Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4181

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
AWB-26_2109 en AWB-26_2110
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 4 Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024Art. 20 Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024Art. 22 Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag woonurgentie wegens ontbreken persoonlijke noodsituatie

Eiseres, woonachtig met haar twee kinderen in het huis van haar moeder en zus, heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van woonurgentie vanwege een te kleine woning en spanningen in de woonsituatie. Het college heeft na een deskundigenrapport en bezwaarprocedure de aanvraag afgewezen omdat er geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het college terecht heeft geoordeeld dat de woning adequaat is voor het aantal personen en dat spanningen en cannabisgebruik van de zus niet leiden tot een medische noodsituatie. Eiseres heeft medische stukken en verklaringen van begeleiders ingebracht, maar deze zijn onvoldoende om een noodsituatie aan te tonen.

Ook de door eiseres aangevoerde hardheidsclausule wordt niet toegepast omdat de omstandigheden niet leiden tot een bijzondere hardheid. De voorzieningenrechter benadrukt dat het aan eiseres en haar familie is om de woning zo in te richten dat ieder een eigen slaapkamer heeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor woonurgentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/2109 en ARN 26/2110

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem

(gemachtigde: M.M.J. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verklaring van woonurgentie. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden heeft besloten de aanvraag af te wijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiseres heeft twee kinderen en woont met haar kinderen in het huis van haar moeder, samen met haar jongere zus. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van woonurgentie bij de urgentiecommissie. Zij heeft aangegeven dat de woning te klein is en dat er thuis ruzie en spanning is tussen haar en haar zus.
2.1.
Het college heeft een deskundige gevraagd om de woonsituatie van eiseres te beoordelen. De deskundige heeft op 28 november 2025 gerapporteerd. Eiseres heeft gereageerd op dit rapport. Het college heeft op 16 januari 2026 beslist dat eiseres geen verklaring van woonurgentie krijgt.
2.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek met de uitspraak van 12 maart 2026 afgewezen.
2.3.
Het college heeft met het bestreden besluit van 20 maart 2026 het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag in stand gelaten. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing en de voorzieningenrechter opnieuw gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
3. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van eiseres of het college bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.
Is er sprake van een woonnoodsituatie?
5. Het college heeft in de Huisvestingsverordening gemeente Arnhem 2024 (Verordening) en het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) bepaald wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een verklaring van woonurgentie.
In het vierde lid van artikel 10 van Pro de Verordening is bepaald:
4. Het college van burgemeester en wethouders kan een noodurgentieverklaring verstrekken aan een woningzoekende die zich in een persoonlijke noodsituatie bevindt, indien deze noodsituatie:
a. niet door betrokkene zelf is veroorzaakt of kon worden voorkomen;
b. niet door betrokkene zelf kan worden opgelost; en
c. zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze situatie langer dan 4 maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van de aanvraag om een urgentieverklaring.
In artikel 20 van Pro het Reglement aanvragen urgentie woonruimteverdeling Groene Metropoolregio 2024 (Reglement) is bepaald:
Er is sprake van een persoonlijke noodsituatie als:
- het probleem een directe relatie heeft met de woning of de woonomgeving. Een (andere) woning in de woningmarktregio moet een oplossing zijn voor de huidige noodsituatie,
- de huidige woning niet geschikt is (te maken) om het probleem, waarin het huishouden verkeert, te verhelpen, en
- de noodsituatie zodanig ernstig is dat het onverantwoord is deze langer dan vier maanden te laten voortbestaan, geteld vanaf het moment van behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring.
5.1.
Het college stelt in het bestreden besluit dat er geen sprake is van een persoonlijke noodsituatie. De woning met drie slaapkamers is adequaat voor het aantal personen. De spanningen onderling en het cannabisgebruik van de zus leiden niet tot een acute (medische) noodsituatie. Het college verwijst ook naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026.
5.2.
Eiseres vindt dat het college niet juist heeft beoordeeld of er sprake is van een persoonlijke noodsituatie. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt medische stukken ingebracht over haar zoon, twee brieven van Jeugd FACT uit 2023 en 2024 van haar zus en medische informatie over zichzelf.
5.2.1.
Het college is volgens eiseres in de beoordeling te beperkt geweest, door alleen te kijken of er sprake is van een medische noodsituatie. Haar situatie is dat in de woning sprake is van spanning onderling en gebruik van cannabis. Eiseres heeft met haar kinderen geen eigen afsluitbare ruimte, waardoor ze dagelijks worden blootgesteld aan de rook. Deze noodsituatie is op te lossen met een andere woning, waardoor eiseres rust, privacy en veiligheid geboden wordt. Het college heeft in de beoordeling ook onvoldoende rekening gehouden met de verklaringen van de betrokken begeleiders. Verder heeft het college door de verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter geen volledige heroverweging gedaan.
5.2.2.
Voor wat betreft het rapport van Leijten en Van Hoek stelt eiseres dat dit niet ten grondslag gelegd kan worden aan het besluit. Het is niet inzichtelijk hoe de verklaringen van de betrokken begeleiders zijn betrokken bij het advies, waardoor onduidelijk is hoe de geschetste problematiek is meegewogen. Ook is niet gemotiveerd waarom in het advies van 28 november 2025 wordt uitgegaan van de mogelijkheid dat eiseres met ambulante begeleiding zelfstandig kan wonen, maar in het advies van 3 februari 2026 wordt aangegeven dat eiseres niet zelfstandig zou kunnen wonen.
5.2.3.
Het college heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiseres zelf de situatie kan oplossen. De derde slaapkamer is in gebruik voor het opbergen van spullen. Er is geen andere opbergmogelijkheid. Ook begeleiders hebben geen oplossing kunnen vinden. Bovendien heeft het college niet beoordeeld of het verblijf van eiseres met haar twee kinderen op één kamer een duurzame woonsituatie oplevert. Ook dan blijft het drugsgebruik en de spanningen.
5.3.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het duidelijk is dat de woonsituatie van eiseres verre van ideaal is. Dat betekent echter niet dat er dus sprake is van een noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet in het geval van eiseres daarvoor te weinig aanknopingspunten. Hij zal dat toelichten.
5.3.1.
De voorzieningenrechter ziet ten eerste geen reden om aan te nemen dat het college geen volledige heroverweging heeft uitgevoerd in bezwaar. Het gegeven dat het college voor de motivering heeft verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter maakt niet dat daarom gesteld kan worden dat de heroverweging niet volledig is geweest. Eiseres heeft niet concreet gemaakt welke punten in de heroverweging gemist zouden zijn.
5.3.2.
Dat voor wat betreft de onderlinge spanning en het cannabisgebruik door het college is beoordeeld of aannemelijk is dat dit leidt tot een medische noodsituatie is, acht de voorzieningenrechter niet een te beperkte opvatting. Eiseres stelt namelijk dat aan de hand hiervan dat de woonsituatie niet verantwoord is. Het enkele gegeven dat er spanning is en cannabis gebruikt wordt in de woning betekent niet dat daarom al sprake is van een noodsituatie. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de gevolgen hiervan leiden tot een noodsituatie. Dat het college hiervoor heeft gekeken naar de medische gevolgen van het cannabisgebruik en de onderlinge spanning kan de voorzieningenrechter volgen. Eiseres heeft ook niet betoogt noch aannemelijk gemaakt hoe deze factoren anderszins leiden tot een noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet in de aanvullende medische stukken van eiseres ook geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een (medische) noodsituatie. De verklaring van de huisarts dat het goed voor eiseres en haar kinderen zou zijn om een eigen woning te hebben, is daarvoor onvoldoende.
5.3.3.
Wat betreft de woonruimte verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van 12 maart 2026. Hij brengt in herinnering dat van het gehele huishouden verwacht mag worden dat de woning zo wordt ingericht dat de woonruimte optimaal wordt benut, in die zin dat ook eiseres over een eigen slaapkamer beschikt. Gelet op de plattegrond van de woning volgt de voorzieningenrechter niet dat in de kleinste slaapkamer geen bed zou passen. De deskundige heeft in het rapport van 28 november 2025 toegelicht dat de kleinste slaapkamer leeg gemaakt kan worden, zodat de zus deze kamer in gebruik kan nemen. Eiseres kan dan samen met haar kinderen de vrijgekomen slaapkamer in gebruik nemen. Dit lijkt de voorzieningenrechter niet een onredelijke oplossing. Op de zitting heeft eiseres aangegeven dat het voor haar moeder noodzakelijk is om in de grootste kamer te verblijven, maar dit heeft zij niet onderbouwd. De voorzieningenrechter wenst te benadrukken dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van eiseres, haar moeder en haar zus behoort om de woning zo in te richten, dat eiseres (samen met haar kinderen) net als de moeder en de zus over een eigen slaapkamer kunnen beschikken. Eiseres en haar kinderen hebben dan een eigen ruimte waar zij zich naar kunnen terugtrekken. De voorzieningenrechter acht het college niet gehouden om te beoordelen of herindeling van de woning leidt tot een duurzame woonsituatie, nu de beoordeling voor een urgentieverklaring beperkt is tot de vraag of er sprake is van een woonnoodsituatie.
Had het college de hardheidsclausule toe moeten passen?
6. In artikel 22 van Pro de Huisvestingsverordening is bepaald dat het college bevoegd is om, in gevallen waarin de toepassing van de verordening naar haar oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van bepalingen in deze verordening.
6.1.
Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat niet gebleken is van medische, psychosociale of maatschappelijke redenen die maken dat de huidige situatie onverantwoord is. Er zijn daarom geen omstandigheden die leiden tot toepassing van de hardheidsclausule.
6.2.
Eiseres vindt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in haar situatie geen sprake is van toepassing van de hardheidsclausule. Er is geen afweging gemaakt op het feit dat twee jonge kinderen betrokken zijn, dat eiseres geen eigen slaapkamer heeft, dat er cannabis gebruikt wordt, dat er spanningen zijn, dat begeleiding aangeeft dat een eigen woning noodzakelijk is en dat eiseres kwetsbaar is vanwege een licht verstandelijke beperking, beperkte adaptieve vaardigheden en een duidelijke ondersteuningsbehoefte.
6.3.
Het betoog van eiseres slaagt niet. Eiseres heeft grotendeels gewezen op factoren aan de hand waarvan zij ook stelt dat er sprake is van een noodsituatie. De voorzieningenrechter heeft in het voorgaande geoordeeld dat, ondanks deze factoren, onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van een noodsituatie. Nu deze factoren niet leiden tot een noodsituatie, is er geen reden om aan te nemen dat ze wel leiden tot een bijzondere hardheid. In de stelling dat eiseres kwetsbaar is ziet de voorzieningenrechter ook geen reden om aan te nemen dat de weigering om urgentie te verlenen wegens het ontbreken van een noodsituatie leidt tot een bijzondere hardheid.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.