Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:411

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
11731227
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:317 BWArt. 3:318 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen verjaring van leningvordering; nadere akte vereist over verpanding

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van een lening van €50.000,- verstrekt aan Klein Heumen Holding B.V. in 2009, met een rente van 4% per jaar. De lening zou na acht jaar worden afgelost, maar betaling bleef uit. Klein Heumen stelde dat de vordering verjaard was omdat zij in 2013 in verzuim zou zijn geraakt, terwijl eiser betoogde dat de lening pas in 2017 opeisbaar werd en de verjaring daarna is gestuit door erkenning.

De kantonrechter past het Haviltex-criterium toe om de overeenkomst uit te leggen en oordeelt dat de lening niet direct opeisbaar werd bij het missen van een rentebetaling, mede gezien de achtergestelde aard van de lening en de betrokken private financiers. De verjaringstermijn begon derhalve in april 2017 en liep vijf jaar. Er is in 2021 een erkenning van de schuld door Klein Heumen geweest, wat de verjaring stuitte.

Klein Heumen stelde dat eiser zijn vordering aan de Rabobank had verpand en daardoor niet meer zelf inningsbevoegd was, maar eiser heeft hier nog niet op kunnen reageren. De kantonrechter geeft eiser de gelegenheid om hierover een nadere akte te nemen en houdt verdere beslissing aan tot na ontvangst daarvan.

Uitkomst: De vordering is niet verjaard vanwege erkenning, nadere akte over verpanding wordt afgewacht, verdere beslissing aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 11731227 \ CV EXPL 25-1702
Vonnis van 16 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.M. Gunning,
tegen
KLEIN HEUMEN HOLDING B.V.,
te Nijmegen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Klein Heumen,
gemachtigde: mr. J. Schröder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 29 augustus 2025
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Klein Heumen is in 2009 opgericht door [eiser] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Zij deden dit via de respectievelijke vennootschappen [naam 4] , [naam 1] en [naam 5] en Ace Result B.V. Het betrof een samenwerkingsverband waarbij de vier oprichters ook de eerste directe bestuurders waren.
2.2.
Op 20 april 2009 hebben [eiser] en Klein Heumen een contract t.b.v. achtergestelde lening (hierna: overeenkomst) gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft [eiser] aan Klein Heumen een lening van € 50.000,- verstrekt tegen een rente van 4% per jaar. In artikel 3 van Pro de overeenkomst staat het volgende:

De lening eindigt na 8 jaar en zal dan worden afgelost. Op dat moment kunnen partijen in onderling overleg een nieuwe contract overeenkomen. (…)
In artikel 5 lid 1 van Pro de overeenkomst staat:

De leningovereenkomst eindigt van rechtswege en het door de leningnemer alsdan verschuldigde is terstond opeisbaar in de volgende gevallen:
  • Indien de leningnemer in verzuim is met nakomen van enige verplichting uit hoofde van deze overeenkomst;
  • (…);
  • (…).
2.3.
In 2016 is [eiser] gestopt als statutair bestuurder bij Klein Heumen.
2.4.
In 2021 is gesproken over het overdragen door onder meer [naam 4] van haar aandelen in Klein Heumen aan [naam 1] en [naam 5] Op 30 november 2021 schreef [eiser] per e-mail aan [naam 1] , een van de aandeelhouders van [naam 1] en [naam 5] :

(…) ik vind nog steeds dat ondanks alles - crisis, Corona, etc. - de warm geld mensen hun spaarcentjes terug moeten krijgen. In welke vorm, met welke kleine stukjes, in welk tempo dan ook. Zakelijk zijn we dat verplicht en ook privé kan ik me het niet permitteren het zomaar te laten lopen. (…)
2.5.
Hierop reageerde [naam 1] op 1 december 2021 als volgt:

(…) We blijven inderdaad verplicht iets te doen met de warm-geld verstrekkers. (…) De aandelenoverdracht staat los van de warmgeldrechten. Dat zal ook vermeld worden door de notaris in de akte van overdracht. Ik heb er vertrouwen in dat we hoe dan ook op gaan betalen, in welke vorm/termijn kom ik op terug. (…)
2.6.
[naam 4] , waarvan [eiser] enig aandeelhouder en enig bestuurder is, heeft eind 2021 haar aandelen in Klein Heumen vervolgens verkocht en geleverd aan [naam 1] en [naam 5] In de notariële akte die daarover gaat, staat op blad 4 het volgende:

(…) Ter voorkoming van misverstanden verklaarde de Vennootschap nog dat de overeenkomst van geldlening gesloten tussen de enig aandeelhouder en enig bestuurder van [eiser] en de Vennootschap in stand blijft. (…)
Met ‘Vennootschap’ wordt Klein Heumen bedoeld en met ‘ [eiser] ’ [naam 4]
2.7.
Op 8 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] het volgende aan Klein Heumen bericht:

(…) Met uitzondering van de eerste twee jaren is er tot op heden geen rente betaald, terwijl er op de hoofdsom geen enkel bedrag is terugbetaald. (…) Klein Heumen (…) schiet daarmee schromelijk tekort in de nakoming van haar verplichtingen jegens mijn cliënt. (…) Een en ander vormt voor mijn cliënt een gerechtvaardigde reden de leningsovereenkomst op te zeggen hetgeen met deze als zodanig bedoelde zinsnede dan ook gebeurt. (…) Namens cliënt verzoek en sommeer ik u om het uit hoofde van de lening verschuldigde bedrag binnen drie weken na heden te voldoen (…). Bij gebreke van tijdige betaling bent u allen in verzuim (…).
2.8.
Klein Heumen heeft op 21 oktober 2024 laten weten niet aan de sommatie te (kunnen) voldoen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Klein Heumen te veroordelen tot betaling aan [eiser] , binnen twee dagen na betekening van het vonnis, van een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling, met veroordeling van Klein Heumen in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt - kort samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat hij op 1 mei 2009 een bedrag van € 50.000,00 heeft geleend aan Klein Heumen tegen een rente van 4% per jaar. De lening zou binnen acht jaar worden afgelost en is daarom opeisbaar geworden op 1 mei 2017. Volgens [eiser] heeft Klein Heumen alleen over de jaren 2009 en 2010 de verschuldigde rente voldaan en is zij de hoofdsom en het restant aan rente nog verschuldigd. [eiser] beperkt zijn vordering tot € 25.000,00, het bedrag van de absolute bevoegdheid van de kamer voor kantonzaken, zodat de kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.
3.3.
Klein Heumen voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Wat partijen vooral verdeeld houdt, is of de vordering van [eiser] op Klein Heumen is verjaard. Klein Heumen stelt dat dat het geval is, omdat zij op 3 januari 2013, althans een andere datum in 2013, in verzuim is geraakt en de verjaring niet tijdig (voor 4 januari 2018) is gestuit. Het verzuim trad, op grond van artikel 5 lid 1 van Pro de overeenkomst, in toen Klein Heumen stopte met rentebetalingen en dat was in 2013, aldus Klein Heumen. [eiser] betwist dat de vordering is verjaard. Volgens hem is de lening pas opeisbaar geworden in april 2017, acht jaar na het aangaan van de lening, zoals in artikel 3 van Pro de overeenkomst vermeld staat. Toen is de verjaringstermijn gestart en dus moest voor april 2022 gestuit worden. Daaraan is voldaan, aldus [eiser] , omdat de lening sinds 2009 zonder onderbreking opgenomen is in de gepubliceerde jaarrekeningen van Klein Heumen en dat als erkenning van de schuld door Klein Heumen geldt. Ook de e-mail van [naam 1] van 1 december 2021 houdt een erkenning van de schuld in; net als de opmerking in de notariële akte die op de lening ziet. Daarna is de vordering op 8 oktober 2024 (opnieuw) door [eiser] zelf gestuit.
Aanvang verjaringstermijn
4.2.
Omdat partijen allebei een andere lezing van artikel 5 van Pro de overeenkomst hebben en op die wijze verschillen van mening over hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd, zal de kantonrechter allereerst daarover oordelen. Het komt, bij uitleg van deze bepaling, niet alleen aan op de bewoordingen van het artikel, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex-criterium).
4.3.
De overeenkomst betreft een achtergestelde lening. Dat betekent dat [eiser] niet als eerste of een van de eerste leningverstrekkers terugbetaald zou worden. Dat is een eerste indicatie dat de uitleg van Klein Heumen dat de lening direct opeisbaar werd zodra een rentebetaling gemist werd, niet strookt met de bedoeling van partijen om de lening te verstrekken onder voor Klein Heumen gunstige voorwaarden. Daarnaast geldt dat de natuurlijke personen achter de B.V.’s van de oprichters van Klein Heumen en mensen uit het netwerk van de oprichters van Klein Heumen als private financiers zouden fungeren en/of private financiers zouden aantrekken. Dat is ook gebeurd. Die financiers werden “warmgeldverstrekkers” genoemd. Bij zo’n constructie past het niet, zoals Klein Heumen betoogt, dat onmiddellijk wanneer voor het eerst geen rente wordt betaald op de lening, van rechtswege verzuim intreedt. Een ingebrekestelling is dan eerst vereist en gesteld noch gebleken is dat zo’n ingebrekestelling in 2013 door [eiser] is verstuurd. Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn niet al in 2013 is gaan lopen.
4.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter geldt het volgende. De lening is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk acht jaar (artikel 3 van Pro de overeenkomst). Dat betekent dat de lening op 20 april 2017 opeisbaar was, tenzij een nieuw tijdstip van afbetaling overeengekomen werd. Nu niet is gesteld dat een nieuw tijdstip overeengekomen is, is de verjaringstermijn van vijf jaar voor wat betreft de hoofdsom op dat moment gaan lopen (art. 3:307 BW Pro). De vordering van [eiser] is daarom op 20 april 2022 verjaard, tenzij voor die tijd de vordering is gestuit (art. 3:317 BW Pro) of erkend (art. 3:318 BW Pro).
Stuiting of erkenning?
4.5.
Duidelijk is dat [eiser] de vordering voor 2024 niet zelf schriftelijk heeft gestuit. De opname van de zinsnede in de notariële akte over de overeenkomst kan wel opgevat worden als een erkenning. Helemaal bezien in het licht van de voorafgaande e-mailcorrespondentie daarover in 2021 tussen [eiser] en [naam 1] . Dat betekent dat in 2021 een erkenning heeft plaatsgevonden door Klein Heumen richting [eiser] die de lopende verjaringstermijn heeft gestuit. Dat terugbetaling van de lening dus enkel een morele verplichting/natuurlijke verbintenis van Klein Heumen is gebleven is daarom onjuist. [eiser] heeft (nog steeds) de mogelijkheid terugbetaling van de lening in rechte af te dwingen.
4.6.
Omdat [eiser] zijn vordering beperkt heeft tot € 25.000,00 en enkel de hoofdsom (indien de vordering niet zou zijn beperkt) al € 50.000,00 bedraagt, zal de kantonrechter niet ingaan op verjaring en/of verdere discussiepunten ten aanzien van rentevordering van [eiser] (4% per jaar).
Akte
4.7.
Bij dupliek heeft Klein Heumen de stelling opgeworpen dat [eiser] zijn vordering aan de Rabobank heeft verpand, de verpanding op 23 december 2013 aan Klein Heumen is medegedeeld en [eiser] daardoor niet meer zelf inningsbevoegd was. Het pandrecht is daarna, aldus Klein Heumen, teniet gegaan door inning. Daarom moet [eiser] volgens Klein Heumen niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Op deze stelling heeft [eiser] nog niet kunnen reageren. Daarom zal de kantonrechter [eiser] in de gelegenheid stellen een akte specifiek over dit punt te nemen.
4.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
vrijdag 13 februari 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 4.7, waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
40141 / 560