ECLI:NL:RBGEL:2026:4381

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
K/5004/11850239
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen bindende overeenkomst over dakkapel na afwijkende opdrachtbevestiging

De eiser ontving op 5 maart 2025 een offerte voor het plaatsen van een dakkapel met een geldigheidsduur van 14 dagen. De offerte bevatte bepalingen over betaling en technische wijzigingen. Op 19 maart 2025 vonden inmetingen plaats. Op 3 april 2025 stuurde de gedaagde een opdrachtbevestiging met een hogere prijs en afwijkende specificaties, waaronder een bredere dakkapel die vergunningplichtig is en het demonteren van zonnepanelen.

De eiser annuleerde daarop het traject en vorderde terugbetaling van de aanbetaling van €3.675,-. De gedaagde stelde dat met ondertekening van de offerte een bindende overeenkomst was gesloten en bood een annuleringsvergoeding van €2.300,- aan. De rechtbank oordeelde dat op grond van de algemene voorwaarden en de afwijkingen in de opdrachtbevestiging geen bindende overeenkomst tot stand was gekomen.

De gedaagde is daarom gehouden het resterende bedrag van de aanbetaling van €2.300,- terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €417,45 toegewezen en de proceskosten van €1.036,92 aan de gedaagde opgelegd.

Uitkomst: Geen bindende overeenkomst; gedaagde moet aan eiser €2.728,04 betalen plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11850239 \ CV EXPL 25-2336
Vonnis van 3 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Assen,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 oktober 2025
- de mondelinge behandeling van 3 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de gedaagde] heeft op 5 maart 2025 een offerte aan [eiser] uitgebracht met betrekking tot een dakkapel ten bedrage van € 8.677,69 excl btw (€ 10.500,- incl btw) met een geldigheidsduur van 14 dagen na verzending offerte. Daarin zijn onder meer de volgende relevante bepalingen opgenomen:
- onder de kop ‘betalingswijze’:

35% bij opdracht65% 2 werkdagen vóór start montage”,
- onder de kop ‘prijzen’:
“(…)
Deze opdracht is gebaseerd op de door uw verstrekte (bouw)technische gegevens en maten. Mocht tijdens het inmeten blijken dat er technische noodzakelijke veranderingen toegepast dienen te worden, of dat het technisch niet mogelijk of verantwoord is, dan bent u zich bewust over het feit dat er meer- en minderprijzen worden opgesteld in de opdrachtbevestiging.”
- onder de kop ‘opdracht’:

Deze offerte zal na uw ondertekening door [de gedaagde] uitsluitend door middel van een opdrachtbevestiging aanvaard kunnen worden, technische wijzigingen voorbehouden. Door ondertekening van deze offerte geeft u [de gedaagde] opdracht voor levering en/of montage van beschreven artikelen.
2.2.
Op de offerte zijn algemene voorwaarden van toepassing. In artikel 2 daarvan Pro zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
  • artikel 2.1.:
  • Artikel 2.2.:

Een partijen bindende overeenkomst komt pas tot stand nadat leverancier de door de opdrachtgever ondertekend exemplaar van de verbindende opdracht retour heeft ontvangen. Eventueel in de opdracht genoemde termijnen nemen dan een aanvang.”
2.3.
[de gedaagde] heeft [eiser] bij brief van 5 maart 2025 verzocht een bedrag van € 3.675,- aan depotbetaling te voldoen. [eiser] heeft dit bedrag voldaan.
2.4.
Op 19 maart 2025 zijn de inmetingen en opnamen ter plaatse uitgevoerd.
2.5.
Bij brief van 3 april 2025 heeft [de gedaagde] onder dankzegging voor de opdracht aan [eiser] een opdrachtbevestiging met betrekking tot levering en montage van een nieuwe dakkapel gestuurd. Daarin is in afwijking van de basisorder:
  • voorzien in een bredere uitvoering van de dakkapel, waarbij de startlijn van de huidige dakkapel wordt aangehouden met als gevolg dat de dakkapel te dicht bij de buren komt te staan en er een vergunning nodig is,
  • vermeld dat alle zonnepanalen gedemonteerd en afgevoerd moeten worden voor montage,
  • de totaalprijs vastgesteld op een bedrag van € 11.475,- incl btw, dat is € 975,- meer als gevolg van een hogere en bredere dakkapel.
2.6.
Onderaan de opdrachtbevestiging van 3 april 2025 staat de volgende tekst afgedrukt:

Let op! Uw bestelling gaat, ná ontvangst van uw ondertekende retour gestuurde opdrachtbevestiging, de productie in. Hierna kunnen wijzigingen niet meer worden toegepast.”
2.7.
Bij e-mail van 3 april 2025 heeft [eiser] aan [de gedaagde] geschreven dat hij het traject annuleert omdat de opdracht afwijkt van de prijsofferte en om die reden de aanbetaling van € 3.675,- terug wil ontvangen. [de gedaagde] heeft daarop laten weten bereid te zijn de annuleringsvergoeding te beperken tot een bedrag van € 2.300,-.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – kort samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 2.728,04, vermeerderd met rente en kosten, primair op grond van onverschuldigde betaling en subsidiair op grond van vernietiging van een onredelijk beding in de algemene voorwaarden.
3.2.
[de gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het is de stelling van [eiser] dat de opdrachtbevestiging dusdanig afwijkt van de offerte dat deze voor hem niet meer acceptabel is. Het gaat er daarbij om dat de prijs in de opdrachtbevestiging met € 975,- is verhoogd, verder dat de verbouwing niet vergunningsvrij kan worden uitgevoerd en tenslotte dat de zonnepanelen gedemonteerd moeten worden. Een en ander vormde redenen voor [eiser] de opdrachtbevestiging niet voor akkoord te tekenen.
4.2.
Volgens [de gedaagde] is op 5 maart 2025 met retourzending van een door [eiser] ondertekend exemplaar van de offerte tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij zij zich op artikel 2.2. van de algemene voorwaarden beroept. Verder verwijst zij te dien aanzien naar de slotpassage op de offerte, waarin staat dat met ondertekening van de offerte opdracht wordt gegeven voor levering en/of montage van beschreven artikelen.
4.3.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen hebben, zo is ter zitting vastgesteld, een overeenkomst van aanneming van werk (en niet van opdracht) gesloten. Artikel 2.2. van de algemene voorwaarden bepaalt dat er sprake is van een overeenkomst nadat [de gedaagde] het door [eiser] ondertekende exemplaar van de verbindende opdracht retour heeft ontvangen. Een redelijke uitleg van deze bepaling, die op zichzelf onduidelijk is geformuleerd hetgeen voor rekening en risico van [de gedaagde] als gebruiker komt, brengt mee dat onder ‘verbindende opdracht’ de opdrachtbevestiging van [de gedaagde] van 3 april 2025 verstaan moet worden die [eiser] niet heeft geaccepteerd. Niet aangenomen kan dan ook worden dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de dakkapel. De verwijzing van [de gedaagde] naar de slotpassage op de offerte, die op zichzelf genomen ingevolge artikel 2.1. van de algemene voorwaarden vrijblijvend en niet-verbindend van aard is, maakt dat niet anders. Daarbij komt dat de beschrijving van de te leveren en te monteren artikelen qua maatvoering in de opdrachtbevestiging afwijkt van wat er in de offerte staat vermeld. Die opdrachtbevestiging bindt [eiser] dan ook niet. Verwezen wordt naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2025 met zaaknummer 200.332.715 (ECLI:NL:GHARL:2025:1218). Anders dan [de gedaagde] stelt, wijkt de wijze van contractsluiting niet wezenlijk af van de daar beoordeelde situatie.
4.4.
De conclusie is dat partijen het niet eens zijn geworden over de voorwaarden waartegen de dakkapel uitgevoerd diende te worden. Er kan dan ook niet vastgesteld worden dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat betekent dat [de gedaagde] het resterende bedrag van de aanbetaling van € 2.300,- aan [eiser] verschuldigd is. Dit bedrag wordt op de primaire grondslag toegewezen met inbegrip van de daarover gevorderde wettelijke rente.
4.5.
[eiser] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 417,45 incl btw toegewezen.
4.6.
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
147,42
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.036,92

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.728,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 2.300,- vanaf 11 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.036,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
548/560