ECLI:NL:RBGEL:2026:4062

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25_1324
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.F. Kossen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:7 AwbArt. 8:117 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag erfbelasting niet-ontvankelijk wegens te late indiening

Belanghebbende, woonachtig in Spanje, was enig erfgenaam van zijn in Nederland woonachtige zus die op 13 januari 2023 overleed. De inspecteur legde op 18 oktober 2023 een aanslag erfbelasting op van €4.839, met daarbij €62 aan belastingrente. Belanghebbende maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Gelderland.

De rechtbank beoordeelde of het beroep tijdig was ingediend. De beroepstermijn van zes weken begon op 1 februari 2025, de dag na de uitspraak op bezwaar van 31 januari 2025. Het beroepschrift werd ontvangen op 19 maart 2025, terwijl het uiterlijk op 14 maart 2025 gepost had moeten zijn. Het poststempel op de enveloppe was 17 maart 2025, wat buiten de termijn viel.

De gemachtigde van belanghebbende stelde dat het beroepschrift op 13 maart 2025 per e-mail naar een secretaresse was gestuurd die het vervolgens op 13 of 14 maart had gepost. De rechtbank achtte deze verklaring niet aannemelijk omdat deze pas ter zitting werd ingebracht en niet werd onderbouwd met bewijs.

De rechtbank oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, mede omdat van een gemachtigde verwacht mag worden dat hij tijdens een verblijf in het buitenland zijn werkzaamheden laat waarnemen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en kwam zij niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de aanslag.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag erfbelasting is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1324

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats] te Spanje, belanghebbende,

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Eindhoven, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 januari 2025.
De inspecteur heeft op 18 oktober 2023 aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd ter hoogte van € 4.839.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 62 belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag en de belastingrentebeschikking gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de inspecteur [persoon A] en [persoon B].

Feiten

Op 13 januari 2023 is overleden mevrouw [persoon C] (hierna: erflaatster). Erflaatster was de zus van belanghebbende. Belanghebbende is benoemd tot enig erfgenaam. Belanghebbende heeft de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard. Erflaatster woonde in Nederland ten tijde van haar overlijden. Belanghebbende woont in Spanje.
Belanghebbende heeft beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar van 31 januari 2025. Het beroepschrift is gedagtekend 13 maart 2025. Het beroepschrift heeft een poststempel met datum 17 maart 2025 en is binnengekomen bij de rechtbank op 19 maart 2025.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het beroepschrift van belanghebbende binnen de beroepstermijn is ingediend en daarmee ontvankelijk is. Alleen indien het beroep ontvankelijk is, kan de rechtbank beoordelen of de aanslag erfbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroepschrift te laat is ingediend en dat deze termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Dat betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.
Vooraf
5. De rechtbank staat allereerst, ook al hebben partijen dat niet opgeworpen, voor de vraag of zij bevoegd is deze zaak te behandelen. Hiertoe overweegt zij als volgt.
6. Belanghebbende woont reeds meer dan 25 jaar in Spanje en heeft dus geen woonplaats in Nederland. Op grond van artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet het beroepschrift dan worden ingediend bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. Op grond van artikel 11, eerste lid, van het Besluit Fiscaal Bestuursrecht bevindt de zetel van de inspecteur, zijnde het bestuursorgaan, zich op het kantoor van de Belastingdienst te Heerlen ingeval de belanghebbende geen woonplaats in Nederland heeft. Dit brengt met zich dat niet deze rechtbank, maar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant bevoegd is kennis te nemen van het beroep van belanghebbende.
7. De rechtbank heeft echter pas vlak voor de zitting geconstateerd dat zij (relatief) onbevoegd is. Een doorzending van deze zaak naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant zou ertoe leiden dat behandeling van deze zaak nog meer vertraging oploopt. En dat terwijl al ruim een jaar is verstreken sinds de indiening van het beroepschrift. Voorts kan het gerechtshof een uitspraak gedaan door een relatief onbevoegde rechtbank op grond van artikel 8:117 van Pro de Awb aanmerken als bevoegdelijk gedaan. De rechtbank heeft om die reden aan partijen voorgelegd of zij ermee akkoord zijn dat deze rechtbank de zaak afdoet. Partijen hebben desgevraagd verklaard hiermee akkoord te zijn.
Ontvankelijkheid
Tijdige indiening van het beroepschrift
8. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.
9. Vaststaat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 31 januari 2025 is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De beroepstermijn is dus aangevangen op 1 februari 2025.
10. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.
10. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 14 maart 2025. Het beroepschrift zou tijdig ingediend zijn, indien:
  • het uiterlijk 14 maart 2025 zou zijn ontvangen;
  • het uiterlijk 14 maart 2025 zou zijn gepost én uiterlijk een week later zou zijn ontvangen.
Het beroepschrift is op 19 maart 2025 ontvangen door de rechtbank. Voor een tijdige indiening dient het beroepschrift dus uiterlijk te zijn gepost op 14 maart 2025.
12. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. In deze zaak heeft de enveloppe een leesbaar poststempel met datum 17 maart 2025 en dat is buiten de termijn. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. [1]
13. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat zijn zoon de uitspraak op bezwaar in zijn huis heeft gevonden op 13 maart 2025 (toen hij de verwarming voor zijn vader vast ging aanzetten) en deze toen naar hem heeft toegestuurd per e-mail. Volgens gemachtigde heeft hij meteen het pro forma beroepschrift opgesteld en dit op 13 maart 2025 per e-mail aan zijn secretaresse in Nederland gestuurd, waarna zij het beroepschrift op 13 of 14 maart 2025 heeft gepost. De rechtbank acht deze verklaring zonder nader bewijs niet aannemelijk. De gemachtigde heeft deze stelling namelijk pas ter zitting voor de eerste keer ingebracht en die stelling wijkt af van de stelling die gemachtigde in het beroepschrift heeft ingenomen. In het beroepschrift schreef hij dat hij pas na 14 maart terug was uit Spanje, waardoor hij fysiek niet in staat was de brief te posten, wat volgens hem een verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. Aan het eind van de zitting, toen de rechtbank het onderzoek al had gesloten, heeft gemachtigde gevraagd of hij de stelling over de secretaresse mocht onderbouwen. De rechtbank heeft dit toegestaan en heeft hem hiervoor (bij digitaal bericht van 1 mei 2026) een week de tijd gegeven. De gemachtigde heeft van deze gelegenheid echter geen gebruik gemaakt, zodat bewijs van de stelling ontbreekt.
14. De conclusie is dat het beroepschrift buiten de termijn is ingediend.
Verschoonbaarheid termijnoverschrijding
15. Als een beroepschrift te laat is ingediend, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet-tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
16. Desgevraagd heeft de gemachtigde als reden voor de te late indiening gegeven dat hij van 21 januari 2025 tot na 14 maart 2025 in het buitenland verbleef. Daarom heeft de uitspraak op bezwaar van de inspecteur hem niet tijdig bereikt. De rechtbank is van oordeel dat dit niet kan leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding en overweegt daartoe als volgt.
17. Van een gemachtigde mag worden verwacht dat hij tijdens zijn verblijf in het buitenland zorgt dat zijn werkzaamheden in Nederland, waaronder de behandeling van de post, worden waargenomen. Dit geldt des te meer nu het correspondentieadres van de gemachtigde als correspondentieadres van belanghebbende in het systeem van de Belastingdienst staat opgenomen. Bovendien heeft de gemachtigde op 12 december 2024 namens belanghebbende deelgenomen aan een hoorgesprek. Uit het hoorverslag blijkt dat tijdens het hoorgesprek is afgesproken dat de gemachtigde tot begin januari 2025 de tijd zou krijgen om te reageren op het hoorverslag, waarna de inspecteur uitspraak op bezwaar zou doen. De gemachtigde had er dan ook rekening mee moeten houden dat hij deze uitspraak op bezwaar mogelijk zou ontvangen tijdens zijn verblijf in het buitenland.
18. Nu van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding geen sprake is, zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt om die reden niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.
19. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F. Kossen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 22 mei 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze aan partijen is verzonden.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2138.