Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4140

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
05.365076.24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mishandeling met zwaar lichamelijk letsel in AZC

Op 14 november 2024 vond in een asielzoekerscentrum een mishandeling plaats waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep aan zijn handen en hoofd. Verdachte en zijn broer werden beschuldigd van medeplegen van deze mishandeling. De rechtbank onderzocht twee scenario's: het slachtoffer stelde dat hij werd aangevallen door de verdachten, terwijl de verdachten beweerden dat het slachtoffer de agressor was.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen, forensisch medisch letselrapport, DNA-onderzoek en getuigenverklaringen. Het letsel van het slachtoffer en de DNA-sporen ondersteunden het scenario van het slachtoffer. De verklaringen van de verdachten werden als minder aannemelijk beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat sprake was van medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.

Hoewel de officier van justitie het primair ten laste gelegde niet bewezen achtte, werd het meer subsidiair ten laste gelegde wel bewezen verklaard. Verdachte werd veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief een contact- en locatieverbod. Daarnaast werd een schadevergoeding van € 2.314,90 toegewezen aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf, waarvan 12 dagen voorwaardelijk, en schadevergoeding voor medeplegen mishandeling met zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-365076-24
Datum uitspraak : 1 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Syrië),
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. M.P.T. Peters, advocaat in Zutphen.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen op
21 februari 2025, 19 september 2025 en 17 april 2026.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 november 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk en
met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere verwondingen aan de rechterhand en/of linkerhand, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand(en) van die voornoemde [slachtoffer] te snijden en/of te steken;
subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 november 2024 te [plaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
  • een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand heeft genomen en/of
  • die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam heeft vastgepakt en/of vast gegrepen en/of in het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] heeft geknepen en/of
  • meermalen, althans eenmaal, met een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd van die voornoemde [slachtoffer] , althans op/tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] , heeft geslagen en/of
  • met een mes, althans een scherp voorwerp, (een) stekende bewegingen in de richting van de buik van die voornoemde [slachtoffer] heeft gemaakt en/of
  • met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand(en), althans in het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of
  • die voornoemde [slachtoffer] op/tegen/in het hoofd en/of het gezicht, althans op/tegen/in het lichaam, heeft geslagen en/of gestompt en/of gesneden en/of
  • die voornoemde [slachtoffer] met het hoofd en/of het lichaam tegen de muur heeft geduwd en/of geslagen en/of gestoten en/of
  • tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] heeft geschopt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiairalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 november 2024 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door
  • die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam vast te pakken en/of vast te grijpen en/of in het lichaam te knijpen en/of
  • meermalen, althans eenmaal, met een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd van die voornoemde [slachtoffer] , althans op/tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] , te slaan en/of
  • met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand(en), althans in het lichaam, van die voornoemde [slachtoffer] te steken en/of
  • die voornoemde [slachtoffer] op/tegen/in het hoofd en/of het gezicht, althans op/tegen/in het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te snijden en/of
  • die voornoemde [slachtoffer] met het hoofd en/of het lichaam tegen de muur te duwen en/of te slaan en/of te stoten en/of
  • tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] te schoppen
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vraagt vrijspraak voor het primair en subsidiair tenlastegelegde, nu het opzet op zwaar lichamelijk letsel en de voorbedachte rade niet kunnen worden bewezen. De officier van justitie heeft gesteld dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde feit. Er is sprake van medeplegen, nu beide verdachten een significante bijdrage hebben geleverd aan de gelijktijdig uitgevoerde mishandeling, die zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had. Het slachtoffer heeft een ontsierend litteken op een lichaamsdeel dat veel in het openbaar contact zichtbaar is, namelijk zijn hand.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte betrouwbaar zijn en dat het scenario dat door de aangever wordt geschetst onaannemelijk is. Voorts past het onderzochte letsel van beide broers binnen hun scenario en hun verklaringen worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris. En de aanwezigheid van bloed van aangever in de kamer spreekt het scenario van aangever tegen. Immers, volgens aangever begon het steken met een mes pas op de galerij, dan zou op de kamer nog geen sprake zijn van bloedverlies bij aangever door een steekwond, aldus de verdediging.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van een tweetal scenario’s, namelijk het scenario zoals dat geschetst is door aangever waarbij hij is aangevallen door de beide verdachten met een mes en een zwaar voorwerp en het scenario van de beide verdachten die aangever aanwijzen als de agressor met het mes. Die scenario’s worden hieronder eerst besproken, waarna de rechtbank aan de hand van de bewijsmiddelen uiteen zal zetten waarom zij de meeste steun ziet voor het scenario van aangever.
Scenario aangever
Aangever heeft verklaard dat hij op 14 november 2024 omstreeks 17:30 uur werd gebeld door [getuige 1] (
de rechtbank begrijpt: [getuige 1]), een vriendin van hem die hij kent uit het AZC in [plaats 1] . [getuige 1] zei dat ze ruzie had met haar man en vroeg aangever om bij haar te komen om de ruzie te sussen. Aangever kwam iets na 19:00 uur aan in het AZC in [plaats 1] en heeft [getuige 1] toen een bericht gestuurd met de vraag waar hij naartoe moest. Toen aangever de kamer van [getuige 1] binnenkwam merkte hij dat er geen sprake was van ruzie tussen [getuige 1] en haar ook in de kamer aanwezige man (
de rechtbank begrijpt: verdachte). Kort hierna kwam de broer van de man van [getuige 1] (
de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) ook de kamer binnen. De man van [getuige 1] vroeg naar de seksuele contacten tussen [getuige 1] en aangever. Dat gesprek verliep aanvankelijk rustig maar op een gegeven moment werd de man van [getuige 1] heel erg boos en begon aangever uit te schelden. Hij pakte een mes van ongeveer 10 centimeter lang van achter zijn broeksband. De broer van de man stond op dat moment achter aangever met een zwaar voorwerp in zijn hand. Aangever voelde dat de broer van de man hem hiermee meerdere malen op zijn achterhoofd sloeg. Aangever was angstig en is de kamer uit, de galerij op gevlucht. Hij werd vastgepakt door de broer van de man en weer geslagen met het voorwerp. Aangever wist los te komen, maar op de galerij stond de broer van de man op een gegeven moment achter hem en de man van [getuige 1] met het mes voor hem. De man maakte met het mes stekende bewegingen richting het midden van de buik onder de ribben van aangever. Aangever wist te voorkomen dat het mes hem in zijn buik zou raken door zijn rechterhand uit te steken en het mes te blokkeren. Hij werd met het mes op zijn rechterhand geraakt op de spier tussen zijn wijsvinger en duim. De man en zijn broer renden weg en aangever is hulp gaan zoeken. [2] Aangever heeft als gevolg van de aanval van verdachten schrammen in zijn nek en gezicht en aan de linkerkant van zijn hoofd heeft hij een wond. In zijn rechterhand heeft hij zeven hechtingen en in zijn linkerhand drie hechtingen. [3] De verwonding met het mes is volgens aangever toegebracht op het balkon (
de rechtbank begrijpt: de galerij) net na de deuropening van de kamer. [4]
Scenario verdachten
Verdachte heeft verklaard dat aangever de kamer van [getuige 1] (
[getuige 1]) binnenkwam en dat verdachte hem vroeg wat hij kwam doen. De broer van verdachte, medeverdachte [medeverdachte] , was in de kamer gekomen omdat verdachte hem had gevraagd om sigaretten langs te brengen. Vervolgens vertelde aangever wat hij allemaal met [getuige 1] had gedaan. Toen begon [getuige 1] te schreeuwen dat aangever naar buiten moest. Aangever pakte verdachte in een soort nekklem tegen de muur en pakte een schaar of iets scherps en verdachte probeerde het uit zelfverdediging van hem af te pakken. Tijdens het afpakken heeft verdachte de hand of arm van aangever geraakt. Toen [medeverdachte] zag dat verdachte gewond was geraakt begon hij aangever te duwen en schoppen. [medeverdachte] greep in om zijn broer te helpen en aangever heeft toen in de vinger van [medeverdachte] gebeten. [medeverdachte] heeft hem vervolgens met zijn telefoon op zijn hoofd geslagen. Verdachte probeerde naar buiten te gaan en werd tegengehouden door aangever. Aangever heeft met het voorwerp dat hij vasthield in de hand van verdachte gesneden. Dat gebeurde toen ze nog in de kamer waren. Verdachte zag bloed op zijn hand, op de vloer, op de tafel en op de deur. Toen het lukte om naar buiten te gaan hebben verdachte en zijn broer gewacht tot de politie kwam. Verdachte heeft toen met [naam] bij de ambulance gestaan, toen was [medeverdachte] al bij de politie. Verdachte probeerde het bloeden te stoppen door zijn T-shirt om zijn hand te wikkelen, [naam] heeft hem een jas gegeven die hij om zijn schouders had gedaan, daaronder had hij geen shirt aan. De ambulance wilde hem niet helpen, dus is hij bij [naam] achterop de fatbike naar het ziekenhuis gereden. [5]
Medeverdachte [medeverdachte] – de broer van verdachte – heeft verklaard dat hij toen hij bij de kamer aankwam geschreeuw hoorde. In die kamer waren [slachtoffer] (aangever) en verdachte. Aangever haalde een mes tevoorschijn en heeft per ongeluk zijn broer verwond. Verdachte probeerde het mes van hem af te pakken en sloeg daarbij aangever met zijn hoofd tegen de muur. Medeverdachte heeft aangever bij zijn schouders vastgepakt en met één hand geduwd. Nadat verdachte het mes had afgepakt heeft hij het op de grond gegooid en is hij weggegaan. Toen verdachte de kamer verliet was hij gewond aan zijn hand. [6]
Overige bewijsmiddelen
De telefoon van [getuige 1] is in beslag genomen en onderzocht. Op 14 november 2024 om 17:44 uur wordt door [getuige 1] naar aangever gebeld. Het gesprek duurt 20:48 minuten. Vervolgens wordt [getuige 1] op 14 november 2024 om 19:02 uur door aangever teruggebeld. Dit gesprek duurt 14 seconden. [7]
Getuige [getuige 2] is woonbegeleider op het AZC in [plaats 1] en hoorde omstreeks 19:00 uur een harde schreeuw en liep naar de linker voorzijde van gebouw B. Zij zag een man vanuit het linker trappenhuis over de galerij op de eerste verdieping naar het middelste trappenhuis rennen. Daarna hoorde zij weer een schreeuw en liep ze richting de linker zijkant van gebouw B. Vanaf de linker zijkant van gebouw B kwam een man – naar later bleek aangever – in haar richting strompelen. Zij zag dat hij bloedde aan zijn rechterhand. Ook had hij bloed op de linker bovenkant van zijn voorhoofd. Hij zei dat zijn telefoon, bankpas en identiteitskaart in kamer [nummer] lag. [8]
Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] waren in opvallend politie uniform kort hierna ter plaatse gekomen en troffen een slachtoffer aan met een snee in zijn rechterhand en verwondingen op zijn voorhoofd. Toen de verbalisanten bij de ambulance stonden waarin aangever op dat moment lag, zagen zij een man, later bleek dit [verdachte] te zijn, staan zonder enig letsel of verwondingen. Verbalisanten kregen van de Officier van Dienst de opdracht om uit te zoeken wie er in woning [nummer] ingeschreven stond nadat zij van een omstander hadden gehoord dat de dader in de groep bij de ambulance stond. Een collega van het AZC heeft hierop het systeem met verbalisanten doorlopen en hierop zagen verbalisanten dat de broers [verdachte] en [medeverdachte] stonden ingeschreven in woning [nummer] . Daar stonden ook foto’s bij. Dit was ook een moment dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] elkaar aankeken en tegen elkaar zeiden: "Hé die stond net ook nog buiten bij de ambulance" (of woorden van gelijke strekking). De verbalisanten liepen richting die woning en toen zij aankwamen zagen zij dat verdachte op een stoel zat met meerdere bloedvlekken op zijn shirt. Ook bloedde hij nog aan zijn hand. Verdachte wist op dat moment niet waar zijn broer [medeverdachte] was, hij zou nog ergens rondzwerven op het AZC. De verbalisanten zijn ervan overtuigd dat verdachte nog geen letsel of verwondingen had op het eerdere moment dat hij bij de ambulance voor ze stond. [9]
Verbalisant [verbalisant 1] is op 24 juni 2025 bij de rechter-commissaris gehoord en heeft de bovenstaande bevindingen bevestigd. Getuige heeft daarnaast nog verklaard dat hem bij de ambulance een klein groepje opviel qua gedrag, kijken en lachen. In die groep stond ook een man met een baard, lang haar en een donkere hoodie. Getuige vond het raar dat er een slachtoffer in de ambulance lag en dat er door dit groepje zoveel gelachen werd. Die man lachte het meeste in het groepje en hij had oogcontact met hem. Toen getuige later bij de woning van verdachte stond en zag dat verdachte gewond was, zei hij tegen getuige [verbalisant 2] dat hij deze man herkende als de man die net bij de ambulance stond, maar toen was hij nog niet gewond. [10]
Ook verbalisant [verbalisant 2] is op 24 juni 2025 bij de rechter-commissaris gehoord en heeft zijn eerdere bevindingen bevestigd. Hij heeft daarnaast nog verklaard dat hij toen hij bij de ambulance stond duidelijk oogcontact had met verdachte, alleen wist getuige toen nog niet dat hij de verdachte was. Op het latere moment dat getuige hem zag had verdachte heel veel bloed, vooral op zijn hand. Maar toen, dat eerdere moment bij de ambulance, heeft getuige bij hem geen enkel bloedspoor gezien. Verdachte crepeerde van de pijn op het latere moment. Daarvoor bij de ambulance deed hij gewoon mee met de menigte en heeft getuige niet kunnen waarnemen dat hij veel pijn had. [11]
In de forensisch medische letselrapportage van LOEF van 28 april 2025 is het letsel van aangever onderzocht. Letsel 1 betreft een scherp begrensde huiddoorbreking met een lengte van 6 cm over de rugzijde van de rechter hand/pols ter hoogte van de duim. Dit letsel is mogelijk veroorzaakt door een mes. [12]
In het addendum van 21 juli 2025 op voornoemd rapport is de ontstaanswijze van het handletsel getoetst aan specifieke scenario’s. Daaruit blijkt het volgende:
“Het letsel aan de handrug is waarschijnlijker onder de hypothese van een passieve, afwerende beweging (HO) dan onder de hypothese van het actief vastgrijpen van een mes (H1). Omdat het letselpatroon minder typisch is voor zelf toegebracht letsel, is het letsel tevens iets waarschijnlijker onder hypothese HO dan onder hypothese H2. Ten slotte is het letsel, gezien de locatie aan de buitenzijde van de hand, waarschijnlijker onder de hypothese van zelf toegebracht (H2) dan onder de hypothese van het afpakken van een mes (H1), waarbij letsel aan de binnenzijde van de hand wordt verwacht.” [13]
Het NFI heeft op basis van de bemonsteringen DNA-onderzoek gedaan naar aanleiding van het steekincident. Dat heeft tot de volgende resultaten geleid.
AAPQ4051NL#01 (bloed op de vloer binnen in woning b1.46)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel AAP04051NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
AAPQ4052NL#01 (bloed op binnenzijde voordeur van woning b1.46)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel AAP04052NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer
[slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.” [14]
“AANX6663NL#01 (bloed op vloer van galerij, tb+, fb3; t.h.v. toegangsdeur naar hal/trappenhuis)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen.
DNA-mengprofiel AANX6663NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
AANX6664NL#01 (bloed op vloerdorpel van hal naar trappenhuis fb4)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van twee personen.
DNA-mengprofiel AANX6664NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.
AAPO5034NL#01 (bloed op straat tussen gebouw b en gezamenlijke ruimte fb2)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel AAPO5034NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.
AAPO5035NL#01 (bloed op straat tussen gebouw b en gezamenlijke ruimte fb1)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van één persoon.
DNA-profiel AAPO5035NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige onbekende persoon.” [15]
Conclusie scenario’s
De rechtbank stelt op basis van voornoemde bewijsmiddelen vast dat aangever naar de woning van [getuige 1] is gekomen naar aanleiding van een telefoongesprek met [getuige 1] . Toen hij bij het AZC in [plaats 1] aankwam heeft hij haar gebeld om te vragen waar hij naartoe moest.
Aangever is vervolgens naar de kamer van [getuige 1] gegaan en trof daar ook verdachte en kort daarop medeverdachte aan. Dat aangever gewond is geraakt in de kamer blijkt volgens de rechtbank – naast zijn verklaring – uit de bloedsporen die in de kamer zijn aangetroffen op de vloer en aan de binnenzijde van de voordeur, die zijn DNA bevatten. Daarnaast is bloed met het DNA van aangever aangetroffen op de vloer van de galerij en op de vloerdorpel van de hal naar het trappenhuis. Dat past in het scenario van aangever dat hij in de kamer met een zwaar voorwerp op zijn hoofd is geslagen en dat hij op de galerij, vlak na de deuropening, is gestoken in zijn hand, waarna hij over de galerij wegstrompelde. Het strompelen is waargenomen door getuige [getuige 2] .
Het letsel dat aangever heeft aan zijn hoofd past bij het slaan met een zwaar voorwerp op zijn hoofd. Het letsel dat aangever heeft opgelopen aan zijn hand is volgens de letselrapportage het meest waarschijnlijk bij het scenario van aangever van het passief afweren van een mes.
Daar staat tegenover dat verdachte ook die avond op enig moment letsel heeft opgelopen maar dat er geen bloed van verdachte is aangetroffen op de kamer, noch op de galerij aansluitend aan de kamer, hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zijn letsel in de kamer heeft opgelopen en dat hij bloed zag op zijn hand, de vloer, de tafel en de deur. Gelet op de hevig bloedende wond van verdachte (zoals later waargenomen door de verbalisanten) zou het op zijn minst in de lijn der verwachtingen liggen dat er ook bloed van verdachte in de kamer en op zijn vluchtroute op de galerij zou zijn aangetroffen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de DNA-sporen op de galerij een mengprofiel waren van aangever en een onbekend gebleven persoon. Die onbekend gebleven persoon kan in ieder geval niet verdachte zijn, omdat het DNA van verdachte is meegenomen in het onderzoek zoals ter zitting ook door de getuige-deskundige R. van Wijk is bevestigd.
Voorts heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] . Politiemensen zijn erop getraind om details te signaleren en beide verbalisanten hebben bij de rechter-commissaris nogmaals bevestigd dat zij verdachte eerst zonder verwondingen bij de ambulance hebben zien staan terwijl aangever al in de ambulance lag en hem daarna bij zijn kamer aantroffen met een bloedende wond aan zijn hand. Zij zijn duidelijk over de kenmerken van herkenning van verdachte.
Het scenario van verdachten dat aangever verdachte heeft aangevallen op de kamer wordt dus op meerdere punten tegengesproken door voornoemde bewijsmiddelen, waardoor de rechtbank het scenario van verdachten als onaannemelijk beoordeelt. Dat de enige ooggetuige, [getuige 1] , bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat aangever verdachte eerst aanviel met een mes en hem in zijn hand stak, maakt dit niet anders. Zij heeft aanvankelijk bij de politie een andere verklaring afgelegd, namelijk dat zij zich niets kon herinneren dan wel niets had gezien. De verklaring bij de rechter commissaris is ongeveer zeven maanden na het voorval afgelegd. De verklaring dat de getuige ten tijde van het politieverhoor geestelijk in de war zou zijn waardoor zij later is opgenomen met een zorgmachtiging, wat daar ook van zij, is niet concreet onderbouwd. De rechtbank hecht meer waarde aan het bewijs zoals dat uit het onderzoek naar het letsel en de sporen blijkt dan aan deze wisselend verklarende getuige.
Het scenario van aangever wordt – anders dan dat van verdachten – wel ondersteund door voornoemde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat dan ook uit van het scenario van aangever, kort gezegd inhoudende dat er in de kamer ruzie ontstond en dat door verdachte en medeverdachte geweld is uitgeoefend op aangever door hem onder meer met een zwaar voorwerp tegen het hoofd te slaan en hem te steken met een mes. Aangever heeft hierdoor letsel opgelopen.
Zwaar lichamelijk letsel
Zoals hiervoor beschreven acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. De vraag die nog open staat is of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel hangt af van de aard en de ernst van het toegebrachte letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de informatie van aangever bij de vordering benadeelde partij is gebleken dat hij door de mishandeling in het ziekenhuis moest worden gehecht, waardoor hij nu nog een groot litteken op zijn hand heeft tussen zijn duim en wijsvinger. Hij heeft dit litteken ook ter zitting getoond aan de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
Medeplegen
Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Daarbij hoeven niet alle delictsbestanddelen door alle daders te zijn vervuld. De relevante criteria in dit verband zijn de vragen of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten en of er sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering.
Uit de hiervoor beschreven feiten blijkt dat zowel sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] als van een gezamenlijke uitvoering, zodat het handelen van verdachte kan worden gekwalificeerd als medeplegen. Verdachte en medeverdachte waren met aangever in de kamer toen de ruzie tussen verdachte en aangever begon. Medeverdachte heeft zich in de ruzie gemengd door aangever te duwen en met een zwaar voorwerp op zijn hoofd te slaan.
Kwalificatie
Primair is aan verdachte het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade ten laste gelegd en subsidiair het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachte rade. Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de mishandeling was voorbereid en dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever en daarom zal verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken. De rechtbank acht, gelet op al het voorgaande, het meer subsidiair ten laste gelegde, medeplegen van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, wel bewezen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder
meer subsidiairtenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks14 november 2024 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met een
of meerander
en,
althans alleen, [slachtoffer] heeft mishandeld, door
  • die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam vast te pakken
  • meermalen, althans eenmaal, met een zwaar voorwerp op/tegen het hoofd van die voornoemde [slachtoffer] ,
  • met een mes, althans een scherp voorwerp, in de hand
  • die voornoemde [slachtoffer] op/tegen/in het hoofd en
  • die voornoemde [slachtoffer] met het hoofd en
  • tegen het lichaam van die voornoemde [slachtoffer] te schoppen
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit (meer subsidiair):
medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor [plaats 2], met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. En voorts een taakstraf van 120 uur.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan mishandeling onder andere door het slachtoffer met een zwaar voorwerp op zijn hoofd te slaan en met een mes te steken. Ten gevolge van het handelen van verdachte heeft het slachtoffer een aanzienlijk litteken op zijn hand opgelopen. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte het slachtoffer zowel fysiek als psychisch leed berokkend. Daarbij vond de mishandeling plaats in een asielzoekerscentrum in de kleine kamer van de vriendin van verdachte, waardoor het slachtoffer niet makkelijk weg kon komen en dit voor hem erg beangstigend moet zijn geweest.
Uit het strafblad van verdachte van 17 april 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.
De reclassering heeft in het rapport van 31 maart 2026 gerapporteerd dat verdachte is gevlucht vanuit zijn thuisland Syrië en hij in Nederland een tijdelijke verblijfsvergunning heeft. Hij hoopt in Nederland te kunnen blijven en is doende zich de taal eigen te maken. Verdachte maakt een getraumatiseerde, maar voor het overige een zelfredzame indruk. Doordat hij en zijn broer niet langer op het AZC in [plaats 1] mochten verblijven, hebben zij langere tijd op straat rondgezworven. Er kan geen inschatting worden gemaakt van het recidiverisico. De reclassering adviseert om als bijzondere voorwaarden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor de woonplaats van het slachtoffer, zijnde [plaats 2], op te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op het plegen van een dergelijk strafbaar feit niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf. Hoewel de ernst van het feit in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van behoorlijke omvang rechtvaardigt, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank legt daarom een onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf op dat gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rest van de gevangenisstraf wordt voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst een strafbaar feit pleegt.
Alles afwegende, zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen opleggen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd, te weten een contact- en locatieverbod.

8.De beoordeling van de civiele vordering

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met de mishandeling een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 594,90 aan materiële schade en € 3.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Daartoe voert de officier van justitie aan dat de materiële kosten slechts gedeeltelijk zijn onderbouwd, waardoor de kosten van het eigen risico ter hoogte van € 314,90 kunnen worden toegewezen. De immateriële schade kan in zijn geheel worden toegewezen.
Voor het overige deel aan materiële schade/smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren.
De verdediging heeft zich – gelet op de verzochte vrijspraak – op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
Overweging van de rechtbank
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
De benadeelde partij vordert in totaal € 594,90 materiële schade, bestaande uit:
  • eigen risico € 314,90
  • ziekenhuiskosten € 180,00
  • taxivervoer € 100,00
De kosten voor het eigen risico zijn voldoende onderbouwd. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk. De overige twee schadeposten zijn niet onderbouwd.
Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft het eigen risico tot een hoogte van € 314,90 kan worden toegewezen.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek valt.
Door de mishandeling heeft de benadeelde immers lichamelijk letsel opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,00 vaststellen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Verdachte is vanaf 14 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
De rechtbank overweegt dat verdachte en zijn medeverdachte ieder voor het hele schadebedrag (hoofdelijk) kunnen worden aangesproken. Verdachte hoeft niet meer te betalen indien en voor zover zijn medeverdachte de schade heeft vergoed.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen;
  • bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
  • stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
  • stelt als bijzondere voorwaarde dat:
contactverbod
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met
[slachtoffer] , geboren op [geboortedag] 2002 in Syrië.
locatieverbod
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt in
[plaats 2];
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
De vordering van de benadeelde partij
  • veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 314,90 aan materiële schade en € 2.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
  • veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;
  • veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil;
  • legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 2.314,90 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 23 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
  • bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;
 bepaalt dat als de medeverdachte (een deel van) het schadebedrag betaalt dat bedrag op de betalingsverplichting van verdachte in mindering wordt gebracht;
 heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins (voorzitter), mr. M.E. Snijders en
mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2026.
mr. A.J.H. Steenweg en mr. M.E. Snijders zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024537653, ON3R024090, onderzoek Aardappel, gesloten op 30 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal van aangifte, p. 21-23.
3.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 25-26 (met bijlagen, p. 27-28).
4.Proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, p. 32.
5.Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 278, proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 282-286, proces-verbaal van aangifte van [verdachte] d.d. 24 februari 2025, p. 64-65 van het aanvullend procesdossier 2, de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 17 april 2026.
6.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , p. 245-248
7.Proces-verbaal van bevindingen, p. 206-208.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 144-145.
9.Proces-verbaal van bevindingen, p. 38-39
10.Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 1] d.d. 24 juni 2025 bij de rechter-commissaris, p. 1-11.
11.Proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 2] d.d. 24 juni 2025 bij de rechter-commissaris, p. 1-12.
12.LOEF Forensisch medische letselrapportage d.d. 28 april 2025, p. 50-57 (aanvullend procesdossier).
13.LOEF Forensische medische letselrapportage d.d. 21 juli 2025, p. 32-36 (aanvullend procesdossier 2).
14.NFI rapport d.d. 6 mei 2025
15.NFI rapport (herziene rapport) d.d. 12 september 2025.