Uitspraak
[gedaagde 1]maat van de maatschap
[naam maatschap], handelend onder de naam
[handelsnaam],
2.
[gedaagde 2]maat van de maatschap
[naam maatschap], handelend onder de naam
[handelsnaam], en voorts via een eenmanszaak handelend onder de naam
gedaagde partijen,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
- Artikelen 10 en 11 met betrekking tot nevenfuncties en relatiebeding.
- Artikel 19 met Pro betrekking tot studiekosten, waarin staat dat [handelsnaam] een bedrag van € 2.574,03 en [naam eenmanszaak] een bedrag van € 858,01 aan openstaande studieschuld van [eiseres] heeft overgenomen. Daarin is ook een terugbetalingsregeling opgenomen. Hieraan is een mail van [eiseres] van 9 oktober 2024 voorafgegaan, waarin staat dat zij in februari 2022 bij haar werkgever in Venray de opleiding tot preventieassistente heeft afgerond, dat die opleiding € 4.036,50 kostte, dat daarover met die werkgever een aparte overeenkomst is opgesteld die niet is getekend en verder dat zij op 29 maart 2024 een managementcursus ter waarde van
- “Er is sprake van volledige uitval wegens ziekte, waarbij heden geen duurzaam benutbare mogelijkheden tot werkhervatting zijn
- Het advies aan de werknemer is om zich te richten op herstel en rust en goed te luisteren naar de eigen grenzen.
- Advies aan werkgever en werknemer (telefonisch) contact met elkaar te onderhouden over hoe gaat, en eventueel koffiemomenten in te plannen als het herstel van werknemer hierdoor niet beperkt wordt
- Betreffende de contactfrequentie is het raadzaam dit een keer per week of per 2 weken te laten plaatsvinden en dat dit contact hoofdzakelijk van belangstellende aard is. Een hogere contactfrequentie kan herstel in de weg zitten waardoor reïntegratie bemoeilijkt wordt. (…)”
10 september 2025 dan ook voortgezet moet worden. [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] hebben daarop te kennen gegeven dat de loonstop per 10 september 2025 gerechtvaardigd is omdat er sprake is van een arbeidsconflict, mediation heeft plaatsgevonden en [eiseres] zelf heeft aangegeven niet terug te willen keren.
3.Het geschil
- € 885,12 bruto aan loon over juni 2025 te vermeerderen met € 442,56 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 689,79 bruto aan loon over juli 2025 te vermeerderen met € 344,90 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 1.101,58 bruto aan loon over augustus 2025 te vermeerderen met € 550,79 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 1.101,58 bruto aan loon over september 2025 te vermeerderen met € 550,79 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 2.203,44 bruto aan loon over oktober 2025 te vermeerderen met € 1.101,72 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 875,67 bruto aan vakantiegeld te vermeerderen met € 437,83 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 2.157,40 bruto aan openstaande vakantie-uren te vermeerderen met € 1.078,70 bruto aan wettelijke verhoging,
- € 1.504,40 bruto aan overuren inclusief vakantietoeslag te vermeerderen met
- € 265,52 netto aan reiskostenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid,
- de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen vanaf opeisbaarheid,
- € 335,- aan buitengerechtelijke kosten,
€ 10.000,- netto,
4.De beoordeling
De kantonrechter stelt [handelsnaam] en [naam eenmanszaak] dienaangaande in het gelijk. Niet valt in te zien op basis waarvan [handelsnaam] aansprakelijk is voor eventuele schulden van [naam eenmanszaak] en vice versa. Dat de bedrijven in praktische zin gedeeltelijk met elkaar vervlochten zouden zijn, betekent (nog) niet dat zij ten aanzien van schulden die zij aangaan hoofdelijk aansprakelijk zijn. [eiseres] had haar vordering dienen toe te rekenen aan enerzijds [handelsnaam] en anderzijds [naam eenmanszaak] . Nu zij dat niet heeft gedaan, strandt de vordering daar al op. Het is niet aan de kantonrechter uit te zoeken welke bedragen voor wiens rekening zouden komen.