Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4174

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
05/350278-25; 22/003565-20 (vord. tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf voor vervoer van grote hoeveelheid lachgas

Op 23 december 2025 werd verdachte aangehouden tijdens een controle op de A15 bij Echteld, waar hij een voertuig bestuurde met daarin 300 dozen met in totaal circa 588 kilogram lachgas. Verdachte verklaarde dat hij door een onbekende was gevraagd een auto op te halen en naar een industrieterrein te rijden, waar de auto werd volgeladen zonder dat hij de lading zag.

De rechtbank oordeelde dat het voldoende vaststond dat de cilinders gevuld waren met lachgas en dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het vervoeren ervan, gezien de verdachte omstandigheden en zijn gedrag. Verdachte had de aanmerkelijke kans op het vervoeren van een illegale lading bewust aanvaard.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een onvoorwaardelijke taakstraf van 200 uren. De vordering tot maatregel kostenverhaal van €9.000 werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de kosten. Tevens werd een eerder opgelegde taakstraf ten uitvoer gelegd.

De strafmaat werd mede bepaald op basis van de ernst van het feit, de hoeveelheid lachgas, het gevaar voor de volksgezondheid en milieu, en het reclasseringsadvies dat aandacht vroeg voor de psychosociale situatie van verdachte. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op gericht op begeleiding en toezicht door de reclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 200 uur taakstraf voor het opzettelijk vervoeren van 588 kilogram lachgas.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05/350278-25; 22/003565-20 (vord. tul)
Datum uitspraak : 22 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsman: mr. M.G. Cantarella, advocaat in Den Haag.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 mei 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 december 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 588 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit met opzet in voorwaardelijke zin.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het bezit/vervoeren van lachgas en omdat niet (door het NFI) getest is of de stof in de flessen daadwerkelijk lachgas betrof.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op 23 december 2025 zagen verbalisanten op de A15 een voertuig, een Citroën Jumper (met kenteken [kenteken] ), rijden dat mogelijk te zwaar beladen was. Er was voor dit kenteken ook een ANPR melding afgegeven. Zij gaven de bestuurder een volgteken en controleerden het voertuig in Echteld (gemeente Neder-Betuwe). Verdachte bleek de bestuurder van het voertuig. In de laadruimte van het voertuig stonden twee pallets met daarop dozen. De pallets en een groot deel van de dozen waren omwikkeld met zwarte krimpfolie. De verbalisant opende een van de dozen en zag dat er een zwartgekleurde lachgascilinder in de doos zat. [2]
De lading van het voertuig is onderzocht. Op één pallet stonden in totaal 138 dozen en op de andere pallet stonden 162 dozen. In totaal stonden er 300 dozen op de pallets. De dozen hadden gevaarsetiketten klasse 2 en 5.1 en UN-nummer UN 1070. De verbalisant heeft van iedere pallet drie dozen geopend. Op de buitenzijde van de dozen stond ‘Nitrous Oxide UN1070 E942 food grade gas for food purposes only'. Dit betekent in het Nederlands onder meer lachgas. In elk van deze dozen zat een cilindervormige drukhouder van het merk Fastgas, met aan de bovenzijde de tekst ‘do not refill’ en een vultuit. Op de zijkant van de drukhouder stond dat er 2.000 gram nettogewicht in de drukhouder zat. Zes lachgascilinders zijn gewogen. Gemiddeld zat er in de zes lachgascilinders 1,96 kilogram lachgas. In totaal was er dan ook 588 kilogram lachgas (300x1,96). [3]
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in een eetcafé, door een onbekende, is gevraagd om een auto op te halen in Arnhem voor € 200,-. Hij heeft de auto opgehaald en moest vervolgens naar een industrieterrein rijden. Op het industrieterrein werd de auto volgeladen door iemand anders. Verdachte heeft dit niet gezien. Hij is vervolgens verder gereden met het voertuig en heeft niet gekeken wat er in de auto stond. De bedoeling was dat hij het voertuig naar Den Haag zou rijden. [4]
Bewijsoverweging inhoud flessen
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte op 23 december 2025 in een voertuig reed, met in de laadruimte daarvan twee pallets omwikkeld met zwarte krimpfolie. Op de pallets stonden in totaal 300 dozen met daarop gevaarsetiketten. Daarnaast stond op de dozen ‘Nitrous Oxide’, dat in het Nederlands lachgas betekent. In de dozen zaten cilindervormige drukhouders met vultuit van het merk Fastgas. Het is algemeen bekend dat Fastgas een leverancier van diverse soorten drukhouders met lachgas is.
Op basis hiervan staat voor de rechtbank voldoende vast dat de in het voertuig aangetroffen cilinders gevuld waren met distikstofmonoxide (lachgas) en dat iedere fles gemiddeld 1,96 kilogram lachgas bevat. Een rapport van het NFI (of gelijksoortig onderzoek) is naar het oordeel van de rechtbank niet vereist. [5]
Bewijsoverweging voorwaardelijk opzet
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het vervoer van lachgas – aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet zal, onder meer afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat verdachte door een onbekende man in een eetcafé is gevraagd om (voor een geldbedrag) een auto op te halen in Arnhem, deze auto naar een industrieterrein te brengen zodat deze kon worden volgeladen met een verdachte onbekende lading en vervolgens verder te rijden naar Den Haag. Verdachte was niet bekend in Arnhem. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden, de kans aanmerkelijk is dat het ging om een illegale lading. Verdachte heeft de kans dat hij lachgas vervoerde in de auto ook bewust aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat hij vooraf een kentekencheck heeft gedaan en gecontroleerd heeft of de auto mogelijk gestolen of niet verzekerd was. Dat bleek niet het geval. Daaruit blijkt echter wel dat hij de zaak niet geheel vertrouwde en de hem onbekende opdrachtgever kennelijk ook niet. Hij heeft echter niet gekeken wat er op het industrieterrein in de auto werd geladen, heeft daar niet naar gevraagd en heeft de laadruimte daarna ook niet gecontroleerd. Door onder deze omstandigheden te handelen heeft verdachte, anders dan door de verdediging is bepleit, voorwaardelijk opzet gehad op het vervoeren van lachgas. De rechtbank heeft hierbij ook meegewogen dat verdachte in eerste instantie niet heeft willen meewerken aan de ladingcontrole door de politie.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks23 december 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe, opzettelijk heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer588 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaar en met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel kostenverhaal op grond van artikel 13d van de Opiumwet zal worden opgelegd. De kosten van € 9.000,- dienen verhaald te worden op verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht een gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De raadsman heeft verzocht de maatregel kostenverhaal op grond van artikel 13d van de Opiumwet af te wijzen, nu dit onvoldoende onderbouwd is met een berekening.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, namelijk 588 kilogram. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers van lachgas de lege cilinders vaak achterlaten in de natuur. Door het vervoeren van deze hoeveelheid lachgas heeft verdachte in ieder geval een faciliterende rol gehad in deze vorm van criminaliteit. Daarnaast is het vervoeren van lachgas – zonder de hiervoor vereiste certificaten, een geschikt vervoermiddel en het opvolgen van de daaraan bij wet- en regelgeving gestelde eisen – zeer gevaarlijk. Zeker bij dit soort grote hoeveelheden. Verdachte heeft daarmee niet alleen zichzelf in gevaar gebracht, maar ook medeweggebruikers. Verdachte heeft voor dit alles geen verantwoordelijkheid genomen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 7 april 2026 blijkt dat verdachte op 13 februari 2025 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor het aanwezig hebben van verdovende middelen voor euro 225,- (eveneens lachgas).
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 26 maart 2026, waaruit blijkt dat sprake was van een financieel motief. De reclassering ziet risicovolle signalen gelet op het psychosociaal functioneren van verdachte, met name de beïnvloedbaarheid in combinatie met impulsiviteit. Dit heeft een rol gespeeld bij het plegen van dit feit. Als niet wordt ingezet op het stabiliseren van de praktische leefgebieden dan zullen de risico’s onveranderd (hoog) blijven. Verdachte dient hulp te krijgen gericht op motivering, zijn beïnvloedbaarheid en praktische zaken, waarbij ambulante begeleiding door een coach geïndiceerd is. Positief is dat verdachte huisvesting en een enigszins steunend familiair netwerk heeft. De reclassering adviseert oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf met de bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, dagbesteding, inzicht in financiën en schulden en ambulante begeleiding.
De straf
De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. Gelet op de vervoerde hoeveelheid lachgas zou een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zijn. Gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een forse onvoorwaardelijke taakstraf.
De rechtbank zal aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen met een proeftijd van 2 jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast zal de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf opleggen voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van het voorarrest.
Maatregel kostenverhaal
Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 564, nr.3, p. 19-20).
De officier van justitie onderbouwt de vordering maatregel kostenverhaal van € 9.000 op de algemene formulering, zoals op pagina 5 van het procesdossier, is vermeld. De vernietiging van één lachgasfles van tussen de 2-10 kilogram ligt tussen de € 30,- en € 40,-. De politie heeft aangegeven dat, vanwege contractuele verplichtingen met de verwerker, de exacte kosten niet kunnen worden berekend. Mede omdat deze kosten terecht komen bij de beslaghuizen en in bulk lastig te herleiden zijn naar één enkele verdachte.
De rechtbank zal in dit geval niet overgaan tot oplegging van de maatregel, omdat de rechtbank vaststelt dat niet aan de vereisten is voldaan. De gemaakte kosten zijn niet behoorlijk onderbouwd. In het dossier is geen rapport maatregel kostenverhaal en een factuur voor het vernietigen van de lachgasflessen opgenomen. Dit klemt temeer, omdat het gaat om een aanzienlijk bedrag, dat de veroordeelde zou moeten betalen.
De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook afwijzen.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 22-003565-20)

Het Gerechtshof Den Haag heeft verdachte op 12 februari 2024 veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De standpunten
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van die straf.
De raadsman heeft bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op de verzochte vrijspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Bewezen is dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de voorwaardelijk opgelegde straf daarom ten uitvoer moet worden gelegd.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht; en
- 3 en 11 van de Opiumwet.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
  • bepaalt dat
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 stelt als bijzondere voorwaarden dat:
-
Meldplicht bij reclassering
Verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
-
Dagbesteding
Verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van zinvolle dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
-
Inzicht in financiën en schulden
Verdachte inzicht geeft in zijn financiën en schulden. Indien schuldhulpverlening geïndiceerd is dan werkt betrokkene mee aan het treffen van afbetalingsregelingen;
-
Coaching/begeleiding
Verdachte, indien dat nodig wordt gevonden, meewerkt aan coaching dan wel begeleiding bij een nader te bepalen instelling (bijvoorbeeld E25), ten behoeve van vaardigheidstekorten, zijn persoonlijke ontwikkeling en toekomstbestendige invulling van zijn leven;
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de volgende voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
 legt op een
taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
 beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
Vordering tenuitvoerlegging 22-003565-20
 beveelt de tenuitvoerlegging van de op 12 februari 2024 door de het Gerechtshof Den Haag voorwaardelijk opgelegde straf, te weten 20 uren taakstraf (parketnummer 22-003565-20), te vervangen door 10 dagen vervangende hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Bruin (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. W. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Teger, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2026.
mr. S.A. Teger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025620340, gesloten op 24 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van bevindingen, p. 8 en p. 36.
3.Proces-verbaal van bevindingen, p. 11-12.
4.De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 mei 2026.
5.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2025:2348.