ECLI:NL:RBGEL:2026:4500

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 3228
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak op bezwaar en vermindering verzuimboete in belastingzaak box 3

Belanghebbende diende bezwaar in tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, inclusief een verzuimboete en de heffing in box 3. De inspecteur besloot alleen op het bezwaar tegen de boete en verklaarde het bezwaar tegen box 3 niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd maar te hoog, en vermindert deze tot €150.

Daarnaast is de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd omdat de inspecteur niet heeft beslist op het bezwaar tegen de box 3-heffing, wat een schending van het motiveringsbeginsel oplevert. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze niet op het box 3-bezwaar ingaat.

De zaak wordt terugverwezen naar de inspecteur om opnieuw te beslissen over het bezwaar tegen de box 3-heffing met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden. Er zijn geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar wegens onvoldoende motivering over box 3 en vermindert de verzuimboete tot €150.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3228

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen/Centrale Administratie, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 juni 2025.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.903 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 6.821.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 59 belastingrente vergoed (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].

Feiten

1. Belanghebbende heeft op 5 december 2023 een aangifte IB/PVV 2022 ingediend.
2. De inspecteur heeft op 26 januari 2024 een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd overeenkomstig de aangifte.
3. Op 7 maart 2025 heeft de inspecteur de definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Daarbij is afgeweken van de aangifte. Tegelijk met de aanslag heeft de inspecteur een verzuimboete opgelegd.
4. Belanghebbende heeft op 27 maart 2025 twee bezwaarformulieren ingediend bij de inspecteur. In het eerste bezwaarformulier maakt hij bezwaar tegen de opgelegde verzuimboete. In het tweede bezwaarformulier maakt hij bezwaar tegen de heffing in box 3.
5. De inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar van 5 juni 2025 alleen beslist op het bezwaar tegen de opgelegde verzuimboete. Op het bezwaar tegen de heffing in box 3 heeft de inspecteur niet beslist.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd en of de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
7. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete wel terecht is opgelegd, maar tot een te hoog bedrag en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?
8. Partijen zijn tijdens de zitting overeengekomen dat de boete moet worden verlaagd tot € 150. Reeds hierom is het beroep gegrond.
Is de motivering van de uitspraak op bezwaar voldoende?
9. Belanghebbende is van mening dat de box 3-heffing in strijd is met Europees recht. De inspecteur is in zijn uitspraak op bezwaar niet ingegaan op dit bezwaarpunt van belanghebbende.
10. De inspecteur erkent dat in de uitspraak op bezwaar ten onrechte niet is ingegaan op het bezwaar van belanghebbende met betrekking tot de box 3-heffing. De inspecteur concludeert tot een gegrond beroep op dit punt en verzoekt tot terugwijzing van de zaak.
11. De rechtbank is van oordeel dat het motiveringsbeginsel is geschonden. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar daarom vernietigen voor zover daarin niet is beslist op de bezwaren van belanghebbende met betrekking tot de box 3-heffing.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank ziet op grond van de gedingstukken geen mogelijkheid om zelf inhoudelijk in de zaak te voorzien en wijst de zaak daarom terug naar de inspecteur zodat deze opnieuw op het bezwaar van belanghebbende kan beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Voor zover het de boete betreft zal de rechtbank direct zelf in de zaak voorzien. [1]
13. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Er is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de verzuimboete tot € 150;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover het de boete betreft;
- draagt de inspecteur op voor het overige een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht.