrelatie gehad, maar niet meer samengewoond. Zij hebben in die periode af en toe gezamenlijk uitstapjes gemaakt en verjaardagen gevierd en bleven soms met de kinderen bij elkaar slapen. In april 2025 zijn zij definitief uit elkaar gegaan. Er heeft toen geen structureel contact meer plaatsgevonden tussen de man en [kind 1] . De man heeft [kind 1] in november 2025 voor het laatst gezien bij de BSO toen hij op school was voor zijn dochter [kind 2] en haar daar tegenkwam.
2.4.
[kind 1] verblijft om de week van vrijdag tot en met zondag bij haar vader en in onderling overleg vaker.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een omgangsregeling vast te stellen tussen de man, [kind 2] en [kind 1] inhoudende dat omgang zal plaatsvinden eenmaal per twee weken op een doordeweekse dag - bij voorkeur op dinsdag vanwege de zwemles van [kind 1] – vanuit school (de man haalt [kind 1] van school) tot 16.30 uur (de man brengt [kind 1] naar de moeder in verband met zwemles), dan wel 18.15 uur wanneer [kind 1] geen zwemles meer heeft (de man brengt [kind 1] terug naar de moeder), dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht;
II. met compensatie van de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3.2.
De ouders voeren verweer. Zij verzoeken de verzoeken van de man af te wijzen en een proceskostenveroordeling toe te kennen.

4.De beoordeling

Wettelijk kader
4.1.
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders én met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
Dit recht wordt gewaarborgd door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) neemt beslissingen in zaken van burgers tegen lidstaten van de Raad van Europa. Lidstaten moeten de rechten van de burgers, zoals het recht op
family lifeuit artikel 8 EVRM Pro, voldoende beschermen. Net als de Nederlandse rechter toetst het EHRM aan de hand van de concrete omstandigheden in een zaak of er
sufficiently close family tiesoftewel nauwe persoonlijke betrekkingen zijn.
4.2.
Voor het kind, is dit recht ook vervat in artikel 9 lid 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 lid 3 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan op grond van artikel 1:377a BW een omgangsregeling vaststellen tussen een kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
4.3.
Op grond van artikel 1:377a lid 1 BW heeft een minderjarige recht op omgang met degene die een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staat, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:
  • omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de minderjarige;
  • degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang;
  • de minderjarige dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken;
  • indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarige.
Ontvankelijkheid
4.4.
De rechtbank moet eerst beoordelen of er tussen de man en [kind 1] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking (of family life) is biologisch of juridisch ouderschap geen vereiste. Dat de man niet de vader is van [kind 1] , vormt dus geen belemmering voor het eventueel vaststellen van een regeling.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van family life tussen de man en [kind 1] en zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. De rechtbank wijkt hiermee af van het advies van de Raad. De rechtbank zal deze beslissing uitleggen.
4.6.
De man heeft gedurende ongeveer 2 jaar samen met de moeder en [kind 1] in gezinsverband samengeleefd. [kind 1] had (en heeft) om het weekend omgang met haar vader. Zij verbleef dus het grootste deel van de tijd bij de man en haar moeder. Partijen zijn verdeeld over de vraag welk deel van de verzorging en opvoeding van [kind 1] de man gedurende de samenwoning op zich nam.
4.7.
Volgens de man nam hij een volwaardige vaderrol in, waarin de dagelijkse routine en zorgtaken als het eten, verzorgen, naar bed brengen en halen en brengen samen werd gedaan. De moeder betwist dit en stelt dat het grootste deel van de zorgtaken bij haar lag. Er werd voor het hele gezin gekookt en gezamenlijk gegeten, maar dit is volgens haar onvoldoende om te spreken van family life. Er was sprake van een band tussen de man en [kind 1] omdat zij in hetzelfde huis woonden, maar na het verbreken van de relatie is dat ook weer weggeëbd. [kind 1] was op dat moment ook nog erg jong.
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [kind 1] . De man heeft maar een relatief korte periode in gezinsverband met [kind 1] samengeleefd. [kind 1] was in die periode nog een peuter, dus nog erg jong. Bovendien is er sinds begin 2024 geen structureel contact meer geweest tussen de man en [kind 1] . De rechtbank begrijpt dat de man en zijn dochter [kind 2] , [kind 1] missen omdat zij een periode onderdeel hebben uitgemaakt van hetzelfde gezin. Maar deze periode is te kort om een recht op omgang op te leveren. [kind 1] is nog jong en zij zal in haar leven mogelijk nog vaker geconfronteerd worden met nieuwe partners van haar ouders met wie zij al dan niet voor langere tijd in hetzelfde huis woont. Daarmee ontstaat niet zonder meer een nauwe persoonlijke betrekking en daarmee een recht op omgang. Dat is ook begrijpelijk, want dat zou tot gevolg hebben dat een kind met meerdere omgangsregelingen en opvoedsituaties geconfronteerd zou worden.
4.9.
De man heeft onvoldoende onderbouwd dat er in zijn geval sprake is van bijkomstige omstandigheden, bijvoorbeeld doordat hij een groot aandeel had in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind 1] . De moeder heeft namelijk gesteld dat die taken bij haar lagen.
Omgangsregeling
4.10.
Omdat de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om een omgangsregeling te treffen
.
Proceskosten
4.11.
De rechtbank zal de proceskosten compenseren, zoals de man heeft verzocht. Dat betekent dat iedereen de eigen proceskosten draagt. De rechtbank wijst het verzoek van de ouders om de man te veroordelen in de proceskosten af. De rechtbank zal dit uitleggen.
4.12.
De ouders stellen dat de man misbruik maakt van recht door deze procedure te starten, terwijl er al langere periode geen contact meer is en de man weet dat zij het niet eens zijn met zijn verzoek. Zij vermoeden dat de man deze procedure gebruikt om contact te houden met de moeder, omdat hij haar niet kan loslaten. De moeder benoemt dat hij vaker voor haar deur verschijnt en er daarom op 12 december 2025 een stopgesprek heeft plaatsgevonden met de wijkagent.
4.13.
De man betwist dit. Volgens hem is de wijkagent enkel langs geweest om zijn versie van het verhaal te horen. Volgens hem is de inhoud van dat gesprek op geen enkele manier aan te merken als een stopgesprek. De man doet het verzoek omdat hij [kind 1] mist en hij ook aan [kind 2] merkt dat zij [kind 1] mist.
4.14.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van stalkend gedrag vanuit de man en hij deze procedure gebruikt om met haar in contact te komen of te blijven
.Uit bijlage 2 van het verweerschrift blijkt enkel dat er op 12 december 2025 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de wijkagent en de man, maar hierin staat niets over de aanleiding of de inhoud van het gesprek.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaard de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
5.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.