Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4259

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
05.221096.25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 157 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwetArt. 6:2:10 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk brandstichten met levensgevaar en grote schade

Op 19 juli 2025 ontstond brand in een pand te Lunteren met een telecomwinkel, cafetaria, hostel, restaurant en kamerverhuur. De brandhaard was op een bed in een kamer van de kamerverhuur, bewoond door arbeidsmigranten. Forensisch onderzoek wees uit dat de brand door menselijk handelen was veroorzaakt.

Verdachte, een 34-jarige man, had ruzie met een medebewoonster en dreigde haar kamer in brand te steken. Kort daarna ontstond daadwerkelijk brand op het bed. Verdachte bekende via geluidsfragmenten dat hij het vuur had aangestoken. Hij probeerde het vuur te doven en waarschuwde bewoners, maar de rechtbank achtte dit geen reden om het opzet te ontkennen.

De rechtbank concludeerde dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht terwijl levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en gemeen gevaar voor goederen te duchten waren. De schade was zeer groot, meer dan € 780.000, en de brand had zich kunnen uitbreiden naar naastgelegen panden.

Verdachte werd veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met zijn impulsieve daad, alcoholgebruik en pogingen om schade te beperken. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van € 422,75 toegewezen voor een nieuwe vloer; overige schadevorderingen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De straf wordt verminderd met de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De uitspraak werd gedaan door de rechtbank Gelderland op 28 mei 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf en moet een beperkte schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05.221096.25
Datum uitspraak : 28 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .
Raadsman: mr. Y. ten Tuijnte, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Lunteren, althans in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in het pand gelegen aan [adres] door, toen en aldaar opzettelijk, al dan niet met behulp van een (brandende) sigaret/peuk, vuur in te brengen op een bed (meer specifiek het in het pv bevindingen forensisch sporenonderzoek aangeduide tweede éénpersoonsbed in de vierde slaapkamer kamerverhuur), in elk geval (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en/of de inboedel van dat pand en/of een of meerdere naastgelegen panden en/of de inboedel van die/dat naastgelegen pand(en) en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten in dat pand en/of die omliggende panden aanwezige personen (te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] ) te duchten was;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 juli 2025 te Lunteren, althans in Nederland, zeer, in elk geval aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend, in het pand gelegen aan [adres] , al dan niet met behulp van een (brandende) sigaret/peuk, vuur heeft ingebracht op een bed (meer specifiek het in het pv bevindingen forensisch sporenonderzoek aangeduide tweede éénpersoonsbed in de vierde slaapkamer kamerverhuur), in elk geval (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een) brandbare stof(fen), waardoor het aan verdachtes schuld te wijten was dat er in dat pand brand is ontstaan, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en/of de inboedel van dat pand en/of een of meerdere naastgelegen panden en/of de inboedel van die/dat naastgelegen pand(en) en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten in dat pand en/of die omliggende panden aanwezige personen (te weten [getuige 1] en/of [getuige 2] ) ontstond.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat verdachte integraal vrijgesproken dient te worden.
Subsidiair voert de raadsman aan dat, in het geval dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte verantwoordelijk is voor de brand, opzet niet kan worden bewezen. Volgens de raadsman kan verdachte in dat geval ten hoogste voor het subsidiaire feit, de schuldvariant, worden veroordeeld.
Beoordeling door de rechtbank
Ontstaan van de brand
Op 19 juli 2025 is er een brand uitgebroken aan [adres] te Lunteren. Op de begane grond van het pand bevonden zich een telecomwinkel en een cafetaria. In het naastgelegen pand bevonden zich een hostel en restaurant. Op de eerste etage van het pand bevond zich een afzonderlijke woning, bewoond door de uitbaters van de cafetaria. Verder vond op die etage kamerverhuur plaats, met zes afzonderlijke slaapkamers en een gezamenlijke keuken, toilet en badkamer. Ook was er een gezamenlijk dakterras. De verhuurde kamers werden bewoond door arbeidsmigranten. [2]
Door de politie is forensisch onderzoek gedaan naar het ontstaan van de brand. Uit het brandbeeld kon worden opgemaakt dat de primaire brandhaard zich vermoedelijk op het matras van een bed in een van de kamers van de kamerverhuur had bevonden. [3] Dit bed betrof vermoedelijk het bed van een vrouwelijke bewoner, gelet op de kledingstukken die daar werden aangetroffen. [4] De lattenbodem in het midden en richting het voeteneinde van het bed waren deels doorgebrand waarbij enkele stukken volledig waren weggebrand. Dit was een opvallend beeld omdat, wanneer de brand elders in die kamer was ontstaan, het matras en de onderliggende lattenbodem vrij egaal door de brand zouden zijn aangetast. [5] Ook het plafond in de directe omgeving boven dit bed had forse brandschade. [6] Het dak boven het plafond van deze en de naastliggende slaapkamer was zeer instabiel en delen van dit dak konden mogelijk in de kamers vallen. [7]
Rondom dit bed (de primaire brandhaard) werden geen technische oorzaken of anderszins legaal verklaarbare oorzaken voor het ontstaan van de brandhaard gevonden. Uit het brandonderzoek volgt dat ter plaatse boven op het bed door een persoon vuur moet zijn ingebracht om de brand te ontsteken. [8]
Toen de politie na de melding van de brand ter plaatse kwam aan de [adres] trof zij drie bewoners van de kamerverhuur aan. Dit waren verdachte en getuige [getuige 2] (verder: [getuige 2] ), die beiden zwart zagen van het roet, en getuige [getuige 1] (verder: [getuige 1] ). Deze drie personen zijn uitvoerig gehoord door de politie.
Verdachte en [getuige 1] hadden op dat moment een soort relatie met elkaar. Verdachte noemt [getuige 2] zijn vriendin, [getuige 2] noemt verdachte haar ex-partner. [9]
Verklaringen
Verdachte verklaart dat hij samen met zijn huisgenoten, [getuige 2] en [getuige 1] op het dakterras was die dag. Zij waren de enige bewoners van de kamerverhuur die thuis waren. Verdachte verklaart dat hij ruzie kreeg met [getuige 1] . Tijdens die ruzie zei hij tegen haar dat hij een vuur zou maken in haar kamer en dreigde hij alles in brand te steken. [10]
Hij deelde die kamer met [getuige 1] . Op enig moment die dag heeft in die kamer gezien dat het bed van [getuige 1] in brand stond. Hij heeft toen de anderen gewaarschuwd en heeft tevergeefs het vuur geprobeerd te doven samen met [getuige 2] . Op dat moment ging ook het brandalarm af. Toen hij zag dat het doven geen zin meer had, heeft verdachte samen met [getuige 2] het huis gecontroleerd of er nog andere huisgenoten aanwezig waren. Daarna is hij het huis uitgegaan. [11] Hij was de eerste die de brand zag. [12]
Verdachte verklaart dat hij die dag vijf bier, waaronder twee halve liters, had gedronken. [13]
Getuige [getuige 2] verklaart dat zij die dag bier dronken en dat er een heftige ruzie was tussen verdachte en [getuige 1] . Op een gegeven moment stond getuige op het dakterras en kwam verdachte naar hem toe. Verdachte zei tegen hem: “Kom, kijk wat er gebeurd is.” Toen gingen zij naar de kamer van verdachte en [getuige 1] en zag getuige een bed in brand. [14]
Getuige [getuige 1] verklaart dat zij die dag zaten te drinken op het dakterras. Verdachte ging soms naar binnen om drinken te pakken of naar de wc te gaan, hij liep steeds naar binnen en naar buiten. Op een gegeven moment nam hij haar bij de hand en nam hij haar mee naar binnen. Toen zag zij dat er vuur was in de slaapkamer. [15]
Getuige en verdachte hadden daarvoor ruzie. Hij was zo dronken dat hij nauwelijks op zijn benen kon staan. [16] Verdachte dreigde dat hij al haar kleding zou verbranden. [17] Getuige verklaart ook dat verdachte zei dat hij brand ging steken maar te laat was met de brand te doven. [18] Korte tijd daarna ontdekte getuige de brand; getuige denkt dat er twee minuten zat tussen het moment dat verdachte dreigde met het aansteken van een brand en het ontdekken van de brand. [19]
Geluidsfragmenten
[getuige 1] heeft verschillende geluidsopnames gemaakt. Zij heeft de belangrijkste fragmenten bewaard en naar ‘de coördinatoren’ gestuurd. Dat zijn coördinatoren van het werk, [waaronder] [coördinator 1] . [20]
[coördinator 1] is werkzaam bij uitzendbureau [bedrijf] en kent vanuit die werkzaamheden de bewoners van [adres] . Zij heeft van [coördinator 2] , een vriendin van [getuige 1] [ [getuige 1] ] geluidsfragmenten ontvangen. [coördinator 2] vertelde dat [getuige 1] deze had opgenomen met haar dictafoon. [21] [coördinator 1] heeft de fragmenten ook doorgestuurd naar [coördinator 3] , ook werkzaam bij [bedrijf] . Zij zijn beiden verantwoordelijk voor de huisvesting van de arbeidsmigranten aan [adres] . [22] Zowel [coördinator 1] als [coördinator 3] zijn de Poolse taal machtig.
De audiofragmenten werden door een Poolse tolk vertaald. De vertaling/uitwerking van de relevante fragmenten is als volgt.
Fragment 2:
Aan het begin is er een brandalarm te horen en een vrouw en een man. De vrouw is in paniek.
Man: ‘Ren! Ren! Ren!
Vrouw: ‘Wat ben je aan het doen!’
Man: ‘Ga weg, weg’ ‘Er is geen zuurstof, geen zuurstof’
Vrouw: ‘Wat heb je gedaan [verdachte] , wat heb je gedaan?!’
Man: ‘Het komt door die sigarettenpeuk ik was een sigaret aan het roken’
In fragment 2 herkent verdachte zijn eigen stem. [23] Verdachte verklaart dat hij het had over die sigaret omdat hij [getuige 1] daar zo snel mogelijk weg wilde hebben vanwege het gevaar van de brand, en hij dus niet met haar in discussie wilde gaan op dat moment. Daarom heeft hij geantwoord dat hij de brand had gesticht met een sigaret. [24]
Fragment 4:
Man: ‘Ik heb een kampvuur in de kamer gemaakt en alles stond in de fik’
In fragment 4 herkent [coördinator 3] de stem van verdachte. [25] Verdachte verklaart ook dat hij zijn eigen stem herkent. Bij de rechter-commissaris bekent verdachte dat hij de genoemde zin heeft gezegd. [26]
[coördinator 1] verklaart nog dat zij op een van de fragmenten de stem van verdachte herkent die zegt: ‘Ik heb voor mezelf een vuur gemaakt in de kamer, kom kijken alles staat in de brand, alles is van jou!’ [27]
Bewijsoverwegingen
Uit het technische onderzoek blijkt dat het vuur aan [adres] ontstaan is op het bed van [getuige 1] en door een persoon aangestoken moet zijn. Hoewel de precieze oorzaak van de brand niet vast is komen te staan, staat wel vast dat het door menselijk handelen moet zijn gebeurd.
In de woning waren op dat moment drie personen aanwezig; verdachte, [getuige 1] en [getuige 2] . Uit de verklaringen blijkt dat verdachte en [getuige 1] ruzie hadden. Tijdens die ruzie dreigde verdachte om de spullen in de kamer van [getuige 1] in brand te steken. [getuige 1] verklaart dat zij er twee minuten later achter kwam, doordat verdachte haar dat liet zien, dat haar spullen daadwerkelijk in brand stonden. Verdachte is de eerste die de brand heeft gezien. In het dossier zitten daarnaast twee geluidsfragmenten, waarvan een van het moment van de brand zelf, waarop verdachte verklaart dat hij het vuur heeft aangestoken. Verdachte zelf en andere getuigen herkennen op die fragmenten de stem van verdachte en verdachte bekent zelf ook dat hij dat gezegd heeft.
Uit bovenstaande trekt de rechtbank de conclusie dat verdachte opzettelijk de brand heeft aangestoken. Hij heeft in eerste instantie gezegd dat het door zijn toedoen, door een sigaret, is ontstaan (op fragment 2). Dat hij enkel de schuld op zich nam om een discussie met [getuige 1] uit de weg te gaan om haar zo snel mogelijk in veiligheid te kunnen brengen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Bovendien zegt verdachte vervolgens, in fragment 4, dat hij het vuur daadwerkelijk heeft aangestoken, dat hij een kampvuur heeft gemaakt. Hij dreigde al dat hij het ging doen, en heeft het vlak daarna ook daadwerkelijk gedaan.
Verdachte heeft vervolgens moeite gedaan om het vuur te doven en om mensen te redden, zoals de raadsman ook heeft aangevoerd, maar dat handelen levert geen contra-indicatie op voor opzettelijk brandstichten. De poging tot blussen lijkt hooguit te zijn voortgekomen uit schrik over de omvang van het vuur, dat mogelijk niet in die mate door verdachte was voorzien, en uit poging om verdere schade en verder (levens)gevaar te voorkomen dan wel te beperken.
Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat voorzienbaar is geweest dat bij deze brandstichting naar algemene ervaringsregels gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten was.
Uit het forensisch brandonderzoek blijkt dat door de brand zware schade is ontstaan aan het pand en aan diverse goederen in het pand. De rook en hitte heeft zich door het hele pand verspreid waardoor op diverse plekken schade is ontstaan. Verder is door het blussen forse schade ontstaan aan de cafetaria en de telecomwinkel. Wanneer de brand later was gemeld dan had deze via het ontstane gat in het dak verder kunnen overslaan naar het naastgelegen pand met het hostel en restaurant. [28] De rechtbank concludeert daarom dat er algemeen gevaar voor goederen te duchten was.
Dat er ook gevaar voor lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten was volgt naar het oordeel van de rechtbank onder meer uit het tijdstip en de plek van de brandstichting. De kamer van verdachte en [getuige 1] bevond zich op een verdieping met meerdere (slaap)kamers grenzend aan een geheel andere woning (van de uitbaters van de cafetaria), en er bevonden zich ook panden naast, waardoor de brand zich had kunnen uitbreiden naar andere plekken. De brand brak uit op zaterdagavond (de melding bij de politie kwam rond 21:35 uur binnen), een moment dat veel mensen thuis zijn.
Getuigen [getuige 2] en [getuige 1] waren aanwezig in het pand.
Dat er levensgevaar was blijkt ook uit de verklaring van verdachte. Hij verklaarde ter terechtzitting dat het vuur gevaarlijk was en snel uitsloeg. [29] Verdachte verklaarde daarbij dat hij heeft geroepen dat iedereen snel het pand moest verlaten. Het feit dat hij bewoners heeft gewaarschuwd laat echter onverlet dat een zeer gevaarlijke situatie was ontstaan en voortduurde.
Concluderend acht de rechtbank bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks19 juli 2025 te Lunteren,
althans in Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in het pand gelegen aan [adres] door, toen en aldaar opzettelijk,
al dan niet met behulp van een (brandende) sigaret/peuk, vuur in te brengen op een bed (meer specifiek het in het pv bevindingen forensisch sporenonderzoek aangeduide tweede éénpersoonsbed in de vierde slaapkamer kamerverhuur)
, in elk geval (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen), terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en
  • levensgevaar en
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.
6. De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest en voorlopige hechtenis heeft gezeten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van de voorlopige hechtenis. Die kan gecombineerd worden met een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een taakstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft opzettelijk brand veroorzaakt in een pand met meerdere woningen, waarin op dat moment ook meerdere personen aanwezig waren. De brand heeft snel om zich heen geslagen, waardoor een groot deel van het pand is afgebrand. De schade was, blijkens de reeds verstrekte brandverzekeringsuitkering, meer dan € 780.000,00. De brand veroorzaakte daarbij levensgevaar en gevaar op ernstig letsel van de aanwezige personen, wat zich gelukkig niet heeft verwezenlijkt.
Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor het gevaar en de grote schade, angst en overlast voor de bewoners en andere betrokkenen, wat door zijn handelen is ontstaan. Hij blijft ontkennen dat hij iets met het ontstaan van de brand te doen heeft gehad.
De rechtbank stelt vast dat verdachte na het stichten van de brand wel moeite heeft gedaan om de schade te beperken. Zo heeft hij geprobeerd het vuur te blussen of te doven, zijn medebewoners gewaarschuwd, en heeft hij vervolgens samen met getuige [getuige 2] gecontroleerd of er nog meer personen in de woning waren.
Uit het strafblad van verdachte van 22 december 2025 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De reclassering heeft op 17 april 2026 een rapport over verdachte uitgebracht. Door de ontkennende proceshouding van verdachte kunnen zij het recidiverisico niet inschatten. De reclassering geeft wel aan dat de partnerrelatie met getuige [getuige 1] en alcoholgebruik mogelijk van invloed zijn geweest bij het plegen van het feit. Echter, vanwege het ontbreken van hulpvragen dan wel motivatie voor een hulpverleningstraject adviseert de reclassering om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De richtlijn voor strafvordering brandstichting (2022R007) van het Openbaar Ministerie, waar de officier van justitie naar verwezen heeft, gaat bij brandstichting in een gebouw met levensgevaar, waarbij geen letsel is ontstaan en slechts geringe schade, uit van een gevangenisstraf van tussen de drie en vier jaar. In dit geval is de schade echter zeer groot.
Voor het bewezen strafbare feit bestaan geen LOVS-oriëntatiepunten. De rechtbank heeft in acht genomen wat in soort gelijke zaken wordt opgelegd.
De rechtbank komt al met al tot een lagere straf dan door de officier is geëist en weegt daarbij mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en dat hij na de - kennelijk in een impulsieve daad en mogelijk onder invloed van alcohol verrichtte - brandstichting zijn fout heeft proberen recht te zetten en toen diverse pogingen heeft gedaan om de brand te blussen en zich heeft ingespannen verdere schade te beperken en bewoners te waarschuwen. Dit neemt niet weg dat de gevolgen en schade zeer groot zijn, zodat geen andere dan een langdurige gevangenisstraf passend is.
De rechtbank zal overeenkomstig het advies van de reclassering geen voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden opleggen.
De rechtbank acht alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig maanden passend en geboden. Daarop zal de tijd die verdachte in voorarrest en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in verband met het feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 30.809,75 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedings-maatregel verzocht.
Dit bedrag bestaat uit twee posten. Ten eerste een bedrag van € 30.387,00 aan btw over het bedrag van €144.700,00 aan de opstalschade aan de begane grond, dat door de verzekeraar niet vergoed is. Ten tweede een bedrag van € 422,75 voor een nieuwe kliklaminaatvloer.
De benadeelde partij heeft ter terechtzitting toegelicht dat een kliklaminaatvloer niet als onderdeel van de opstal geldt en niet door de opstalverzekering vergoed wordt en dat hij die daarom zelf heeft moeten betalen. De vloer was nodig in het achterste appartement, waar de uitbaters van de cafetaria wonen. Ten aanzien van de gevorderde btw heeft de benadeelde partij verklaard dat het een fout van de verzekering is dat dat bedrag niet is uitgekeerd: omdat hij het pand als particulier uitbaat in plaats van als ondernemer, had dat bedrag wel uitgekeerd moeten worden. Als particulier kan hij die btw niet verrekenen. Op vragen van de officier van justitie heeft de benadeelde partij geantwoord dat er nog geen verzoek loopt om die fout te herstellen omdat hij daarvoor eerst de rechtszitting wilde afwachten.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. Het bonnetje van de nieuwe vloer is van slechts enkele weken na de brand. De verdediging kan zich niet voorstellen dat er dan al een nieuwe vloer gelegd kon worden. Ten aanzien van de btw stelt de verdediging zich op het standpunt dat dat geen kostenpost is, omdat de btw betreft die je kan verrekenen met de Belastingdienst. Daarnaast is niet alleen de stelling over de btw maar ook de schade aan de opstal niet voldoende onderbouwd door de benadeelde partij en daardoor niet te controleren. Nadere onderbouwing, nader onderzoek en bijvoorbeeld het krijgen van de gelegenheid tot het doen verrichten van een contra-expertise zouden een te grote belasting van het strafproces betekenen. Daarom vraagt de verdediging subsidiair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
Overweging van de rechtbank
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De schadepost van de vloer is voldoende onderbouwd en komt redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de vloer geheel kan worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Door de verdediging wordt betwist dat de btw niet kan worden teruggevraagd. Ook de hoogte van de gestelde schade aan de opstal wordt betwist. Als onderbouwing daarvan is door de benadeelde partij enkel een ‘akkoordverklaring omvang schade’ van de verzekeraar overgelegd. Verdachte kan echter niet gebonden worden geacht aan deze schadevaststelling door een verzekeraar, temeer nu niet duidelijk is op welke informatie of documenten deze vaststelling is gebaseerd. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting, nadere onderbouwing van de vordering nodig is. Nader onderzoek naar deze schadepost betekent echter een onevenredige belasting van het strafproces. Daarom zal de rechtbank dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan (dit deel van) de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Verdachte is vanaf 11 augustus 2025 (de aankoopdatum van het laminaat) wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 422,75 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [benadeelde] , een bedrag te betalen van € 422,75 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 4 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. S.H.W. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.A. Dams, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 mei 2026.
Mr. Dams is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025344423, gesloten op 7 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 1-5.
3.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 18-19.
4.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 18.
5.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 17.
6.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 18.
7.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 9.
8.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 19.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 17-18.
10.Verhoor verdachte, p. 93, 95.
11.Verhoor getuige, p. 54-55.
12.Verhoor verdachte, p. 95.
13.Verhoor getuige, p. 55.
14.Verhoor getuige bij rechter-commissaris (aanvullend), p. 2-4.
15.Verhoor getuige, p. 31.
16.Verhoor getuige, p. 26, 32.
17.Verhoor getuige, p. 27.
18.Verhoor getuige, p. 31.
19.Verhoor getuige, p. 32.
20.Verhoor getuige, p. 27, 30.
21.Verhoor getuige, p. 60-61.
22.Proces-verbaal van bevindingen, p. 66.
23.Verhoor verdachte, p. 64.
24.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2026.
25.Verhoor getuige, p. 61; Proces-verbaal van bevindingen, p. 66.
26.Verhoor verdachte bij de rechter-commissaris, p. 1 (aanvullend).
27.Verhoor getuige, p. 61.
28.Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, Forensisch brandonderzoek, p. 19.
29.Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 mei 2026.