ECLI:NL:RBGEL:2026:4403

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
05.218596-25, 05.018519.26, 05.030861-26 (gev. ttz), 05.293944-24 (tul) en 05.087160-25 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • M.A. van Leeuwen
  • S. Jansen
  • P.J. Verbeek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SrArt. 24c SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bedreiging, medeplegen diefstal auto, belediging politie en drugsbezit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder het bedreigen van een man met een zakmes op de openbare weg in Nijmegen, het medeplegen van de diefstal van een auto, het tweemaal beledigen van politieagenten, het aanwezig hebben van een geringe hoeveelheid cocaïne en het weigeren mee te werken aan een ademanalyse en bloedonderzoek.

De rechtbank achtte de bedreiging wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, getuigen en verbalisanten, waarbij het zakmes als wapen werd gekwalificeerd. De diefstal van de auto werd bewezen door verklaringen van aangevers en verbalisanten, waarbij sprake was van nauwe samenwerking tussen verdachte en een medeverdachte. De beledigingen aan politieagenten en het bezit van cocaïne werden eveneens bewezen door verklaringen en forensisch onderzoek. Verdachte weigerde herhaaldelijk mee te werken aan onderzoeken naar alcohol- en drugsgebruik.

De rechtbank hield rekening met het strafblad van verdachte en een reclasseringsadvies, maar legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 325,00 voor het dragen van het zakmes. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens gebrek aan causaal verband. Het in beslag genomen zakmes werd onttrokken aan het verkeer. Tevens werd de tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen bevolen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf en een geldboete van € 325,00 met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.218596-25, 05.018519.26, 05.030861-26 (gev. ttz), 05.293944-24 (tul) en 05.087160-25 (tul)
Datum uitspraak : 3 juni 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] , Eritrea,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. A. Sahin, advocaat in Lent.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
parketnummer 05.218596-25
1.
hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Nijmegen [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes, althans enig gelijkend voorwerp, vast te pakken en/of dat mes vast te houden en/of dat mes aan die [aangever 1] te tonen en/of met dat mes een of meerdere malen een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [aangever 1] te maken;
2.
hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Nijmegen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zakmes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
3.
hij op of omstreeks 16 juli 2025 te Nijmegen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [agent 1] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland), belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen of van hem had gevorderd mee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven;

parketnummer 05.018519-26

1.
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een auto (Ford Ka met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Nijmegen opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent 2] , werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland en/of [agent 3] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [agent 2] de woorden toe te voegen dat hij zijn kankerbek moet houden, en/of door die [agent 3] de woorden toe te voegen:"Kankerhond", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
parketnummer 05.030861-26
1.
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking daaraan heeft verleend;
2.
hij op of omstreeks 29 januari 2026 te Nijmegen al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne en/of amfetamine, aanwezig heeft gehad;
3.
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 29 januari 2026 te Nijmegen
opzettelijk een of meerdere ambtenaren, te weten [agent 4] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland en/of [agent 5] , agent bij de eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [agent 4] de woorden toe te voegen "kankermadame", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking en/of door die [agent 4] en/of die [agent 5] de woorden toe te voegen "jullie zijn bitches onder dat uniform", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

parketnummer 05.218596-25 [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat onvoldoende duidelijk is tegen wie de bedreiging precies zou zijn gericht. Nu het aangetroffen zakmes volgens het dossier een gewoon opvouwbaar zakmes is en de strafrechtelijke bestemming uitsluitend wordt afgeleid uit een bedreiging die niet overtuigend kan worden bewezen, dient ook ten aanzien van feit 2 vrijspraak te volgen. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw verzocht om kritisch te kijken naar het bewijs, nu dit bewijs uitsluitend berust op de waarneming van een verbalisant, terwijl recalcitrant en onaangepast gedrag niet zonder meer leidt tot het juridische oordeel dat verdachte opzettelijk geen gevolg heeft gegeven aan een rechtmatig bevel.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij op woensdag 16 juli 2025 in de In de Betouwstraat te Nijmegen aan het wachten was op een taxi. Hij stond daar met twee vrienden. Uit het niets hoorde hij vanuit de overkant: “Kom hier dan, kom hier dan.” [aangever 1] keek naar de overkant en zag toen drie personen. Twee personen kwamen al huppelend op hen af. Dit ging zo snel dat voordat hij wist wat hij moest doen, ze al voor hun stonden. [aangever 1] en zijn vrienden liepen een stuk naar achter omdat ze door hun hele houding angstig werden. [aangever 1] zag dat persoon 1 voor persoon 2 liep en dat persoon 1 zich toen omdraaide richting persoon 2. Persoon 2 ging met zijn linkerhand richting zijn rechterheup en trok een mes. Persoon 2 trok toen snel zijn rechterhand omhoog. Het mes was zwart, stiletto achtig en ongeveer twintig/vijfentwintig centimeter. Persoon 2 had het mes getrokken in een voor [aangever 1] dreigende houding. Het leek alsof hij het mes daadwerkelijk zou gaan gebruiken. Beide personen liepen met versnelde pas op [aangever 1] en zijn vrienden af. Daarbij hoorde hij meermaals dat ze zeiden: “Kom dan.” [aangever 1] dacht echt dat hij dood zou gaan. Het mes was zo groot en ze liepen dreigend op hen af. Hij was er echt van geschrokken. [2]
Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op woensdag 16 juli 2025, omstreeks 03:00 uur, met vrienden in De Betouwestraat (de rechtbank begrijpt in de In de Betouwstraat) te Nijmegen was. Aan de andere kant van de straat zag hij drie personen staan. Zij wezen naar hen. Een van de drie liep weg en de twee anderen riepen: “Kom hier dan”, of zoiets. Twee personen kwamen op hen af. [getuige] zag dat persoon 1 een mes in zijn handen had. Hij had het mes uiteindelijk in zijn linkerhand. Het mes was zwart van kleur en had een lengte van ongeveer vijftien centimeter. [3]
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren op woensdag 16 juli 2025 belast met de openbare orde dienst voor de Vierdaagsefeesten te Nijmegen. Zij liepen vanuit de Smetiusstraat de hoek om richting de In de Betouwstraat. Hier werden zij ter hoogte van In de Betouwstraat 29a aangesproken door een groep van drie mannen. Zij hoorden deze drie mannen schreeuwen dat zij zojuist waren bedreigd door de als later omschreven verdachte genaamd: [verdachte] . Verbalisanten zagen dat de betrokkenen wezen naar verdachte. Hierop riep [verbalisant 1] dat verdachte zijn handen moest laten zien. Verbalisanten fixeerden verdachte tegen de muur. Op het moment dat zij hem wilden fouilleren, zag [verbalisant 1] dat verdachte een opengeklapt mes in zijn tas had zitten. [4]
Het mes is onderzocht. Door de verbalisant wordt beschreven dat het zakmes in omstandigheden kan dienen als een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie. Van dit wapen kan gelet op de aard of omstandigheden waaronder dit is aangetroffen redelijkerwijs worden aangenomen dat dit voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of om te dreigen. [5]
Door de raadsvrouw is aangevoerd dat er onvoldoende omstandigheden zijn om de bestemming tot dreigen of letsel toebrengen aan te nemen. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet. Een mes zoals het onderhavige mes is naar zijn aard geschikt om letsel toe te brengen of om te dreigen en gelet op de omstandigheid dat het opengeklapt in de tas van verdachte is aangetroffen, is de rechtbank van mening dat het mes is aan te merken als een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen en dat het opzet van verdachte daarop was gericht.
Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de aard van de ten laste gelegde gedragingen van verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht oplevert. [aangever 1] kon objectief gezien de redelijke vrees hebben dat verdachte zijn dreigement zou uitvoeren. Dat volgens getuige [getuige] de bedreiging tegen een ander was gericht, doet hieraan niets af. [aangever 1] stond daar immers gezamenlijk met die ander en [getuige] . En ook [getuige] heeft verklaard zich iets bedreigd te hebben gevoeld. De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [aangever 1] heeft bedreigd door een mes vast te pakken en/of vast te houden en dat mes aan die [aangever 1] te tonen, zoals onder feit 1 is ten laste gelegd. Daarnaast heeft verdachte een wapen van categorie IV onder 7 van de Wet wapens en munitie gedragen. Feit 2 is dus ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
Verbalisanten [agent 1] en [verbalisant 3] zagen dat verdachte bloeddoorlopen ogen had, onvast ter been was en dat de uitgeademde lucht naar intern alcoholgebruik rook. [agent 1] beval verdachte vervolgens mee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, als bedoeld in artikel 55d, lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte weigerde, na mededeling van de gevolgen daarvan, daaraan mee te werken. Hij stopte opzettelijk halverwege met blazen. Hij zat onderuit gezakt op het bankje dat bestemd was voor het afnemen van de ademanalyse. Bij het aanspreken op zijn houding en gedrag zei verdachte: “Fack jullie en fack de rechter. Ik blaas op mijn eigen manier. Je kent mijn longen niet a mattie.” [6]
De rechtbank is van oordeel dat uit het gebruiken van dergelijke bewoordingen na het stoppen met blazen, volgt dat verdachte zich ten volle bewust was van zijn strafbare handelen. Door de politie en de rechter expliciet te benoemen laat verdachte blijken zich bewust te zijn van de gevolgen van het niet meewerken aan het onderzoek. Bij verdachte was dus sprake van opzet.
Op basis hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, nadat hem, op grond van artikel 55d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, was bevolen daaraan mee te werken.
parketnummer 05.018519-26 [7]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat uit het dossier zonder directe herkenning of ander rechtstreeks bewijsmateriaal niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Aangever [aangever 3] was op 1 augustus 2025, omstreeks 02.00 uur, samen met vier vrienden aan het chillen op de rotonde, Keizer Karel Plein in Nijmegen. Hij werd toen gebeld door een jongen die [naam] wordt genoemd. [naam] vroeg of hij tijd had om hen weg te brengen. Omstreeks 04.00 uur belde een andere jongen. [aangever 2] hoorde dat de vriend van [naam] vroeg wat hij aan het doen was en dat hij zijn hulp nodig had, want hij had een probleem. [aangever 2] vroeg hoe hij hem kon helpen en hij hoorde dat die vriend zei: “kom maar gewoon, dan hoor je het wel”. [aangever 2] is naar hen toegegaan. Zij hadden afgesproken bij de Daalseweg in Nijmegen bij de grote Albert Heijn. [aangever 2] was met de auto van zijn broertje, een Ford KA, donkerblauw van kleur met kenteken [kenteken] . Ter plaatse zag hij [naam] en die vriend staan. Zij zijn toen naar Groesbeek gereden. [aangever 2] reed, [naam] zat achterin en die vriend van [naam] zat naast [aangever 2] . In Groesbeek vroeg [aangever 2] waar ze heen moesten. Hij hoorde dat die vriend van [naam] zei dat zij naar de Lidl moesten. Op de hoofdstraat van Groesbeek veranderden zij van gedachten. [aangever 2] wilde op de rotonde richting de Lidl, maar zij zeiden allebei dat hij rechtdoor moest. Ze kwamen langs een tankstation aan de Herwendaalseweg in Groesbeek. De vriend van [naam] vroeg hoever hij met de benzine kon rijden. [aangever 2] gaf aan dat hij nog ongeveer zestig of zeventig kilometer kon rijden. Zij kwamen weer een rotonde tegen, de rotonde van de Bredeweg naar de Nieuwe Drulseweg. Via de Nieuwe Drulseweg reed hij naar de Generaal Gavinstraat. Daar stopte [aangever 2] ter hoogte van nummer 9. De vriend van [naam] zei tegen [aangever 2] dat hij ook mee zou gaan naar het feestje. [aangever 2] zei dat hij niet meeging en dat hij ging slapen. De vriend van [naam] stapte uit de auto en op dat moment pakte [naam] [aangever 2] bij de nek. Hij sloeg van uit achter zijn armen om zijn keel. Hij hoorde dat [naam] zei dat hij mee moest. Toen kwam de vriend van [naam] en trok [aangever 2] uit de auto. Hij zag dat die vriend de auto in stapte en achteruit reed. De sleutel zat nog in het contact van de auto. Zij reden achteruit richting de Nieuwe Drulseweg en reden weg in de richting van de Nijerf. Nadat de politie er was, vertelde [aangever 2] zijn verhaal en reed hij mee naar Nijmegen om aangifte te doen. Ongeveer tien/vijftien minuten later hoorde hij dat een politieagent vroeg: "Is dit hem?" [aangever 2] riep: "Ja dat is de auto." Er ontstond een achtervolging. De achtervolging eindigde in de buurt waar [aangever 2] ze had opgehaald, bij de grote Albert Heijn aan de Daalseweg. In de tweede straat links knalde zijn auto tegen een andere auto. [aangever 2] zag dat [naam] op de bijrijdersstoel zat en dat de vriend van [naam] de chauffeur was. [8]
[aangever 2] heeft verklaard dat zijn voertuig, met kenteken [kenteken] , betrokken was bij het incident en dat hij het voertuig had uitgeleend aan zijn broer Davor [aangever 2] . [9]
Verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] zagen op vrijdag 1 augustus 2025, omstreeks 06:30 uur, de collega's van de [nummer] rijden op de Scheidingsweg in Nijmegen. Zij zagen dat de collega’s achter een blauwe Ford Ka reden voorzien van het kenteken [kenteken] . Het voertuig sloeg de Groesbeeksedwarsweg in, raakte hierbij andere voertuigen en kwam tot stilstand. De bestuurder rende weg en de bijrijder zat met zijn been klem tussen de deur. Zij zagen dat de bestuurder [medeverdachte] was en dat de bijrijder [verdachte] , [verdachte] was. Beiden zijn verbalisanten ambtshalve bekend met betrekking tot handel in verdovende middelen. [10]
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen. Door [aangever 2] te overmeesteren, hem de auto uit te trekken en vervolgens met die auto weg te rijden, hebben verdachte en zijn medeverdachte de auto aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrokken en hebben zij er als heer en meester over beschikt. Naar de uiterlijke verschijningsvorm van deze handelingen was het opzet van verdachte en zijn medeverdachte hierop ook gericht. Ook is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van medeplegen van diefstal nu verdachte het feit tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] heeft gepleegd. Beiden hebben een wezenlijke bijdrage geleverd aan de diefstal. Verdachte heeft op enig moment, terwijl hij achter aangever in de auto zat, zijn armen om de nek van aangever gedaan waarna medeverdachte [medeverdachte] aangever uit de auto heeft getrokken. Nadat medeverdachte [medeverdachte] aangever uit de auto had getrokken, is hij achter het stuur gaan zitten en is hij weggereden. De bijdrage van verdachte is daarmee van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Feit 2
Verbalisanten [agent 3] en [agent 2] kwamen op vrijdag 1 augustus 2025, omstreeks 06:40 uur, aan op de Groesbeeksedwarsweg te Nijmegen. Zij zagen dat er een Ford Ka, voorzien van het kenteken [kenteken] , stilstond met aan de linker achterzijde een opvallend dienstvoertuig tegen de Ford Ka aan. Een collega zei dat er aan de rechterzijde iemand bekneld zat. Dit bleek verdachte [verdachte] te zijn. [agent 2] liep naar verdachte toe en zei hem dat hij uit moest stappen. Hij merkte dat verdachte niet meewerkte, waarna hij kracht zette en verdachte uit het voertuig trok. Vervolgens brachten verbalisanten verdachte samen met twee andere collega's naar de grond. [agent 2] zag dat verdachte op zijn buik op de straat lag, zijn linkerarm onder zijn arm. [agent 2] zei tegen verdachte dat hij zijn arm moest spreiden. Verdachte zei dat [agent 2] zijn kankerbek moest houden. [agent 2] voelde zich door de opmerking van verdachte in zijn goede naam en eer aangetast. Aangezien de airbags van de Ford Ka uitgegaan waren, zei [agent 3] tegen verdachte dat hij gecontroleerd moest worden door de ambulancedienst. Verdachte zei tegen [agent 3] dat hij dat niet nodig vond. [agent 3] zei dat hij knel had gezeten met zijn been en dat het met een aardige klap was gegaan en daarom toch gecontroleerd zou moeten worden. Verdachte noemde [agent 3] toen een kankerhond. [agent 3] voelde zich door wat verdachte zei in zijn naam en eer aangetast. [11]
Verbalisant [verbalisant 11] heeft verklaard dat verdachte door een collega op de grond werd gehouden. Hij hoorde verdachte tegen zijn collega zeggen: “Kankerhond.” [12]
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 2 wettig en overtuigend bewezen.
parketnummer 05.030861-26 [13]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bewust en ondubbelzinnig heeft geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw verzocht om partiële vrijspraak, namelijk voor zover de tenlastelegging ziet op het aanwezig hebben van amfetamine. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw primair verzocht om vrijspraak, omdat het dossier onvoldoende basis biedt voor een ruime bewezenverklaring jegens beide verbalisanten in volle omvang. Subsidiair kan hooguit één concrete uitlating bewezen worden verklaard en niet de volledige ten laste gelegde variant.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Verbalisanten [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [agent 4] en [verbalisant 6] kregen op 29 januari 2026, omstreeks 22.02 uur, het verzoek om te ondersteunen bij de buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente Nijmegen. Die zouden een persoon staande houden, nadat hij een geslotenverklaring was ingereden. De persoon zou mogelijk onder invloed rijden. [14]
Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 4] zagen op donderdag 29 januari 2026 op het Joris Ivensplein te Nijmegen een Nederlandse Hyundai personenauto voorzien van het kenteken [kenteken] staan. De bestuurder betrof [verdachte] , verdachte. [15]
Ter plaatse roken verbalisanten tijdens het contact met verdachte dat zijn ademhaling sterk naar alcohol rook en zagen zij dat hij bloeddoorlopen ogen en grote pupillen had. [agent 4] vorderde verdachte om 22:10 uur mee te werken aan een speekseltest, alsmede de aanwijzingen die zij in dat kader gaf, op te volgen. De met medewerking van verdachte afgenomen speekseltest gaf een indicatie aan voor de stoffen: ‘cannabis/THC (tetrahydrocannabinol)/marihuana/hasj, amfetamine/ methamfetamine/
MDMA/MDEA/MA/XTC (ecstasy), opiaten/heroïne/morfine en cocaïne/ crack’, oftewel meerdere verdovende middelen welke de rijvaardigheid van verdachte zouden kunnen beïnvloeden. [verbalisant 6] vorderde verdachte om 22:21 uur mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht, alsmede de aanwijzingen die hij in dat kader gaf, op te volgen. Verdachte verleende geen medewerking aan dit onderzoek. Hij zei dat hij niet ging meewerken. [verbalisant 6] vroeg hem om toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994. Verdachte verleende daartoe geen toestemming. Om 22:50 uur beval [verbalisant 5] , in zijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie, verdachte zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994, waarbij hem werd meegedeeld dat een weigering een misdrijf oplevert. Verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel. Hij zei dat hij nergens meer aan mee ging werken. Verbalisanten hoorden verdachte meermaals zeggen dat hij hier geen medewerking aan ging verlenen. Verdachte bood zijn polsen/handen aan en zei: “Neem mij maar mee.” [16]
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank feit 1 wettig en overtuigend bewezen. Anders dan door de raadsvrouw is betoogd, heeft verdachte – bij herhaling – ondubbelzinnig geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek. Dat dit bewust is gebeurd, volgt los van de bewoordingen van verdachte ook uit het feit dat hij zijn polsen/handen aanbood en zei ‘neem mij maar mee’.
Feit 2
Verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 4] kregen op donderdag 29 januari 2026 een melding om handhaving gemeente Nijmegen te ondersteunen bij een controle van een voertuig. [verbalisant 6] onderwierp verdachte aan een transportfouillering zoals omschreven in artikel 7 lid 4 Politiewet Pro 2012. Bij deze fouillering viel er uit de rechterzak van verdachte’s vest een voorwerp gelijkend op een adapter/stekker. Bij het neerkomen op de stenen grond viel deze open. Er vielen twee kleine gripzakjes met een witkleurig brokje uit. [17]
De gripzakjes zijn onderzocht en getest. Aangetroffen werd:
- een gripzakje met witte brokken met een nettogewicht van 0,11 gram, positief getest op cocaïne;
- een gripzakje met opdruk met witte brokken met een nettogewicht van 0,55 gram, positief getest op cocaïne;
- drie gripzakjes met wit poeder en brokken met een nettogewicht van 0,22 gram, positief getest op cocaïne;
- drie gripzakjes met witte brokken met een nettogewicht van 0,32 gram, positief getest op cocaïne. [18]
Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 29 januari 2026 in Nijmegen opzettelijk een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. Van het aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine zal verdachte worden vrijgesproken.
Feit 3
Verbalisanten [agent 4] en [agent 5] waren op woensdag 29 januari 2026 belast met een noodhulpdienst in de gemeente Nijmegen. Na de aanhouding van verdachte om 22.25 uur werd hen gevraagd om verdachte over te brengen naar het arrestantencomplex te Nijmegen.
Tijdens het vervoer was verdachte zowel non-verbaal als verbaal provocerend, agressief en negatief aanwezig. Verbalisanten hoorden dat verdachte richting [agent 4] riep: “Kankermadame.” [agent 4] stond op dat moment buiten, aan de achterzijde van het voertuig, met de achterklep open. [agent 5] zag hierbij dat verdachte achterom keek richting [agent 4] . [agent 4] voelde zich in haar goede eer en naam aangetast. [agent 5] zei tegen verdachte dat hij bij deze ook aangehouden was voor belediging. Zij hoorde dat verdachte zei: “Jullie zijn bitches onder dat uniform.” Tussen de woorden door zag [agent 5] dat verdachte haar telkens aankeek en in een andere taal dingen zei en begon te lachen. [agent 5] voelde zich hierdoor geprovoceerd. [agent 4] hoorde ook hetgeen verdachte tegen [agent 5] zei. [19]
Op grond hiervan acht de rechtbank feit 3 wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [agent 4] en [agent 5] te twijfelen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de navolgende ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
parketnummer 05.218596-25
1.
hij op
of omstreeks16 juli 2025 te Nijmegen [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht
en/of met zware mishandeling,door een mes
, althans enig gelijkend voorwerp,vast te pakken en
/ofdat mes vast te houden en
/ofdat mes aan die [aangever 1] te tonen
en/of met dat mes een of meerdere malen een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [aangever 1] te maken;2.
hij op
of omstreeks16 juli 2025 te Nijmegen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zakmes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen;
3.
hij op
of omstreeks16 juli 2025 te Nijmegen opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel
of een vordering,krachtens enig wettelijk voorschrift, te weten artikel 55d, lid 1 Wetboek van Strafvordering, gedaan door een ambtenaar, te weten, [agent 1] (hoofdagent Politie Eenheid Oost-Nederland),
belast met de uitoefening van enig toezicht en/ofbelast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, door, nadat deze ambtenaar hem had bevolen
of van hem had gevorderdmee te werken aan een onderzoek uitgeademde lucht, hieraan geen gevolg te geven;

parketnummer 05.018519-26

1.
hij op
of omstreeks1 augustus 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,een auto (Ford Ka met kenteken [kenteken] ),
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan [aangever 2]
en/of [aangever 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)toebehoorde
(n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op
of omstreeks1 augustus 2025 te Nijmegen opzettelijk een ambtenaar, te weten [agent 2] , werkzaam als agent bij de Eenheid Oost-Nederland en
/of[agent 3] , werkzaam als hoofdagent bij de Eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [agent 2] de woorden toe te voegen dat hij zijn kankerbek moet houden, en
/ofdoor die [agent 3] de woorden toe te voegen: "Kankerhond"
, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
parketnummer 05.030861-26
1.
hij op
of omstreeks29 januari 2026 te Nijmegen,
in elk geval in Nederland,als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of van een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen ambtenaar van politie, zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen en
/ofgeen medewerking daaraan heeft verleend;
2.
hij op
of omstreeks29 januari 2026 te Nijmegen
al dan nietopzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne
en/of amfetamine, aanwezig heeft gehad;
3.
hij op
een ofmeerdere momenten op
of omstreeks29 januari 2026 te Nijmegen
opzettelijk
een ofmeerdere ambtenaren, te weten [agent 4] , hoofdagent bij de eenheid Oost-Nederland en
/of[agent 5] , agent bij de eenheid Oost-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van
zijn/haar/hun bediening, in
zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door die [agent 4] de woorden toe te voegen "kankermadame",
althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekkingen
/ofdoor die [agent 4] en/of die [agent 5] de woorden toe te voegen "jullie zijn bitches onder dat uniform"
, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.
Voor zover er in de tenlasteleggingen kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 05.218596-25
feit 1:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
feit 2:
Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3:
Opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten;
Ten aanzien van parketnummer 05.018519-26
feit 1:
Diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 2:
Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van parketnummer 05.030861-26
feit 1:
Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3:
Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de misdrijven zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
Ter zake van de overtreding (het dragen van een zakmes) heeft de officier van justitie een geldboete van € 325,00 gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ervoor gepleit om de feiten 3 van parketnummer 05.218596-25 en 2 van parketnummer 05.030861-26, indien bewezen, in strafmatigende zin te waarderen, gelet op de beperkte ernst van die feiten. Voorts heeft zij verzocht om geen voorwaardelijke straf op te leggen, nu verdachte geen reclasseringstoezicht wenst.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten.
In de eerste plaats heeft hij een man op de openbare weg met een zakmes bedreigd. Deze situatie is voor het slachtoffer zeer beangstigend geweest. Nadat verdachte voor deze bedreiging werd aangehouden, heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademanalyse. Dit is niet alleen vervelend gedrag, maar belemmert de politie ook in haar taakvervulling. Verder heeft verdachte samen met een ander een auto gestolen, waarbij degene die de auto tijdelijk onder zich had zelfs door een van beide verdachten uit de auto is getrokken. Dit is een brutaal en ergerlijk feit, waarmee overlast, schade en ergernis zijn veroorzaakt, en waarmee verdachte heeft aangetoond geen respect te hebben voor andermans eigendom. Ook heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan belediging van politieagenten. Dit getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een geringe hoeveelheid cocaïne. Ten slotte heeft verdachte, nadat hij was staande gehouden voor verschillende verkeersovertredingen, (wederom) geweigerd mee te werken, ditmaal aan een bloedonderzoek naar het onder invloed verkeren van verdovende middelen. Hierdoor heeft verdachte de controle gefrustreerd op de naleving van voorschriften die de verkeersveiligheid dienen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 20 april 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook volgt hieruit dat verdachte voor (deels) soortgelijke feiten is veroordeeld na het begaan van de bewezenverklaarde feiten. Artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht is daarom van toepassing en de rechtbank houdt hier rekening mee.
Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 mei 2026. Daaruit volgt dat het niet is gelukt om daadwerkelijk in gesprek te komen met verdachte. Op basis van het dossier en uit informatie vanuit het Veiligheidshuis in Nijmegen ziet de reclassering nog altijd zorgen op elk leefgebied en is de mate waarin verdachte in aanraking komt met politie en justitie eveneens zorgelijk. Ondanks het feit dat het niet is gelukt om een
face tot face gesprek te hebben met verdachte, adviseert de reclassering een straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Op deze wijze hoopt zij middels reclasseringsinterventies te kunnen werken aan gedragsverandering en recidivebeperking. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- meldplicht bij de reclassering;
- gedragsinterventie middelengebruik;
- ambulante behandeling;
- alcoholverbod.
Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en heeft zij gekeken naar wat in vergelijkbare zaken is opgelegd.
Anders dan de reclassering heeft geadviseerd en mede gelet op hetgeen de officier van justitie en de raadsvrouw in dit verband naar voren hebben gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Met inachtneming van al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Aan verdachte zal daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur van zes maanden. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht zal hierop in mindering worden gebracht. Ter zake van de overtreding zal de rechtbank de door de officier van justitie geëiste geldboete van € 325,00 aan verdachte opleggen.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in verband met feit 1 van parketnummer 05.018519-26 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.200,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, omdat alleen de medeverdachte volledig verantwoordelijk is voor de schade.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair dient de vordering aanzienlijk te worden gematigd.
Overweging van de rechtbank
Uit het dossier kan worden afgeleid dat niet verdachte, maar de medeverdachte volledig verantwoordelijk is voor het toebrengen van de schade aan de auto van [aangever 2] . Die schade is immers niet ontstaan door de diefstal van de auto, waarvoor ook verdachte verantwoordelijk is, maar doordat de auto enige tijd daarna in botsing is gekomen met enkele stilstaande voertuigen nadat de medeverdachte als bestuurder van die auto aan de politie probeerde te ontkomen en daarbij allerlei ernstige verkeersovertredingen beging. Er bestaat dan ook geen voldoende causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit (de diefstal) en de gevorderde schade. De rechtbank zal om die reden de vordering afwijzen.

9.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal beslissen dat het in beslag genomen zakmes wordt onttrokken aan het verkeer, omdat met betrekking tot dit voorwerp feit 1 van parketnummer 05.218596-25 is begaan en dat voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

10.De vorderingen tot tenuitvoerlegging (parketnummers 05.293944-24 en

05.087160-25)

De politierechter heeft verdachte op 17 maart 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren (parketnummer 05.293944-24) en op 22 juli 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden (parketnummer 05.087160-25).
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straffen.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Bewezen is dat verdachte zich binnen beide proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan meerdere strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straffen daarom ten uitvoer moeten worden gelegd.

11.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 23, 24 c, 36b, 36c, 57, 62, 63, 184, 266, 267, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
- 163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 2 en 10 van de Opiumwet;
- 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

12.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
zes (6) maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt ten aanzien van feit 2 van parketnummer 05.218596-25 op een
geldboetevan
€ 325,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drie (3) dagen hechtenis;
 beveelt de onttrekking aan het verkeer van een zakmes;
 wijst de vordering tot materiële schade van de benadeelde partij [aangever 2] af;
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 17 maart 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een taakstraf voor de duur van tachtig (80) uren subsidiair veertig (40) dagen hechtenis (parketnummer 05.293944-24);
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 22 juli 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden (parketnummer 05.087160-25).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van Leeuwen (voorzitter), mr. S. Jansen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Gameren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025337152, gesloten op 17 juli 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte [aangever 1] , p. 7-8.
3.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 14-15.
4.Proces-verbaal van aanhouding, p. 35.
5.Proces-verbaal van bevindingen, p. 22.
6.Proces-verbaal gebruik middelen bij geweldsdelicten, p. 30.
7.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 8] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025366041, gesloten op 19 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
8.Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] , p. 10-12.
9.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer [aangever 2] , p. 16.
10.Proces-verbaal van bevindingen, p. 40.
11.Proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 120-121.
12.Proces-verbaal van bevindingen, p. 61.
13.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2026046693, gesloten op 31 januari 2026 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
14.Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 25-26.
15.Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-11.
16.Proces-verbaal rijden onder invloed, p. 25-26 en proces-verbaal van bevindingen, p. 10-11.
17.Proces-verbaal van bevindingen, p. 11.
18.Aanvullend proces-verbaal, Onderzoeksrapport Eurofins, d.d. 24 februari 2026, p. 7.
19.Proces-verbaal aanvullend, p. 13.