ECLI:NL:RBGEL:2026:430

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11614499 \ CV EXPL 25-2444
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 1 WfwArt. 2 lid 5 WfwArt. 2 lid 10 WfwArt. 3:13 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot uitbreiding arbeidsduur op grond van de Wet flexibel werken

Twee werknemers van Albert Heijn, werkzaam als magazijnmedewerkers, hebben verzocht hun arbeidsomvang uit te breiden van respectievelijk 24 en 32 uur per week naar 40 uur per week. Albert Heijn wees dit verzoek af, stellende dat er geen evenredige arbeidsprestatie tegenover stond en dat er sprake was van een zwaarwegend bedrijfsbelang vanwege gebrek aan formatieruimte.

De kantonrechter oordeelt dat het verzoek niet als misbruik van recht kan worden aangemerkt, omdat de werknemers daadwerkelijk meer uren moeten werken en het financiële voordeel niet overheerst. De RSD-regeling leidt weliswaar tot extra verlofuren, maar deze worden deels gecompenseerd door het vervallen van andere verlofregelingen, waardoor per saldo een substantiële toename van arbeidsprestatie resteert.

Albert Heijn heeft onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen die het verzoek tot uitbreiding van de arbeidsduur rechtvaardigen. De kantonrechter wijst het verzoek toe en veroordeelt Albert Heijn tot betaling van achterstallig loon, pensioenopbouw, wettelijke rente, een wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten. Tevens wordt Albert Heijn veroordeeld om de werknemers toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per vier weken, onder oplegging van een dwangsom.

Uitkomst: Het verzoek tot uitbreiding van de arbeidsduur naar 40 uur per week wordt toegewezen en Albert Heijn wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, pensioenopbouw, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11614499 \ CV EXPL 25-2444
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. B.M. Jurgens, werkzaam bij FNV RVH-(Regio),
tegen
ALBERT HEIJN B.V.,
te Zaandam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Albert Heijn,
gemachtigden: mr. J. Boer en mr. N. de Bruijn.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 mei 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eisers] zijn verschenen, bijgestaan door mr. B.M. Jurgens en de heer L. Zühkle. Albert Heijn is bijgestaan door mr. J. Boer en mr. N. de Bruijn en vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser sub 1] treedt op 12 september 2011 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Albert Heijn, in de functie van magazijnmedewerker 2, laatstelijk tegen een basisloon van € 2.109,13 bruto per vier weken exclusief emolumenten en toeslagen. De arbeidsomvang van [eiser sub 1] is 24 uur per week (96 uur per periode).
2.2.
[eiser sub 2] treedt op 4 november 2013 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Albert Heijn, in de functie van magazijnmedewerker 2, laatstelijk tegen een basisloon van
€ 2.806,76 bruto per periode van vier weken exclusief emolumenten en toeslagen. De arbeidsomvang van [eiser sub 2] is 32 uur per week (128 uur per periode).
2.3.
[eisers] verrichten hun werkzaamheden in het Landelijk Distributiecentrum Geldermalsen.
2.4.
Op de arbeidsovereenkomsten is de cao Logistiek Albert Heijn met geldigheidsduur van 15 april 2024 tot en met 14 april 2025 (hierna: de cao) van toepassing. In de cao staat:
5.2 Extra vakantie
Bij een voltijd dienstverband bouwt de medewerker extra vakantie uren op grond van dienstjaren of leeftijd op. Deze zijn opgenomen in tabel 5.1.
Tabel 5.1: Extra vakantie uren
Aantal jaren in dienst / leeftijd Uren
25 jaar in dienst 24 uren
45 tot en met 49 jaar 24 uren
50 tot en met 54 jaar 36 uren
55 tot en met 59 jaar 40 uren
60 jaar 56 uren
61 jaar 72 uren
62 jaar 88 uren
63 jaar 104 uren
Vanaf 64 jaar 120 uren
(…)
Extra uren op basis van leeftijd geldtnietvoor medewerkers die RSD hebben.
5.3
Arbeidsduurverkorting (ADV)
Medewerkers met een voltijd dienstverband hebben op jaarbasis recht op 184 uur ADV met uitzondering van medewerkers die recht hebben op RSD. Medewerkers die recht hebben op RSD ontvangen 115 uur ADV per kalenderjaar.(…)
7.1
Geen verplichting tot het werken in de nacht
Voor de medewerker van 49 jaar of ouder bestaat er geen verplichting meer om in de nachtdienst te werken.
De medewerker die 49 jaar of ouder wordt en (op eigen initiatief of van Albert Heijn) niet meer werkt in de nacht krijgt een PTN. De PTN telt mee voor pensioen, vakantieopbouw, wordt verhoogd met een algemene salarisaanpassing en wordt als volgt berekend:(…)
7.3
Geen verplichting meer tot het werken in de avond
De medewerker die 58 jaar of ouder wordt en (op eigen initiatief of van Albert Heijn) niet meer werkt in de avond krijgt een PTA. De PTA is gelijk aan het deel van de ploegentoeslag die hoort bij de avonddienst. De PTA telt mee voor pensioen, vakantieopbouw en wordt verhoogd met een algemene salarisaanpassing.(…)
7.4
Roostervrije seniorendagen (RSD)
(…)
Het aantal dagen RSD is afhankelijk van de leeftijd en van toepassing voor medewerkers met een contract van meer dan 128 uur per periode die een van de volgende functies vervullen:
• Magazijnmedewerker (1 t/m 3) en cockpitmedewerkers
• Employee acculaadstation • (Allround) Servicemonteur.
• Medewerkers binnen DC Zaandam die op 15 april 2017 in dienst zijn van Albert Heijn en een functie gaan vervullen in het gemechaniseerde distributiecentrum, behouden hun recht op RSD.
• Medewerkers die per 1 januari 2002 al RSD ontvangen, maar niet een functie vervullen als hierboven benoemd, behouden hun dan bestaande RSD. Daar komen geen nieuwe RSD-rechten bij.
Medewerkers met meer dan 128 contracturen, maar minder dan 160 contracturen per periode ontvangen RSD naar rato.
Voor medewerkers die voor 20 april 2025 (periode 5) bij Albert Heijn Logistiek werken:

45.jaar en ouder

Medewerkers van 45 jaar en ouder hoeven, gedurende 23 perioden van 2 weken per jaar, één dag niet te werken.

53.jaar en ouder

Medewerkers van 53 jaar en ouder hoeven, gedurende 46 weken per jaar, één dag niet te werken.(…)

60.jaar en ouder

Medewerkers van 60 jaar en ouder met RSD en meer dan 128 contracturen die hun contract willen aanpassen naar 128 contracturen, behouden hun oorspronkelijke RSD-aanspraak die gold voordat ze naar 128 contracturen overgingen.(…)

10.7
Protocolafspraak uitbreiding contracturen
Verzoeken van medewerkers om uitbreiding van contracturen worden beoordeeld in het kader van de Wet flexibel werken.(…)
2.5.
[eisers] dienen op 16 februari 2024 een verzoek in bij Albert Heijn strekkende tot uitbreiding van hun contracturen naar 160 uur per periode met ingang van 19 mei 2024.
2.6.
Bij brief van 28 maart 2024 heeft Albert Heijn de verzoeken van [eisers] afgewezen:
“Na aanleiding van jou ingezonden brief hebben wij dit met onze dagelijkse leiding besproken. Het verzoek voor contractuitbreiding wordt hiermee afgewezen. De reden van de afwijzing van jouw verzoek om meer te werken, betekent namelijk niet dat daar een overeenkomstige arbeidsprestatie tegenover staat. In jouw geval zou immers met onmiddellijke ingang de RSD-regeling van toepassing zijn. Dat betekent dat toewijzing van jouw verzoek niet zal leiden tot het werken van meer uren, maar (enkel) tot aanspraak op de roostervrije Senioren dag zoals opgenomen in de RSD-regeling. De Wet Flexibel Werken beoogt een dergelijk gevolg niet.
Hierbij bevestigen we de afwijzing van jouw verzoek tot uitbreiding van jouw contracturen tot 160 uur schriftelijk.”

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vorderen dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Albert Heijn veroordeelt:
ten aanzien van [eiser sub 1]
I. tot betaling van het salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 40 uur per week vanaf periode 6 van 2024 tot en met de periode voorafgaand aan de inwilliging van het verzoek om contractuitbreiding naar 160 uur per vier weken minus het reeds betaalde salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 24 uur per week in deze periode, in totaal tot en met periode 1 van 2025 een bedrag van € 13.791,82 bruto;
II. tot betaling van de contante waarde van de gemiste opbouw ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van € 2.605,48;
ten aanzien van [eiser sub 2]
III. tot betaling van het salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 40 uur per week vanaf periode 6 van 2024 tot en met de periode voorafgaand aan de inwilliging van het verzoek om contractuitbreiding naar 160 uur per vier weken minus het reeds betaalde salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 32 uur per week in deze periode, in totaal tot en met periode 1 van 2025 een bedrag van € 7.131,70 bruto;
IV. tot betaling van de contante waarde van de gemiste opbouw ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van € 1.298,50;
ten aanzien van [eiser sub 1] en aan [eiser sub 2]
V. tot toelating tot de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per periode van vier weken onder oplegging van een dwangsom van € 100,00 per dag, dan wel een bedrag dat door de kantonrechter in goede justitie wordt vastgesteld, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat gedaagde na betekening van het door de kantonrechter te wijzen vonnis in gebreke blijft om aan het verzoek tot contractuitbreiding van een fulltime dienstverband tijdig te voldoen;
VI. tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de onder I. tot en met IV. gevorderde bedragen;
VII. tot betaling van de wettelijke rente over de onder I. tot en met IV. gevorderde bedragen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
VIII. tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 952,19 netto;
IX. tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[eisers] leggen – kort samengevat – aan de vordering het volgende ten grondslag. Op 16 februari 2024 hebben [eisers] conform artikel 10.7 van de cao een verzoek ingediend bij Albert Heijn om hun arbeidsomvang uit te breiden naar een fulltime dienstverband van 40 uur per week, met ingang van periode 6 van 2024. Albert Heijn heeft dit verzoek ten onrechte afgewezen, terwijl zij daartoe op grond van de Wet flexibel werken wel verplicht was.
3.3.
Albert Heijn voert primair als verweer aan dat sprake is van misbruik van recht door [eisers] , waardoor hen geen beroep op het recht tot urenuitbreiding van de arbeidsduur toekomt. Er staat immers geen evenredige arbeidsprestatie tegenover hun contracturenuitbreiding. Daarnaast is het financiële voordeel dat [eisers] dan zou toekomen belangrijker dan hun wens om daadwerkelijk meer te werken.
Subsidiair voert Albert Heijn aan dat zij het verzoek tot vermeerdering van de arbeidsduur niet hoeft toe te wijzen, omdat er sprake is van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen die zich daartegen verzetten. Er is namelijk onvoldoende formatieruimte om de verzoeken toe te kennen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Juridisch kader
4.1.
Op grond van artikel 10.7 van de cao worden verzoeken van werknemers om uitbreiding van contracturen beoordeeld in het kader van de Wet flexibel werken (Wfw). In artikel 2 lid 1 Wfw Pro staat dat de werknemer de werkgever kan verzoeken om aanpassing van zijn arbeidsduur, als de werknemer ten minste 26 weken voorafgaand aan het beoogde tijdstip van ingang van de aanpassing in dienst is bij die werkgever. De werkgever kan het verzoek van de werknemer weigeren als bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten (artikel 2 lid 5 Wfw Pro). Bij vermeerdering van de arbeidsduur is in ieder geval sprake van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, als de vermeerdering leidt tot ernstige problemen:
a. van financiële of organisatorische aard,
b. wegens het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of
c. omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting daartoe ontoereikend is (artikel 2 lid 10 Wfw Pro).
Het meest verstrekkende verweer van Albert Heijn is echter dat [eisers] misbruik maken van recht door te verzoeken om uitbreiding van hun arbeidsduur. Dat verweer zal daarom eerst worden besproken.
4.2.
Albert Heijn heeft ook nog betoogd dat de RSD-regeling is bedoeld voor oudere werknemers die langdurig en structureel fulltime fysiek en/of mentaal belastend werk hebben verricht. Albert Heijn heeft echter ook erkend dat in de cao die van toepassing is op het verzoek van [eisers] , dit niet als voorwaarde bij de RSD-regeling is opgenomen en dat zij bij het sluiten van de cao niet heeft voorzien dat dit tot gevolg heeft dat werknemers, zoals [eisers] , op basis van die cao een verzoek om uitbreiding van hun arbeidsduur kunnen doen, en ongeacht de duur van het fulltime dienstverband direct aanspraak kunnen maken van de RSD-regeling. Een en ander is in de cao Logistiek 2025/2026 verduidelijkt maar die regeling mist toepassing in de onderhavige zaak. Nu Albert Heijn hieraan verder geen rechtsgevolg heeft verbonden laat de kantonrechter de doelstelling van de RSD-regeling verder buiten beschouwing.
[eisers] maken geen misbruik van recht
4.3.
Albert Heijn verwijt [eisers] dat zij met hun verzoek om uitbreiding van de arbeidsduur misbruik maken van recht omdat geen evenredige arbeidsprestatie staat tegenover de contractuitbreiding. De kantonrechter volgt Albert Heijn daarin niet. Daarvoor geldt de volgende motivering.
4.4.
Van misbruik van recht is op grond van artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) sprake in een situatie waarin een bevoegdheid (in dit geval: het recht op vermeerdering van arbeidsduur) wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend dan wel wanneer betrokkene in redelijkheid niet tot uitoefening van het recht had kunnen komen.
4.5.
Albert Heijn voert aan dat de Wfw werknemers de bevoegdheid geeft om te verzoeken om aanpassing van hun arbeidsduur om zo het werk beter te laten aansluiten bij het privéleven. Volgens Albert Heijn zou het doel van de Wfw niet zijn het uitbreiden van de arbeidsduur om bepaalde financiële voordelen te genieten. De kantonrechter kan Albert Heijn hierin niet volgen. Er zijn naar verwachting weinig tot geen werknemers te vinden die graag meer willen werken terwijl de financiële voordelen die staan tegenover het verrichten van arbeidsprestaties niet evenredig toenemen. Met andere woorden: een uitbreiding van de arbeidsduur heeft juist (mede) tot doel om meer te verdienen. In de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Wfw is echter wel stilgestaan bij situaties waarbij werknemers de uren van de urenuitbreiding in de praktijk niet gaan werken maar daar wel meer salaris voor ontvangen. Een dergelijk geval zou misbruik van recht kunnen opleveren en in de wetsgeschiedenis zijn daarvoor een tweetal voorbeelden opgenomen. Deze voorbeelden betreffen de zieke werknemer die zijn recht op aanpassing van de arbeidsduur geldend wil maken in de periode van ziekte of in het geval een zwangere werkneemster kort voor het zwangerschapsverlof een verzoek om vermeerdering van de arbeidsduur zou doen met het oogmerk om deze vermeerdering te effectueren tijdens het verlof. [1] Beide voorbeelden betreffen dus gevallen waarbij werknemers financieel voordeel genieten, maar er geen arbeidsprestatie tegenover staat. Dat is in deze zaak niet het geval. Hoewel [eisers] bij een urenuitbreiding profiteren van de seniorenregeling omdat zij meer verlofuren opbouwen, heeft dit profijt niet de bovenhand. Immers, zij moeten in verhouding daadwerkelijk meer uren werken dan zij voorheen deden. Voor [eiser sub 1] geldt dat zij voor de 16 uur dat zij per week meer gaat werken, op grond van de RSD-regeling 3,5 uur verlof krijgt. Per saldo zou ze dan 12,5 uur per week meer moeten werken. Voor [eiser sub 2] geldt dat hij voor de 8 uur per week dat hij meer gaat werken, ook op grond van de RSD-regeling 3,5 uur verlof krijgt. Per saldo zou hij 5,5 uur per week meer moeten werken.
4.6.
Medewerkers die gebruik maken van de RSD-regeling verliezen echter een aantal andere verlofaanspraken die uit de cao voortvloeien. Gebruikmaking van de RSD-regeling heeft ten eerste tot gevolg dat het leeftijdsverlof van artikel 5.2 van de cao vervalt. De extra vakantieuren die [eisers] op grond van de tabel zoals weergegeven in randnummer 2.4 opbouwen komen dus te vervallen bij gebruikmaking van de RSD-regeling. Gelet op de leeftijd van [eisers] ten tijde van het verzoek tot urenuitbreiding en uitgaande van een arbeidsduur van 40 uur per week vervallen jaarlijks 24 uren aan leeftijdsverlof. Bovendien hebben medewerkers die recht hebben op de RSD-regeling, op grond van artikel 5.3 van de cao bij een voltijdsdienstverband slechts recht op 115 uur ADV per jaar in plaats van 184 uur. Er vervallen bij gebruikmaking van de RSD-regeling per jaar derhalve 24 leeftijdsuren en 69 ADV-uren per jaar, in totaal 93 uur per jaar of 1,79 uur per week.
4.7.
Gelet op het voorgaande krijgen [eisers] bij een urenuitbreiding naar 40 uur per week weliswaar 3,5 uur aan RSD-verlof per week, maar verliezen zij per week 1,79 uur aan leeftijdsuren en ADV-uren. Per saldo krijgen ze door gebruikmaking van de RSD-regeling dus 1,71 uur extra verlof. Daar staat tegenover dat [eiser sub 1] op papier van 24 uur naar 40 uur per week gaat en [eiser sub 2] van 32 uur per week naar 40 uur per week. Na aftrek van het saldo van 1,79 uur per week resteert nog steeds een extra aantal te werken uren voor [eiser sub 1] van (16 - 1,71 =) 14,29 uur per week en voor [eiser sub 2] van (8 - 1,71 =) 6,29 uur per week. Het aantal extra te werken uren is verhoudingsgewijs dus veel hoger dan het aantal extra verlofuren. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake kan zijn van misbruik van recht, omdat het financiële voordeel van uitbreiding van de arbeidsduur een aanzienlijke uitbreiding van de arbeidsprestatie vereist. Dat is geen misbruik van recht, maar gebruik van hun recht en dat kan hen niet worden verweten.
Albert Heijn had geen zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
4.8.
Uit de wetsgeschiedenis bij de Wfw volgt dat niet ieder bedrijfsbelang kan leiden tot afwijzing van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur. Er moet sprake zijn van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Daarbij moet gedacht worden aan economische, technische of operationele belangen die ernstig zouden worden geschaad als het verzoek om aanpassing van de arbeidsduur zou worden gehonoreerd. [2]
4.9.
Van dergelijke zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aan de zijde van Albert Heijn is niet gebleken. Albert Heijn heeft weliswaar aangevoerd dat sprake is van een gebrek aan formatieruimte op de dag en dat er dus geen ruimte is voor [eisers] om extra dagdiensten te draaien, maar Albert Heijn heeft haar verweer op dit onderdeel niet onderbouwd. Zo heeft zij geen bewijsstukken in het geding gebracht, zoals werkroosters of informatie over de huidige bezetting in de dagdiensten, waaruit blijkt dat sprake is van te weinig formatieruimte. Bovendien hebben [eisers] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij, op verzoek van Albert Heijn, per januari 2026 gaan meewerken aan een pilot waarbij zij alleen nog maar avond- en nachtdiensten werken. Daarnaast geldt dat [eisers] hebben aangegeven dat zij voorlopig geen gebruik willen maken van de regeling van artikel 7.1 en 7.3 van de cao waarbij zij geen, althans minder, avond- en nachtdiensten hoeven te werken. Een eventueel gebrek aan formatieruimte op de dagdiensten is, als dat al zou komen vast te staan, in het geval van [eisers] dus geen zwaarwegend bedrijfsbelang dat in de weg staat aan toewijzing van het verzoek om urenuitbreiding. Albert Heijn heeft ten slotte nog aangevoerd dat toewijzing van de verzoeken van [eisers] zal leiden tot een stortvloed aan aanvragen en dat dat alsnog voor grote problemen zou zorgen. Los van de vraag of dat uiteindelijk zo is, geldt dat ieder geval naar haar eigen merites moet worden beoordeeld. Het staat dus niet vast of Albert Heijn al die verzoeken ook zou moeten toewijzen en in ieder geval kan dat nu niet leiden tot afwijzing van de verzoeken van [eisers] .
Conclusie: Albert Heijn mocht het verzoek om urenuitbreiding niet weigeren
4.10.
Hiervoor is vastgesteld dat [eisers] geen misbruik van recht hebben gemaakt door om urenuitbreiding te verzoeken. Evenmin is gebleken van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen aan de zijde van Albert Heijn die aan toewijzing van het verzoek van [eiser sub 1] en Stiko in de weg stonden. Dit betekent dat Albert Heijn het verzoek van [eisers] op grond van de Wet flexibel werken niet kon weigeren. Albert Heijn was en is dan ook gehouden om [eisers] , conform hun verzoek toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per periode van vier weken. Deze vordering van [eisers] om per direct te worden toegelaten tot de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per week wordt dan ook toegewezen.
4.11.
Albert Heijn heeft de gevorderde dwangsom verder niet weersproken zodat deze wordt toegewezen, met dien verstande dat deze wordt gemaximeerd tot een bedrag van
€ 10.000,00.
4.12.
De overige, met deze vordering samenhangende, loon- en pensioenvorderingen worden hierna beoordeeld.
Loonvordering
4.13.
De door [eisers] gevorderde betaling van het loon dat geldt bij een fulltime dienstverband, te berekenen vanaf periode 6, wordt toegewezen als gevorderd. Uit de overgelegde correspondentie volgt voldoende duidelijk dat [eisers] zich bereid en beschikbaar hebben gehouden om de uren volgens de verzochte urenuitbreiding ook daadwerkelijk te gaan werken met ingang van 19 mei 2024. Dat Albert Heijn dit verzoek heeft afgewezen en [eisers] als gevolg daarvan de uren volgens de urenuitbreiding niet hebben gewerkt, komt voor rekening en risico van Albert Heijn. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding voor matiging van de loonvordering.
4.14.
In voornoemde omstandigheden ziet de kantonrechter wel aanleiding de gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro te matigen tot 10%.
4.15.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van opeisbaarheid van de onderscheidenlijke loonbetalingen tot aan de dag van algehele voldoening.
Pensioenopbouw
4.16.
[eisers] vorderen ook betaling van de contante waarde van de gemiste opbouw van ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Albert Heijn heeft deze vordering verder niet weersproken zodat ook deze vordering wordt toegewezen als gevorderd.
4.17.
De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18.
[eisers] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van
€ 952,19. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. [eisers] hebben het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eisers] geen ondernemer zijn, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 952,19 worden toegewezen.
Proceskosten
4.19.
Albert Heijn is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,48
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.097,48

5.De beslissing

De kantonrechter
ten aanzien van [eiser sub 1]
5.1.
veroordeelt Albert Heijn om [eiser sub 1] toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per week per periode van vier weken op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat Albert Heijn na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft,
5.2.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van het salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 40 uur per week vanaf periode 6 van 2024 tot en met de periode voorafgaand aan de inwilliging van het verzoek om contractuitbreiding naar 160 uur per 4 weken, waarop in mindering strekt het reeds betaalde salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 24 uur per week, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van opeisbaarheid van de onderscheidenlijke loonbetalingen tot aan de dag van algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van de wettelijke verhoging van 10%, als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro, over de onder r.o. 5.2. toegewezen bedragen,
5.4.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van de contante waarde van de gemiste opbouw ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van € 2.605,48 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
ten aanzien van [eiser sub 2]
5.5.
veroordeelt Albert Heijn om [eiser sub 2] toe te laten tot het verrichten van de overeengekomen werkzaamheden voor 160 uur per week per periode van vier weken op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00, een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend, dat Albert Heijn na betekening van dit vonnis daarmee in gebreke blijft,
5.6.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van het salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 40 uur per week vanaf periode 6 van 2024 tot en met de periode voorafgaand aan de inwilliging van het verzoek om contractuitbreiding naar 160 uur per 4 weken, waarop in mindering strekt het reeds betaalde salaris, de ploegentoeslag en het vakantiegeld voor 32 uur per week, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van opeisbaarheid van de onderscheidenlijke loonbetalingen tot aan de dag van algehele voldoening,
5.7.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van de wettelijke verhoging van 10%, als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro, over de onder r.o. 5.6. toegewezen bedragen,
5.8.
veroordeelt Albert Heijn tot betaling van de contante waarde van de gemiste opbouw ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van € 2.605,48 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;
ten aanzien van zowel [eiser sub 1] als [eiser sub 2]
5.9.
veroordeelt Albert Heijn om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 952,19 aan buitengerechtelijke kosten
5.10.
veroordeelt Albert Heijn in de proceskosten van € 2.097,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Albert Heijn niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend
5.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
34124 / 53854

Voetnoten

1.Kamerstukken I 1999/2000, 26358, nr. 52c p. 10.
2.Kamerstukken I 1999/2000, 26358, nr. 52c p. 7 en Kamerstukken II 1998/1999, 26358, nr. 3 p. 11.