Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4127

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11947809
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:127 lid 1 BWArt. 6:129 lid 1 BWArt. 7:750 BWArt. 7:755 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opdrachtgever wegens geslaagde verrekening door aannemer

Op 28 augustus 2023 sloot de aannemer een overeenkomst met de opdrachtgever voor het plaatsen van een dakkapel en een uitbouw tegen een aanneemsom van €54.612,70. De aannemer factureerde daarnaast meerwerk van €11.083,00, dat de opdrachtgever betwistte.

De opdrachtgever stelde dat de aannemer de werkzaamheden niet volledig en ondeugdelijk had uitgevoerd en vorderde een schadevergoeding van €21.332,30. De aannemer erkende niet alle werkzaamheden te hebben verricht, maar betwistte de hoogte van de schadevergoeding en stelde een tegenvordering tot betaling van de aanneemsom en het meerwerk, verminderd met reeds gedane betalingen.

De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst niet was ontbonden en dat de opdrachtgever gehouden was de aanneemsom en het meerwerk te betalen. De meerwerkfactuur werd terecht in rekening gebracht omdat deze werkzaamheden niet in de oorspronkelijke offerte waren opgenomen. De tegenvordering van de aannemer was hoger dan de vordering van de opdrachtgever, waardoor verrekening slaagde en de vordering van de opdrachtgever tenietging.

De rechtbank wees de vordering van de opdrachtgever af en veroordeelde hem in de proceskosten. Er werd geen wettelijke rente of incassokosten toegekend omdat de schade na het ontstaan van de verrekeningsbevoegdheid was ontstaan.

Uitkomst: De vordering van de opdrachtgever wordt afgewezen wegens geslaagde verrekening door de aannemer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11947809 \ CV EXPL 25-3008
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de eiser] ,
gemachtigde: mr. R. Neurink,
tegen
[naam gedaagde], handelend onder de naam
[naam gedaagd bedrijf],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 december 2025,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door mr. Neurink overgelegde aanvullende producties,
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 28 augustus 2023 heeft [de gedaagde] een offerte aan [de eiser] uitgebracht voor het plaatsen van een dakkapel en een uitbouw ten behoeve van de woning van [de eiser] (hierna: de woning). In de offerte is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Dakkapel + afwerking € 11.680,49
(…)
Totaal inclusief btw € 54.612,70
(…)
Wij verzoeken u vriendelijk te betalen binnen 30 dagen onder vermelding van factuurnummer.
(…)”
2.2.
Op 6 september 2023 is [de eiser] akkoord gegaan met de door [de gedaagde] uitgebrachte offerte.
2.3.
In oktober 2023 is [de gedaagde] gestart met de uitvoering van de werkzaamheden.
2.4.
Bij factuur van 12 juni 2024 heeft [de gedaagde] een bedrag van € 11.083,00 aan [de eiser] in rekening gebracht in verband met gesteld verricht meerwerk op de zolder van de woning. In deze factuur zijn de volgende werkzaamheden en kosten genoemd:
Scheidingswand plaatsen
€ 780,-
Gipsplaten plaatsen tegen dakbeschot
€ 1.100,-
Het verkleinen van trappengat beton werken
€ 540,-
Electrische installatie,
€ 700,-
Stuukwerken het dakbeschot, scheidingswand
€ 3.700,-
Afwerking trappenhal tussen 2de en 3de verdieping
€ 460,-
Kozijnen plaatsen
€ 680,-
Nutsvoorzieningen afvoer leidingwerk wasmachine en sanitair
€ 820,-
Dakraam plaatsen voorzijde
€ 380,-
Totaal exclusief BTW
€ 9.160,-
(…)
Totaal inclusief btw
€ 11.083,-
2.5.
Tussen partijen is op enig moment onenigheid ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden. Vanaf in elk geval 8 juli 2024 heeft [de gedaagde] geen werkzaamheden meer in de woning verricht. Op dat moment had [de gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden nog niet afgerond.
2.6.
Bij brief van 19 mei 2025 heeft de gemachtigde van [de eiser] onder meer aan [de gedaagde] bericht dat hij diverse werkzaamheden niet (volledig) heeft uitgevoerd en dat hij diverse werkzaamheden ondeugdelijk heeft uitgevoerd, alsmede dat [de gedaagde] op grond van artikel 6:74 BW Pro is gehouden om de daardoor door [de eiser] geleden schade te vergoeden. [de gedaagde] is in de brief gesommeerd om tot betaling van een schadevergoeding van € 21.332,30 over te gaan. [de gedaagde] heeft hieraan geen gevolg gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert, samengevat, dat de kantonrechter [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 21.332,30 aan hoofdsom en een bedrag van € 988,82 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom, en [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [de eiser] .
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.
Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [de gedaagde] de verbintenis op zich heeft genomen om een uitbouw en een dakkapel te plaatsen voor een door [de eiser] te betalen aanneemsom van € 54.612,70. Gelet op de aard van deze prestaties dient de overeenkomst tussen partijen te worden aangemerkt als een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit brengt met zich dat de bepalingen van titel 12 afdeling 1 van boek 7 van het BW van toepassing zijn.
4.2.
[de eiser] maakt aanspraak op betaling door [de gedaagde] van een schadevergoeding ter hoogte van € 21.332,30. [de eiser] legt hieraan ten grondslag dat [de gedaagde] niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd en dat hij diverse wel door hem verrichte werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht. [de eiser] heeft naar eigen zeggen het werk laten afmaken en herstellen door [bouwbedrijf] en heeft daarvoor een bedrag van € 21.332,30 aan [bouwbedrijf] betaald. [de gedaagde] is op grond van het bepaalde in artikel 6:74 BW Pro gehouden dit bedrag aan [de eiser] te betalen, aldus [de eiser] .
4.3.
[de gedaagde] erkent dat hij niet alle overeengekomen werkzaamheden heeft verricht. [de gedaagde] betwist echter de hoogte van het door [de eiser] in dit verband gevorderde bedrag en de stelling dat hij een deel van de door hem verrichte werkzaamheden ondeugdelijk heeft verricht. [de gedaagde] beroept zich daarnaast op verrekening met een tegenvordering die hij stelt te hebben op [de eiser] . Volgens [de gedaagde] is [de eiser] zowel de aanneemsom van € 54.612,70 als een bedrag van € 11.083,00 voor uitgevoerd meerwerk aan [de gedaagde] verschuldigd, verminderd met de door [de eiser] gedane betalingen van in totaal € 10.500,00, aldus [de gedaagde] .
4.4.
Eerst wordt ingegaan op het door [de gedaagde] gedane beroep op verrekening. Als dit verweer slaagt, dient de vordering van [de eiser] te worden afgewezen omdat de tegenvordering van [de gedaagde] hoger is dan de vordering waarvan [de eiser] in deze procedure betaling vordert.
4.5.
Vooropgesteld wordt dat de overeenkomst tussen partijen niet door [de eiser] of [de gedaagde] is ontbonden en dat ook in deze procedure geen ontbinding van de overeenkomst is gevorderd. De overeenkomst is derhalve – ondanks het voortijdig staken van de werkzaamheden door [de gedaagde] – in stand gebleven. Dit betekent dat op [de eiser] onverminderd de verplichting rust om de aanneemsom van € 54.612,70 aan [de gedaagde] te betalen, ook als [de gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen van de overeenkomst. [de eiser] is derhalve gehouden om de aanneemsom van € 54.612,70 aan [de gedaagde] te betalen.
4.6.
Tussen partijen is in geschil of [de eiser] naast de vaste aanneemsom ook nog een bedrag van € 11.083,00 aan [de gedaagde] is verschuldigd voor het gefactureerde meerwerk. Dit meerwerk heeft [de gedaagde] in de factuur van 12 juni 2024 aan [de eiser] in rekening gebracht (zie hiervoor 2.4.). [de eiser] betwist de verschuldigdheid van deze kosten. Hij voert daartoe aan dat geen sprake is van meerwerk omdat de werkzaamheden uit de meerwerkfactuur volgens hem al zijn meegenomen in de offerte van 28 augustus 2023, te weten in de post “
Dakkapel + afwerking”ad € 11.680,49. De kantonrechter volgt [de eiser] niet in dit standpunt. De werkzaamheden die in de meerwerkfactuur in rekening zijn gebracht, zijn immers geen werkzaamheden die betrekking hebben op het plaatsen en afwerken van de dakkapel maar die zien op werkzaamheden die [de gedaagde] op de zolder van de woning heeft verricht. Die werkzaamheden worden niet in de offerte van 28 augustus 2023 genoemd. [de eiser] heeft, hoewel dat op zijn weg had gelegen, de stelling dat de gefactureerde meerwerkposten onderdeel uitmaken van de vaste aanneemsom ook voor het overige niet onderbouwd. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat het gefactureerde meerwerk geen onderdeel uitmaakt van het aanvankelijk door partijen overeengekomen werk. Aangezien voorts niet in geschil is dat [de gedaagde] de betreffende werkzaamheden in opdracht van [de eiser] heeft uitgevoerd, staat vast dat sprake is van een door [de eiser] gewenste toevoeging/verandering in het werk (meerwerk). Het spreekt voor zich dat [de gedaagde] het meerwerk niet zou hebben verricht wanneer de kosten daarvoor voor zijn eigen rekening zouden komen. [de eiser] had daarom moeten begrijpen dat [de gedaagde] voor het meerwerk extra kosten aan hem in rekening zou brengen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:755 BW Pro is [de eiser] dan ook gehouden de kosten van het gefactureerde meerwerk ad € 11.680,49, tegen welke hoogte geen afzonderlijk verweer is gevoerd, te betalen aan [de gedaagde] . [de eiser] dient derhalve naast de vaste aanneemsom van € 54.612,70 ook een bedrag van € 11.083,00 aan [de gedaagde] te betalen. Dit is een totaalbedrag van € 65.695,70. Niet in geschil is dat deze vordering opeisbaar is.
4.7.
Partijen verschillen van mening over de vraag welk bedrag [de eiser] in totaal aan [de gedaagde] heeft betaald, € 41.000,00 zoals [de eiser] stelt of € 10.500,00 zoals [de gedaagde] stelt. Het antwoord op deze vraag kan echter in het midden blijven. Ook wanneer vast komt te staan dat [de eiser] een bedrag van € 41.000,00 aan [de gedaagde] heeft betaald, bedraagt de tegenvordering van [de gedaagde] € 24.695,70 (€ 65.695,70 -/- € 41.000,00). Ook in dat geval is de tegenvordering van [de gedaagde] derhalve hoger dan de in deze procedure door [de eiser] gevorderde hoofdsom van € 21.332,30.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [de gedaagde] op verrekening slaagt. Dit betekent dat de vordering van [de eiser] op [de gedaagde] – waarvan de hoogte thans niet vast staat maar die volgens het petitum in de dagvaarding niet meer dan € 21.332,20
bedraagt – teniet is gegaan door verrekening (artikel 6:127 lid 1 BW Pro). De gevorderde hoofdsom zal daarom worden afgewezen.
4.9.
Omdat verrekening op grond van het bepaalde in artikel 6:129 lid 1 BW Pro terugwerkt tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan en de door [de eiser] gestelde schade na het opeisbaar worden van de tegenvordering van [de gedaagde] is ontstaan, is geen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden. Ook dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.
4.10.
Hetgeen overigens nog is aangevoerd behoeft geen bespreking meer omdat dit gelet op het vorenstaande niet tot een andere uitkomst zal leiden.
4.11.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de gedaagde] worden vastgesteld op:
- verletkosten
50,00
Totaal
50,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af,
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 50,00, te vermeerderen met de kosten van betekening.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op
20 mei 2026.