Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[naam gedaagd bedrijf],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
Dakkapel + afwerking”ad € 11.680,49. De kantonrechter volgt [de eiser] niet in dit standpunt. De werkzaamheden die in de meerwerkfactuur in rekening zijn gebracht, zijn immers geen werkzaamheden die betrekking hebben op het plaatsen en afwerken van de dakkapel maar die zien op werkzaamheden die [de gedaagde] op de zolder van de woning heeft verricht. Die werkzaamheden worden niet in de offerte van 28 augustus 2023 genoemd. [de eiser] heeft, hoewel dat op zijn weg had gelegen, de stelling dat de gefactureerde meerwerkposten onderdeel uitmaken van de vaste aanneemsom ook voor het overige niet onderbouwd. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat het gefactureerde meerwerk geen onderdeel uitmaakt van het aanvankelijk door partijen overeengekomen werk. Aangezien voorts niet in geschil is dat [de gedaagde] de betreffende werkzaamheden in opdracht van [de eiser] heeft uitgevoerd, staat vast dat sprake is van een door [de eiser] gewenste toevoeging/verandering in het werk (meerwerk). Het spreekt voor zich dat [de gedaagde] het meerwerk niet zou hebben verricht wanneer de kosten daarvoor voor zijn eigen rekening zouden komen. [de eiser] had daarom moeten begrijpen dat [de gedaagde] voor het meerwerk extra kosten aan hem in rekening zou brengen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:755 BW Pro is [de eiser] dan ook gehouden de kosten van het gefactureerde meerwerk ad € 11.680,49, tegen welke hoogte geen afzonderlijk verweer is gevoerd, te betalen aan [de gedaagde] . [de eiser] dient derhalve naast de vaste aanneemsom van € 54.612,70 ook een bedrag van € 11.083,00 aan [de gedaagde] te betalen. Dit is een totaalbedrag van € 65.695,70. Niet in geschil is dat deze vordering opeisbaar is.