ECLI:NL:RBGEL:2026:4421

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
12001656
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:34 BWArt. 6:37 BWArt. 6:58 BWArt. 6:61 lid 2 BWArt. 6:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor ondeugdelijke schoorsteenrevisie en loodwerk onder dakkapel

In februari 2023 heeft de aannemer de schoorsteen van de woning van eiser gereviseerd en in oktober 2023 aanvullende dakwerkzaamheden, waaronder het vervangen van lood onder de dakkapel, uitgevoerd. Eiser betaalde hiervoor deels contant en deels per bank. Na oplevering constateerde eiser gebreken zoals lekkages en ondeugdelijk aangebracht lood, bevestigd door diverse deskundigen en bouwkundige rapporten.

De aannemer betwistte de gebreken en stelde dat lekkages ook door mos konden zijn veroorzaakt en dat het lood correct was aangebracht. De rechtbank oordeelde dat de aannemer tekort is geschoten omdat de schoorsteen ondanks revisie niet vochtdicht was en het lood onder de dakkapel niet correct was geplaatst. De aannemer had de werkzaamheden opgeleverd en geen herstel verricht na klachten.

Eiser stelde de vordering om tot vervangende schadevergoeding over te gaan wegens verzuim van de aannemer. De rechtbank verwierp het verweer van crediteurenverzuim en stelde vast dat de aannemer in verzuim was. De schadevergoeding werd vastgesteld op €3.620,00, gebaseerd op een factuur van een derde partij die het herstel uitvoerde. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen.

In reconventie betwistte eiser dat hij nog een bedrag van €3.000,00 aan de aannemer verschuldigd was, stellende dat hij dit contant aan een medewerker had betaald. De rechtbank achtte deze betaling voorshands bewezen geacht en gaf de aannemer gelegenheid tot tegenbewijs. De zaak wordt voortgezet met bewijslevering en getuigenverhoor.

Uitkomst: De aannemer is tekortgeschoten en veroordeeld tot betaling van vervangende schadevergoeding van €3.620,00 plus incassokosten en proceskosten; contante betaling van €3.000,00 wordt voorlopig bewezen geacht.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 12001656 \ CV EXPL 25-3334
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: D.B. Bassant (ARAG Rechtsbijstand).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 februari 2026,
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In februari 2023 heeft [gedaagde] onder meer de schoorsteen van de voormalige woning van [eiser] (hierna: de woning) en de schoorstenen van twee nabijgelegen woningen gereviseerd. [eiser] heeft voor het deel dat betrekking heeft op de schoorsteen € 1.264,45 aan [gedaagde] betaald.
2.2.
In oktober 2023 zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] nog een aantal aanvullende werkzaamheden aan het dak van de woning zou gaan verrichten, waaronder het vervangen van het lood rondom de dakkapel. Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] daarvoor een bedrag van € 4.915,88 aan [gedaagde] zou betalen, deels contant (€ 3.600,00) en deels per bank (€ 1.315,88).
2.3.
In december 2023 is (een medewerker van) [gedaagde] gestart met de uitvoering van de aanvullende werkzaamheden aan het dak van de woning.
2.4.
Op 29 december 2023 heeft de kleinzoon en tevens medewerker van [gedaagde] , [kleinzoon/werknemer] (hierna: [werknemer] ), per WhatsApp aan [eiser] een foto van de schoorsteen van de woning doorgestuurd en daarover aan hem bericht:
“Als je inzoomt kun je wel zien dat dit verder geen topwerk is lood is in kleurtje gespoten
voegwerk zit er heel slecht in van afstand lijkt die heel mooi maar is niet zo heel mooi”
2.5.
Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [gedaagde] de schoorsteen op eigen kosten opnieuw zal reviseren.
2.6.
Op 18 januari 2024 om 07.45 uur heeft [werknemer] aan [eiser] per WhatsApp bericht:
“3000 contant betaald dak”.
2.7. 18
januari 2024 om 08.01 uur heeft [eiser] per WhatsApp aan [gedaagde] bericht:
“3000 is betaald aan [kleinzoon/werknemer] ”
Daarop heeft [gedaagde] op dezelfde dag aan [eiser] geantwoord:
“Dank je wel ”
2.8.
Op 31 mei 2024 heeft [werknemer] aan [eiser] bericht per WhatsApp:
“Ter bevestiging 600 contant voldaan”.
2.9.
Bij factuur van 31 mei 2024 heeft [gedaagde] het door partijen afgesproken bedrag van € 1.315,88 (incl. btw) aan [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft dit bedrag betaald.
2.10.
In oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] onder meer bericht dat de schoorsteen niet correct is gereviseerd en dat sprake is van lekkages. [eiser] heeft [gedaagde] in de maanden oktober, november, december 2024 en januari 2025 herhaaldelijk gevraagd om tot herstel over te gaan.
2.11.
Op 11 oktober 2024 heeft een medewerker van [bedrijf 1] aan [eiser] bericht:
“de schoorsteen is helemaal niet goed gegaan en verkeert ook nu in slechte staat.
De loodslappen zijn niet vernieuwd en niet goed bevestigd. De voegen zijn er niet uitgeslepen maar slechts deels uitgehakt voor de rest blijven zitten en over gevoegd. De dekplaat is niet nieuw.”
2.12.
[eiser] heeft de woning verkocht. Op 6 november 2024 heeft Perfectkeur in verband met deze verkoop een bouwkundig onderzoek aan de woning verricht. In het hiervan opgestelde rapport is onder meer vermeld:
“(…)Lood komt los onder kozijn / zijwang
Meerder loodwerk komt los onder het kozijn/de zijwand. Hier is meestal geen eenvoudig herstel mogelijk en moet nieuw lood worden aangebracht. Een dergelijke vervanging van lood is zeer arbeidsintensief en is dus een ingrijpende operatie. Het deel arbeidskosten om dit te realiseren is zeer fors.
(…)”
2.13.
Aan de binnenkant van de woning is waterschade ontstaan. [eiser] heeft dit gemeld aan zijn verzekeraar (SNS Verzekeringen Particulier). Op 29 november 2024 heeft Qbuild Calamiteiten Herstel BV in opdracht van deze verzekeraar onderzoek gedaan. Zij heeft geconstateerd dat er actieve lekkages in de schoorsteen en het plafond van de badkamer zitten. In de werkomschrijving is vermeld:
“Vochtmeting gedaan en het is nog zeiknat.”
2.14.
Op 9 januari 2025 heeft Qbuild wederom een vochtmeting gedaan en het volgende geconstateerd:
“de schoorsteen aan de dakkant is nog nat de rest is droog”
2.15.
Op 27 januari 2025 heeft [eiser] per e-mail aan [gedaagde] bericht dat de gebreken aan de schoorsteen en het lood onder de dakkapel niet binnen redelijke termijn zijn hersteld en dat hij de kosten om het werk aan een andere partij uit te besteden, op [gedaagde] zal gaan verhalen.
2.16.
In de week van 5 februari 2025 heeft [bedrijf 2] de schoorsteen gerenoveerd en het loodwerk onder de dakkapel vervangen. Daarvoor heeft [bedrijf 2] een bedrag van in totaal € 3.620,00 (incl. btw) aan [gedaagde] in rekening gebracht.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.620,00 aan hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente en € 589,27 aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van de proceskosten en de nakosten.
in reconventie
3.2.
[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.000,00 aan hoofdsom en € 425,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, alles vermeerderd met wettelijke rente, en [gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
in conventie en in reconventie
3.3.
Partijen voeren over en weer verweer.
[gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
[eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
De kern van het geschil in conventie is de vraag of [gedaagde] een vervangende schadevergoeding ter hoogte van € 3.620,00 aan [eiser] is verschuldigd.
4.2.
Beoordeeld moet daarom worden of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst.
4.3.
[eiser] stelt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming omdat [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht. [gedaagde] heeft in de eerste plaats de schoorsteen niet correct gereviseerd omdat lekkages actief zijn in de schoorsteen. Daarnaast heeft [gedaagde] het lood onder de dakkapel niet correct geplaatst, aldus [eiser] .
4.4.
[gedaagde] betwist dat er causaal verband bestaat tussen de lekkages in de schoorsteen en de door hem uitgevoerde werkzaamheden. De lekkages kunnen volgens [gedaagde] ook zijn veroorzaakt door de aanwezigheid van mos dat na de revisie op de schoorsteen is gaan groeien. Het lood onder de dakkapel is, zo stelt [gedaagde] , wel degelijk goed aangebracht door [gedaagde] . Dit lood is veel nieuwer en netter dan het oude lood dat voorafgaand aan de werkzaamheden onder de dakkapel zat, aldus [gedaagde] .
4.5.
Waar het [eiser] is die stelt dat [gedaagde] de werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht, ligt het, gelet op de betwisting van die stelling door [gedaagde] , op zijn weg die stelling te onderbouwen. [eiser] heeft daartoe diverse stukken overgelegd, waaronder een bericht van 11 oktober 2024 van [bedrijf 1] (zie hiervoor 2.11.), een deel van het bouwkundig rapport van 6 november 2024 van Perfect Keur (zie hiervoor 2.12.) en twee werkbonnen van 29 november 2024 en 9 januari 2025 van Qbuild (zie hiervoor 2.13. en 2.14.). Volgens [gedaagde] moeten deze bevindingen buiten beschouwing worden gelaten omdat het eenzijdige ‘partijrapporten’ zijn en het beginsel van hoor- en wederhoor niet is gewaarborgd.
Dit verweer slaagt niet. Weliswaar zijn [bedrijf 1] , Perfect Keur en Qbuild aan te merken als partijdeskundigen maar dit maakt niet dat hun bevindingen niet kunnen dienen ter onderbouwing van de door [eiser] gestelde gebreken in het werk. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] niet is gehoord. Voor het buiten beschouwing laten van deze bevindingen wordt dan ook geen aanleiding gezien.
4.6.
Eerst zal worden beoordeeld of [gedaagde] de werkzaamheden met betrekking tot de revisie van de schoorsteen al dan niet deugdelijk heeft verricht. Hierbij wordt vooropgesteld dat het, anders dan [gedaagde] meent, niet gaat om de vraag of
als gevolg vande revisiewerkzaamheden lekkages in de schoorsteen zijn ontstaan maar juist om de vraag of
ondanksde revisiewerkzaamheden lekkages in de schoorsteen actief zijn. Eén van de onderdelen van een schoorsteenrevisie was immers het vochtdicht maken van de schoorsteen. Niet gesteld of gebleken is dat partijen in dat geval hierop een uitzondering hebben gemaakt.
4.7.
Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [gedaagde] de schoorsteen in februari 2023 heeft gereviseerd en dat een medewerker van [gedaagde] in december 2023 heeft geconstateerd dat die revisie niet deugdelijk is uitgevoerd. [gedaagde] heeft vervolgens in of omstreeks mei 2024 de schoorsteen op eigen kosten opnieuw gereviseerd. Niet in geschil is dat in november 2024, dus zes maanden na de tweede revisie van de schoorsteen, door Qbuild actieve lekkages in de schoorsteen zijn geconstateerd. De schoorsteen is dus – ondanks de revisie – niet vochtdicht. De werkzaamheden op dit onderdeel zijn derhalve niet correct uitgevoerd. Dit wordt ook bevestigd door het bericht van 11 oktober 2024 van [bedrijf 1] . Deze schrijft dat de schoorsteen in slechte staat verkeert en dat onder meer de loodslabben niet goed zijn bevestigd. [gedaagde] heeft de juistheid van deze bevindingen in het algemeen betwist maar heeft die betwisting niet inhoudelijk toegelicht of met stukken onderbouwd. De enkele niet nader toegelichte stelling van [gedaagde] dat de lekkage kan zijn ontstaan door mos, is daarvoor in elk geval niet genoeg. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat [gedaagde] de werkzaamheden met betrekking tot de revisie van de schoorsteen niet correct heeft uitgevoerd. Dit maakt dat [gedaagde] dit onderdeel van de werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd.
4.8.
Vervolgens is de vraag aan de orde of [gedaagde] het lood onder de dakkapel al dan niet correct heeft aangebracht. [eiser] heeft ter onderbouwing van de stelling dat dit niet het geval is, een deel van het bouwkundig rapport van 6 november 2024 van Perfect Keur overgelegd. Daarin schrijft Perfect Keur dat het lood loskomt onder het kozijn/de zijwand van de dakkapel en dat er nieuw lood moet worden aangebracht. Bij deze beschrijving is een foto van het lood en de dakkapel weergeven. Daarop is te zien dat er over een groot deel van de breedte van de dakkapel een opening tussen het lood en de dakkapel zit. Dit blijkt ook uit de foto’s die [eiser] als productie 14 (pagina 3) heeft overgelegd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de werkzaamheden op dit punt nog niet had afgerond en dat hij nog kit moest aanbrengen. Dit verweer slaagt niet. [gedaagde] heeft immers al in mei 2024 de eindfactuur voor de verrichte werkzaamheden aan [eiser] verzonden en heeft hierna geen werkzaamheden meer verricht aan de dakkapel of aangekondigd dit nog te zullen doen, ook niet nadat [gedaagde] vanaf november 2024 met betrekking tot dit punt herhaaldelijk om herstel heeft gevraagd. Aangenomen wordt daarom dat [gedaagde] de werkzaamheden in mei 2024 heeft afgerond en het werk heeft opgeleverd. Uitgangspunt is dan ook dat [gedaagde] het lood onder de dakkapel niet correct heeft aangebracht en dat de werkzaamheden dus ondeugdelijk zijn uitgevoerd.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenissen uit de overeenkomst.
4.10.
[eiser] hij heeft per e-mail van 27 januari 2025 de vordering tot nakoming omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding als bedoeld in artikel 6:87 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van dit artikel wordt de verbintenis tot nakoming omgezet in een vervangende schadevergoeding wanneer de schuldenaar (in dit geval [gedaagde] ) in verzuim is en de schuldeiser (in dit geval [eiser] ) hem schriftelijk mededeelt dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Partijen verschillen van mening over de vraag of [gedaagde] in verzuim verkeert. Daarover wordt overwogen als volgt.
4.11.
[gedaagde] voert aan dat hij op grond van het bepaalde in artikel 6:61 lid 2 BW Pro niet in verzuim kon raken omdat sprake is van crediteurenverzuim. [gedaagde] is naar eigen zeggen meerdere keren bij [eiser] langs geweest om te kijken naar de gestelde problemen maar stond regelmatig (in totaal negen keer) voor een dichte deur. [eiser] heeft deze stellingen betwist. De kantonrechter is van oordeel dat het gelet op deze betwisting, op de weg van [gedaagde] had gelegen om de stelling dat hij geen toegang kreeg tot het werk omdat [eiser] (tegen de afspraken in) niet thuis was, te onderbouwen. Deze onderbouwing ontbreekt echter. Uit niets blijkt dat [eiser] [gedaagde] geen toegang verleende tot het werk. Van crediteurenverzuim als bedoeld in artikel 6:58 BW Pro is dan ook geen sprake, zodat artikel 6:61 lid 2 BW Pro toepassing mist.
4.12.
[gedaagde] heeft voor het overige niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat hij niet in verzuim verkeert, zodat het verzuim aan de zijde van [gedaagde] wordt aangenomen. Dit maakt dat aan de vereisten van artikel 6:87 BW Pro is voldaan. De oorspronkelijke verbintenis tot (deugdelijke) nakoming van de overeenkomst is derhalve omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.
4.13.
Bij het bepalen van de omvang van de vervangende schadevergoeding is uitgangspunt dat de vervangende schadevergoeding in de plaats treedt van de prestatie zelf en dat het in beginsel moet gaan om vergoeding van de waarde van de prestatie, die in dit geval bestaat uit herstel van het ondeugdelijk verrichte werk.
4.14.
[eiser] heeft onder verwijzing naar de factuur van 5 februari 2025 van [bedrijf 2] de kosten voor het herstel van de werkzaamheden gesteld op een bedrag van € 3.620,00 (incl. btw). In deze factuur zijn door [bedrijf 2] de herstelwerkzaamheden voor de revisie van de schoorsteen en het vervangen van het loodwerk uiteengezet.
4.15.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij het lood bij de dakkapel nog moest afdichten met kit. Voor zover hij hiermee heeft beoogd aan te voeren dat voor het herstel van het lood onder de dakkapel kon worden volstaan met een minder dure wijze van herstel, namelijk het aanbrengen van kit in plaats van het vervangen en opnieuw aanbrengen van het lood, faalt dit verweer. Op de foto’s van de dakkapel die [eiser] als productie 14 heeft overgelegd is namelijk te zien dat de opening tussen de dakkapel en het lood zodanig groot is dat het niet voor de hand ligt dat deze opening kan worden gedicht door het enkel aanbrengen van kit. In het licht van deze omstandigheden had het op de weg van [gedaagde] gelegen om de stelling dat voor het afdichten van het lood kon worden volstaan met het aanbrengen van kit, verder te onderbouwen. [gedaagde] heeft dat echter niet gedaan. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat voor het herstel van het ondeugdelijk aangebrachte lood onder de dakkapel, het lood moest worden vervangen en opnieuw moest worden aangebracht.
4.16.
[gedaagde] betwist ten slotte in het algemeen de hoogte van de gevorderde herstelkosten maar heeft die betwisting niet gemotiveerd. Het enkel stellen dat de kosten te hoog zijn, is onvoldoende om daarmee de juistheid van de hoogte van die kosten te bestrijden.
4.17.
Met inachtneming van het voorgaande wordt de hoogte van de herstelkosten vastgesteld op een bedrag van € 3.620,00. De door [eiser] gevorderde hoofdsom zal derhalve worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente daarover is eveneens toewijsbaar vanaf 18 februari 2025.
4.18.
[eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag € 589,27 (inclusief btw) is in overeenstemming met het tarief dat is weergegeven in het (niet rechtstreeks van toepassing zijnde) Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en dat geacht wordt redelijk te zijn bij een hoofdsom van € 3.620,00. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen dan ook worden toegewezen.
4.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot en vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding € 145,45
- griffierecht € 257,00
- verletkosten
€ 50,00
Totaal € 442,45
4.20.
[eiser] heeft tevens veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van nakosten gevorderd. Omdat [eiser] in persoon procedeert zullen enkel de kosten van betekening worden toegewezen.
in reconventie
4.21.
In reconventie ligt de vraag voor of [eiser] voor de door [gedaagde] verrichte aanvullende werkzaamheden aan het dak van de woning nog een bedrag van € 3.000,00 aan [gedaagde] moet betalen.
4.22.
[eiser] betwist dat hij nog een bedrag aan [gedaagde] moet betalen. Hij voert daartoe aan dat hij het bedrag van € 3.000,00 op 18 januari 2024 contant aan [werknemer] heeft betaald.
4.23.
[eiser] heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde betaling een aantal WhatsApp-berichten overgelegd (zie hiervoor 2.6. tot en met 2.8.). Daaruit blijkt allereerst dat [werknemer] op 18 januari 2024 aan [eiser] heeft bericht dat [eiser] € 3.000,00 contant is betaald voor het dak
.Daarnaast blijkt uit de WhatsApp-correspondentie dat [eiser] op dezelfde dag aan [gedaagde] heeft laten weten dat hij € 3.000,00 aan [werknemer] heeft betaald en dat [gedaagde] dit bericht heeft gelezen omdat hij daarop heeft gereageerd. [gedaagde] was er dus van op de hoogte dat [eiser] stelde dat hij op 18 januari 2024 een bedrag van € 3.000,00 contant aan [werknemer] heeft betaald. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] hierop op 18 januari 2024 of in de dagen daarna is teruggekomen en heeft aangevoerd dat die betaling niet heeft plaatsgevonden. Uit de door partijen overgelegde correspondentie blijkt niet dat [gedaagde] eerder dan in mei 2025 via zijn gemachtigde aan [eiser] heeft laten weten dat hij de gestelde contante betaling van € 3.000,00 niet heeft ontvangen. Niet valt in te zien waarom [gedaagde] daar zo lang mee heeft gewacht. In het licht van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband gezien, ziet de kantonrechter aanleiding om als voorshands bewezen aan te nemen dat [eiser] op 18 januari 2024 een bedrag van € 3.000,00 aan [werknemer] heeft betaald. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren. Dit betekent dat [gedaagde] in de gelegenheid wordt gesteld de stelling van [eiser] dat hij op 18 januari 2024 een bedrag van € 3.000,00 contant aan [werknemer] heeft betaald, te ontzenuwen. Het is aan [gedaagde] om te bepalen met welke bewijsmiddelen hij tegenbewijs wil leveren. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de hierna in de beslissing vermelde roldatum.
4.24.
[gedaagde] voert subsidiair aan dat als vast komt te staan dat [eiser] een bedrag van € 3.000,00 aan [werknemer] heeft betaald, die betaling hem niet ontslaat van zijn verplichting om dit bedrag aan [gedaagde] te betalen. [werknemer] was namelijk volgens [gedaagde] onbevoegd om een betaling te ontvangen. [eiser] mocht niet zomaar aan een werknemer betalen, aldus [gedaagde] .
4.25.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:34 BW Pro kan de schuldenaar die heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, aan degene aan wie betaald moest worden tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, indien hij op redelijke gronden heeft aangenomen dat de ontvanger van de betaling als schuldeiser tot de prestatie gerechtigd was of dat uit andere hoofde aan hem moest worden betaald.
4.26.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] [eiser] niet kan tegenwerpen dat [werknemer] onbevoegd was om de betaling te ontvangen. [werknemer] werkte immers bij [gedaagde] en was blijkens de door [eiser] overgelegde correspondentie een vast aanspreekpunt voor de uitvoering van de werkzaamheden. Uit deze gang van zaken mocht [eiser] aannemen dat [werknemer] gerechtigd was ook betalingen in ontvangst te nemen. Daar komt bij dat [gedaagde] op dezelfde dag van de gestelde betaling van die betaling door [eiser] op de hoogte is gesteld en [gedaagde] toen niet heeft gemeld dat [werknemer] daartoe niet bevoegd was. Dit heeft hij ook niet gedaan toen [eiser] op 31 mei 2024 een tweede contante betaling aan [werknemer] verrichtte. Dit betekent dat indien en voor zover vast komt te staan dat [eiser] op 28 november 2024 een bedrag van € 3.000,00 aan [werknemer] heeft betaald, [eiser] daarmee bevrijdend heeft betaald aan [gedaagde] . Het verweer van [gedaagde] op dit punt faalt derhalve.
4.27.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.620,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 589,27 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 442,45, te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
stelt [gedaagde] in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat [eiser] op 18 januari 2024 een bedrag van € 3.000,00 contant aan [werknemer] heeft betaald, een en ander zoals overwogen in rechtsoverweging 4.22.,
5.7.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 1 juli 2026voor uitlating door [gedaagde] of hij tegenbewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
5.8.
bepaalt dat, als [gedaagde] geen tegenbewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel
bewijsstukkenwil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
5.9.
bepaalt dat, als [gedaagde]
getuigenwil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
augustustot en met
oktober 2026dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
5.10.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. I.C.J.I.M. van Dorp, in het gerechtsgebouw te Zutphen, Martinetsingel 2,
5.11.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
5.12.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
lt