Beoordeling door de rechtbank
14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019, de revisierentebeschikking en de belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
15. In geschil is of sprake is van het prijsgeven van de pensioenrechten en stamrechtverplichtingen en of sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Meer in het bijzonder is in geschil of Beheermaatschappij in 2019 is opgehouden te bestaan als gevolg van het uitgeschreven zijn van Beheermaatschappij uit het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel.
16. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de stukken blijkt dat Beheermaatschappij niet is ontbonden, maar “[naam bedrijf] B.V.” Volgens belanghebbende heeft de Kamer van Koophandel op eigen initiatief Beheermaatschappij ontbonden, waardoor er geen sprake is van prijsgeven van de pensioenaanspraak en de stamrechtaanspraak. Belanghebbende verwijst naar een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, waarin staat dat Beheermaatschappij (ook) staat ingeschreven onder het nummer [nummer 1]. Mocht al sprake zijn van prijsgeven van rechten, dan dienen die rechten te worden verrekend met de vordering in rekening-courant die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft. Volgens belanghebbende is er ook geen sprake van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
17. De inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van prijsgeven van de pensioenaanspraak en de stamrechtverplichting. Belanghebbende heeft de ontbinding van Beheermaatschappij zelf geïnitieerd door formulier 17a bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel in te dienen. “[naam bedrijf] B.V.” komt niet voor in het handelsregister en kan daardoor niet zijn ontbonden. Dat Beheermaatschappij ook stond ingeschreven onder het nummer [nummer 1] doet niets af aan het voorgaande. De inspecteur is verder van mening dat sprake is van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang.
18. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is Beheermaatschappij opgehouden te bestaan?
19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht stelt dat Beheermaatschappij door belanghebbende is ontbonden. Tot de stukken van het geding (bijlage 21 bij het verweerschrift) behoort een formulier 17a dat bij de Kamer van Koophandel kan worden ingediend om door te geven dat een rechtspersoon is ontbonden. Uit het formulier volgt dat het formulier op 20 november 2019 is binnengekomen bij de Kamer van Koophandel en op 22 november 2019 is ingeschreven in het Handelsregister. Het formulier staat op naam van [naam bedrijf] met nummer [nummer 2]. In het formulier staat dat de rechtspersoon is ontbonden op 15 november 2019 en dat er geen baten zijn. Belanghebbende is vermeld als bewaarder van de boeken en heeft het formulier ondertekend. De stelling van belanghebbende dat niet Beheermaatschappij maar [naam bedrijf] is ontbonden wordt verworpen, omdat [naam bedrijf] de handelsnaam van Beheermaatschappij is, met het nummer [nummer 2]. [naam bedrijf] en Beheermaatschappij zijn dezelfde entiteiten. De ontbinding van “[naam bedrijf]” is dus tevens de ontbinding van Beheermaatschappij. Dat Beheermaatschappij ook onder nummer [nummer 1] bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven is niet relevant, omdat dit nummer al in 1997 is uitgeschreven, onder dit nummer geen activiteiten bekend zijn en waren en het formulier 17a betrekking heeft op nummer [nummer 2]. Tenslotte is van belang dat in de jaarrekeningen en jaarverslagen nummer [nummer 2] expliciet staat vermeld en belanghebbende er zelf kennelijk ook vanuit ging dat Beheermaatschappij was ontbonden, omdat voor de jaren na 2019 door Beheermaatschappij geen aangiften vennootschapsbelasting meer zijn ingediend.
Zijn de pensioenaanspraak en de aanspraak op een stamrechtuitkering terecht als inkomen uit vroegere dienstbetrekking in aanmerking genomen?
20. Op grond van artikel 38n, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) blijft onder meer artikel 19b, alsmede de daarop gebaseerde bepalingen, zoals die artikelen luidden op 31 december 2016 van toepassing.
21. Artikel 19b, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) luidt als volgt (tekst 2016):
“Ingeval op enig tijdstip:
a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling niet langer als zodanig is aan te merken;
b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid, anders dan ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990, wordt;
c. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling waarvan als verzekeraar optreedt een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdelen d of e, dan wel een lichaam als bedoeld in artikel 36b, wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is;
d. de zekerheidstelling wordt beëindigd door de werknemer of de gewezen werknemer die zich op grond van artikel 19a, eerste lid, onderdeel f, heeft verplicht deze zekerheid te stellen;
wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak.”
22. De waarde van de aanspraak ingevolge een pensioenregeling dient te worden gesteld op het bedrag dat bij een derde zou moeten worden gestort om de aanspraak te dekken (artikelen 13, zesde lid, van de Wet LB en 3.12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011.
23. De inspecteur heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de pensioenaanspraak, de aanspraak op een stamrechtuitkering en daarmee de pensioenregeling ten gevolge van de ontbinding van Beheermaatschappij is prijsgegeven. Anders dan belanghebbende stelt, worden deze aanspraken niet verrekend met de vordering die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft. Juist omdat Beheermaatschappij in 2019 een vordering op belanghebbende heeft die hoger is dan de commerciële waarde van de aanspraken, zijn de aanspraken voor verwezenlijking vatbaar en worden deze aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking. De inspecteur is ook terecht uitgegaan van de waarde in het economisch verkeer van de aanspraken.
Is terecht revisierente in rekening gebracht?
24. In artikel 30i, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“1. Met betrekking tot de inkomstenbelasting wordt rente – revisierente – verschuldigd indien:
a. door de toepassing van artikel 19b, eerste of tweede lid, eerste volzin, van de Wet op de loonbelasting 1964 (…) de aanspraak ingevolge een pensioenregeling tot het loon wordt gerekend;
(…)
2. De revisierente bedraagt 20 percent van de waarde in het economische verkeer van aanspraken als bedoeld in het eerste lid.
(…)”.
25. De inspecteur heeft de waarde in het economisch verkeer van de pensioenverplichting berekend op € 3.894.086. De inspecteur heeft (na vermindering van de revisierentebeschikking bij uitspraak op bezwaar) € 778.817 revisierente over de pensioenaanspraak in rekening gebracht, ofwel 20% van € 3.894.083. Belanghebbende heeft de waarde van de aanspraak en het in rekening brengen van deze revisierente niet betwist.
26. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het oordeel in punt 23., de revisierente over de prijsgegeven pensioenaanspraak juist is berekend, omdat de feiten vaststaan en de wet duidelijk is. Belanghebbende heeft hier ook geen afzonderlijke beroepsgrond tegen gericht.
Is sprake van een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang?
27. Tot het inkomen uit aanmerkelijk belang behoren voordelen die worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen (reguliere voordelen), verminderd met de aftrekbare kosten.Tot de reguliere voordelen behoren ook onttrekkingen die als winstuitdeling zijn aan te merken. Onder omstandigheden kan een geldlening die een vennootschap verstrekt aan haar aandeelhouder als een onttrekking worden aangemerkt.
28. In zijn arrest van 13 januari 2023(het arrest) heeft de Hoge Raad in dat verband onder meer overwogen (met weglating van de voetnoten):
“3.4.2
Geldmiddelen die een vennootschap ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, moeten op het moment van hun verstrekking worden aangemerkt als een onttrekking indien op dat moment vaststaat of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geleende gelden niet kan of zal aflossen. In dat geval moet namelijk worden aangenomen dat die gelden op het moment van verstrekking daarvan het vermogen van de vennootschap definitief hebben verlaten en tot het vermogen van de aandeelhouder zijn gaan behoren op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Dit wordt niet anders indien de mogelijkheid bestaat dat die gelden in de toekomst worden verrekend met een dividenduitkering van de vennootschap.
3.4.3
Ook na het moment waarop een vennootschap gelden ter leen aan haar aandeelhouder heeft verstrekt, bestaat de mogelijkheid dat het bedrag ervan geheel of gedeeltelijk een onttrekking gaat vormen. Dat is het geval indien dat bedrag het vermogen van de vennootschap definitief heeft verlaten doordat de vennootschap rechten die haar als crediteur toekomen, geheel of gedeeltelijk prijsgeeft op grond van de met de aandeelhouder bestaande vennootschappelijke betrekkingen. De onttrekking vindt dan plaats op het moment van dit prijsgeven. Indien de vennootschap ook zonder die betrekkingen zulke rechten zou hebben prijsgegeven, maar tot een lager bedrag, vindt slechts een onttrekking plaats voor zover het prijsgegeven bedrag dit lagere bedrag overtreft.
3.4.4
Indien en voor zover een onttrekking als hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoeld kon plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst, kan zij onder omstandigheden een winstuitdeling door de vennootschap aan de aandeelhouder zijn. Die vereiste omstandigheden zijn: (a) dat de vermogensverschuiving naar de aandeelhouder is geschied met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen, en (b) dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van niet alleen die vermogensverschuiving maar ook van die bevoordelingsbedoeling. Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving.
3.4.5
De inspecteur die zich op het standpunt stelt dat een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal de feiten en omstandigheden moeten stellen en – in geval van betwisting – aannemelijk moeten maken die meebrengen dat en in hoeverre een bedrag definitief is onttrokken aan het vermogen van de vennootschap en dat bovendien is voldaan aan de hiervoor in 3.4.4 vermelde vereisten.
(…).
29. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag een bedrag van € 193.322 als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen, omdat belanghebbende geen rente heeft betaald over zijn schuld van € 4.598.233 aan Beheermaatschappij, terwijl een rentepercentage van 5% is overeengekomen. De rente is ook niet door Beheermaatschappij in de aangifte 2019 tot de baten gerekend.
30. De bestuurder heeft in het formulier 17a vermeld dat Beheermaatschappij geen baten meer heeft, terwijl de inspecteur stelt dat Beheermaatschappij nog wel nog recht had op een rentevergoeding ten bedrage van € 193.322. Het vermoeden is dan gerechtvaardigd dat het recht op de rentevergoeding is prijsgegeven voorafgaand aan de ontbinding en daarom geen bate meer bestond ten tijde van het besluit tot ontbinding door middel van formulier 17a. Belanghebbende heeft niets gesteld dat dit vermoeden ontzenuwt. De aandeelhouder, te weten belanghebbende, is hierdoor bevoordeeld. Gelet op het feit dat de overeenkomst met daarin onder meer het rentepercentage, is gesloten tussen de vennootschap en belanghebbende, is aannemelijk dat zowel belanghebbende als Beheermaatschappij zich van de bevoordeling bewust moeten zijn geweest. Belanghebbende heeft dit overigens ook niet betwist. Omdat sprake is van voldoende winstreserves, is sprake van een winstuitdeling en daarmee van een voordeel uit aanmerkelijk belang. De stelling dat de prijsgegeven rechten dienen te worden verrekend met de vordering in rekening-courant die Beheermaatschappij op belanghebbende heeft, kan belanghebbende niet baten. Juist door de (mogelijkheid van) verrekening is de schuld namelijk voor verwezenlijking vatbaar, zodat de correctie ook juist is als wordt verrekend met de schuld. Daarbij is van belang dat niet bruto dient te worden verrekend, maar netto. De tegen deze correctie gerichte beroepsgronden falen daarom.
31. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking.