ECLI:NL:RBGEL:2026:4293

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_1843
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 46b Wet op de Rechterlijke Organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar piramide verkeersmaatregel

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een brief van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest waarin werd meegedeeld dat een beweegbare piramide op de [locatie] permanent omlaag blijft staan om hulpdiensten toegang te verlenen. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat er geen sprake zou zijn van een besluit. Verzoekster stelde beroep in tegen deze beslissing en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorlopige voorziening. De piramide staat al sinds mei 2025 omlaag en het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart, heeft geen directe invloed op de feitelijke situatie. Bovendien zou het schorsen van dit besluit niet automatisch leiden tot het omhoog zetten van de piramide. Het beroep richt zich uitsluitend op de ontvankelijkheid van het bezwaar en niet op de rechtmatigheid van het omlaag houden van de piramide.

Daarnaast is er geen sprake van een noodsituatie, aangezien de weg voor motorvoertuigen zonder vergunning gesloten is verklaard en handhaving mogelijk is bij overtredingen. Het enkele verkeersongeval dat verzoekster aanvoert, is onvoldoende om spoedeisendheid aan te nemen. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/1843

uitspraak van de voorzieningenrechter van

in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Soest

(gemachtigde: mr. A.M. van de Laar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
2. Bewoners aan de [locatie] hebben op 27 mei 2025 een brief ontvangen dat de beweegbare piramide aan het begin van de laan 24 uur per dag omlaag zal staan. In verband met werkzaamheden elders in [plaats] kunnen hulpdiensten gebruik maken van de [locatie]. Er is een verkeersbord geplaatst om het inrijden van auto’s te verbieden.
2.1.
Het college heeft op 19 november 2025 een brief gestuurd aan bewoners van de [locatie], waarin wordt aangegeven dat de piramide omlaag blijft ondanks afronding van de werkzaamheden elders in [plaats]. Het gebruik van de [locatie] blijft nodig voor de hulpdiensten, in verband met de tijdelijke locatie van de brandweerpost. Het omlaag en omhoog brengen van de piramide kost de hulpdiensten extra tijd en dat is onwenselijk bij noodsituaties.
2.2.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 november 2025. Het college heeft met de beslissing op bezwaar van 26 februari 2026 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen sprake is van een besluit.
2.3.
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van 26 februari 2026 en heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.4.
De rechtbank Midden-Nederland heeft het beroep en het verzoek op grond van artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie ter behandeling doorgezonden aan de rechtbank Gelderland.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.1.
Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 26 februari 2026 te schorsen. Zij stelt een spoedeisend belang te hebben bij deze voorziening, omdat de weg zonder de piramide feitelijk open gesteld is voor motorvoertuigen zonder vergunning. Dit leidt tot structurele overtredingen en heeft ook tot een verkeersongeval geleid. Er is sprake van verkeersonveiligheid voor fietsers en voetgangers.
3.2.
Het college betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Het betreffende stuk van de [locatie] is gesloten verklaard voor motorvoertuigen, met uitzondering van vergunninghouders. De piramide is ter ondersteuning. Er is geen ‘onverwijlde spoed’, aangezien de piramide sinds mei 2025 al omlaag staat. Het door verzoekster genoemde ongeval is het enige geval waar het college bekend mee is.
3.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Ten eerste is van belang dat schorsing van het besluit van 26 februari 2026 er niet zonder meer toe leidt dat de piramide weer omhoog gezet zou moeten worden. In dit besluit is enkel het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, zodat een schorsing hiervan voor de feitelijke situatie geen betekenis heeft. Ten tweede zou een eventuele voorlopige voorziening inhoudende dat de piramide in afwachting van de behandeling van het beroep weer omhoog geplaatst moet worden, te verstrekkend zijn. Een dergelijke voorziening zou alleen in de rede liggen, als dit mogelijk de uitkomst van de beroepsprocedure kan zijn. Daarvan is geen sprake, nu het beroep enkel ziet op de vraag of het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een besluit. De rechtmatigheid van het omlaag houden van de piramide speelt daarin geen rol. Tot slot is er geen sprake van een noodsituatie. Er geldt een gesloten verklaring voor motorvoertuigen zonder vergunning. Bij overtreding hiervan ligt het op de weg hiertegen handhavend op te treden.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.