Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4039

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/1396
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:19 AwbArt. 4 Regeling TSBArtikel 10 Regeling TSB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekte wegens ontbreken betrouwbare diagnose CSE

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB) vanwege vermoedelijke schildersziekte (CSE). De SVB wees de aanvraag af omdat het Deskundigenpanel geen betrouwbare diagnose CSE kon vaststellen volgens het Protocol CSE 2025.

De rechtbank oordeelt dat eiser niet kan profiteren van de versoepeling van de bewijslast in het Protocol CSE 2025, omdat geen medisch specialist of het Solvent Team een onderbouwde diagnose CSE heeft gesteld. Het Deskundigenpanel heeft de vijf diagnostische stappen uit het Protocol CSE 2025 doorlopen en vastgesteld dat eiser niet voldoet aan stap 5, het objectiveren van cognitieve stoornissen met neuropsychologisch onderzoek.

Eiser bracht diverse medische stukken in, waaronder brieven van neurologen en neuropsychologen, maar deze bevatten geen onvoorwaardelijke diagnose CSE. De rechtbank volgt de deskundigen in hun oordeel dat de medische gegevens onvoldoende zijn en dat de neuropsychologische onderzoeken onbetrouwbaar zijn door onderpresteren en ontbrekende onderliggende testresultaten.

De rechtbank concludeert dat het Protocol CSE 2025 geen strengere criteria stelt dan de Regeling TSB, maar een verlichte bewijslast biedt indien een diagnosebrief aanwezig is. Omdat die ontbreekt, is de afwijzing van de aanvraag terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser ontvangt geen tegemoetkoming, griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag tegemoetkoming wegens ontbreken van een betrouwbare diagnose CSE.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1396

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Knotter),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigden: mr. J.G. Starrenveld en mr. E.M. Mulder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB). Eiser is het niet eens met de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 6 oktober 2023 heeft eiser bij het Instituut Slachtoffers Beroepsziekten door Gevaarlijke stoffen (ISBG) een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op basis van de Regeling TSB. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het ISBG op 31 januari 2024 bij eiser een arbeidsanamnese afgenomen, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het Rapport blootstelling door arbeid. Uit dit rapport blijkt dat eiser gedurende een aantal perioden in het tijdvak 1978 tot 1998 bij verschillende werkgevers werkzaamheden als schilder heeft verricht. Eiser stelt in die perioden in aanraking te zijn gekomen met vluchtige organische stoffen. Op verzoek van het ISBG heeft een deskundigenpanel van Bureau Lexces (Deskundigenpanel) een oordeel gegeven, dat is vastgelegd in de brief van 9 augustus 2024 aan het ISBG. Op basis van dit oordeel heeft het ISBG een advies uitgebracht aan de SVB, vervat in de brief van 26 augustus 2024. De SVB heeft vervolgens met overneming van dit advies de aanvraag van eiser met het besluit van 30 augustus 2024 afgewezen. Daaraan heeft de SVB ten grondslag gelegd dat hoewel eiser ziek is, het Deskundigenpanel heeft vastgesteld dat zijn ziekte niet voldoet aan alle voorwaarden van de Regeling TSB en het Protocol CSE dat ter uitvoering van de Regeling TSB is opgesteld. De beschreven toename van de gezondheidsklachten na het beëindigen van de blootstelling aan vluchtige organische stoffen is niet passend voor CSE, er zijn andere oorzaken die de gezondheidsklachten kunnen verklaren en bij alle drie de afgenomen neuropsychologische onderzoeken (NPO’s) is sprake van onderpresteren, waardoor het niet mogelijk is om de denkfunctie te beoordelen.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt en de gronden bij brief van 26 november 2024 aangevuld.
2.2.
Met het bestreden besluit van 13 januari 2025 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. De SVB heeft zich daarbij gebaseerd op het rapport van Bureau Lexces van 18 december 2024. In dit rapport schrijft Bureau Lexces dat in bezwaar geen aanvullende medische informatie is ingebracht, anders dan de informatie die al is meegenomen in de eerdere beoordeling van het Deskundigenpanel. Daarom heeft Bureau Lexces de gronden van bezwaar niet aan het Deskundigenpanel voorgelegd. De onderliggende testresultaten dienen beschikbaar gesteld te worden, alvorens het paneloordeel heroverwogen kan worden.
2.3.
Eiser heeft op 21 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Per 1 juli 2025 is het Protocol CSE in het kader van de Regeling TSB uit 2023 [1] (Protocol CSE 2023) gewijzigd. [2] Op verzoek van de SVB heeft het ISBG het dossier van eiser opnieuw voorgelegd aan het Deskundigenpanel, ter (her)beoordeling aan de hand van het nieuwe Protocol, het Protocol CSE 2025. Bij brief van 8 juli 2025 heeft het Deskundigenpanel zijn oordeel gegeven. Aan de hand daarvan heeft de SVB bij brief van 31 juli 2025 de motivering van het bestreden besluit aangevuld.
2.5.
Tegen de aanvulling van de motivering heeft eiser bij brief van 31 maart 2025 (de rechtbank begrijpt: 31 juli 2025) gronden van beroep ingediend.
2.6.
Het ISBG heeft op 22 augustus 2025 aan Bureau Lexces gevraagd om daarop te reageren. Bij brief van 3 september 2025 heeft Bureau Lexces laten weten dat er geen nieuwe medische informatie is ingebracht, anders dan de informatie die al door het Deskundigenpanel is meegenomen in de eerdere beoordeling. Daarom is de aanvulling niet voorgelegd aan het Deskundigenpanel. Bureau Lexces heeft in de brief van 3 september 2025 gemotiveerd waarom de door eiser aangevoerde gronden niet kunnen worden gevolgd.
2.7.
Naar aanleiding van door de rechtbank aan beide partijen bij afzonderlijke brieven van 10 oktober 2025 gestelde vragen, heeft de SVB bij brief van 21 oktober 2025 gereageerd middels toezending van een rapport van Bureau Lexces van 20 oktober 2025. Eiser heeft op de aan hem gerichte vragen gereageerd bij brief van 21 oktober 2025, onder bijvoeging van medische informatie, waaronder de brief van [persoon A] , gezondheidspsycholoog bij de vakgroep medische psychologie van Rijnstate, van 7 juni 2013 over het NPO uitgevoerd op 22 april 2013 en 3 mei 2013.
2.8.
Bij brief van 24 oktober 2025 heeft eiser nog het rapport in de procedure gebracht van het NPO van [persoon B] , neuropsycholoog in opleiding tot GZ-psycholoog onder supervisie van [persoon C] , gezondheidspsycholoog/neuropsycholoog, van Amsterdam UMC van 30 november 2021.
2.9.
De SVB heeft in reactie op de bij brief van 21 oktober 2025 toegezonden brief van [persoon A] van 7 juni 2013 over het NPO uitgevoerd op 22 april 2013 en 3 mei 2013, een brief van Bureau Lexces van 30 oktober 2025 toegezonden.
2.10.
Bij brief van 3 november 2025 heeft eiser nog toegezonden een (onvolledige) versie van de brief van drs. [persoon D] , gezondheidszorgpsycholoog, van 10 maart 2006 over het NPO verricht op 3 en 22 februari 2006.
2.11.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de SVB deelgenomen.
2.12.
Omdat tijdens de zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Eiser is in de gelegenheid gesteld om specifieke, bij naam genoemde, (medische) stukken in te dienen. Bij brief van 10 november 2025 heeft eiser medische stukken ingebracht. Vervolgens is de SVB in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De SVB heeft daarop de brief van Bureau Lexces van 1 december 2025 ingebracht.
2.13.
Bij brief van 15 december 2025 heeft de rechtbank aangekondigd dat zij voornemens is een (nadere) zitting achterwege te laten. Omdat geen van de partijen binnen de gestelde termijn heeft laten weten alsnog op een zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank bij brief van 20 januari 2026 het onderzoek gesloten. Aangezien niet binnen de wettelijke termijn uitspraak kon worden gedaan, heeft de rechtbank nadien de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet ter discussie staat dat eiser ziek is. Het geschil in eisers zaak gaat over de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden om vanwege deze ziekte aanspraak te kunnen maken op een tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB.
3.1.
De ziekte waar het hier om gaat is bekend onder verschillende benamingen, te weten schildersziekte, Organisch Psycho Syndroom (OPS), Chronische Toxische Encephalopathie (CTE) en Chronic Solvent-induced Encephalopathy (CSE). De rechtbank zal in deze uitspraak, net als tijdens de zitting, de benaming CSE gebruiken. Dit is ook de benaming die wordt gehanteerd in de Regeling TSB en in het Protocol CSE 2023 en het Protocol CSE 2025, die voor deze ziekte zijn opgesteld ter uitvoering van de Regeling TSB.
4. De afwijzing van de aanvraag in het primaire besluit heeft de SVB gebaseerd op de brief van 9 augustus 2024 van het Deskundigenpanel. In deze brief heeft het Deskundigenpanel de aanvraag van eiser wat betreft de medische diagnostiek getoetst aan de voorwaarden uit het Protocol CSE 2023. Ook het bestreden besluit van 13 januari 2025 is gebaseerd op de toetsing aan de voorwaarden uit het Protocol CSE 2023.
4.1.
Op verzoek van de SVB heeft het Deskundigenpanel bij brief van 8 juli 2025 de aanvraag van eiser wat betreft de medische diagnostiek getoetst aan de voorwaarden uit het Protocol CSE 2025, dat per 1 juli 2025 van kracht is geworden naar aanleiding van een wijziging (uitbreiding) van de Regeling TSB. [3] De SVB heeft dit oordeel van het Deskundigenpanel ten grondslag gelegd aan de brief van 31 juli 2025. In deze brief heeft de SVB geconcludeerd dat de herbeoordeling door het Deskundigenpanel niet heeft geleid tot een positief advies, waardoor het primaire besluit in stand blijft en eiser geen tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB krijgt.
4.1.1.
Zoals tijdens de zitting is besproken, is de brief van de SVB van 31 juli 2025 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met deze brief van 31 juli 2025 wordt immers geen wijziging in eisers rechtspositie teweeg gebracht ten opzichte van het bestreden besluit. Omdat geen sprake is van een besluit, mist artikel 6:19 van Pro de Awb toepassing. De rechtbank beschouwt de brief van de SVB van 31 juli 2025 daarom als een aanvullende motivering van het bestreden besluit.
4.2.
Het Protocol CSE 2025 heeft tot doel om de kans op toekenning van een tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB te vergroten ten opzichte van het Protocol CSE 2023. [4] Met het oog daarop is de regelgever ten aanzien van de voorwaarde van de diagnose CSE tot een verlichting van de ‘bewijslast’ gekomen. [5] Toepassing van het Protocol CSE 2025 is derhalve gunstiger voor een betrokkene dan toepassing van het Protocol CSE 2023. Gelet daarop en omdat partijen tijdens de zitting nadrukkelijk hebben ingestemd met een toetsing uitsluitend aan de voorwaarden van het Protocol CSE 2025, zal de rechtbank volstaan met de beoordeling van de motivering van het bestreden besluit, die is gebaseerd op het Protocol CSE 2025.
4.2.1.
De omstandigheid dat de SVB deze motivering pas in de fase van beroep heeft ingebracht, leidt in dit geval niet tot de conclusie dat sprake is van een gebrekkige motivering van het bestreden besluit. De toetsing door het Deskundigenpanel aan de voorwaarden van het Protocol CSE 2025 heeft immers op verzoek van de SVB plaatsgevonden vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, om te beoordelen of deze toetsing ook in het specifieke geval van eiser tot een gunstiger resultaat zou leiden dan toetsing aan de voorwaarden van het Protocol CSE 2023. Gelet op de datum van inwerkingtreding van het Protocol CSE 2025, 1 juli 2025, kon de motivering ook niet vóór de fase van beroep aan het bestreden besluit van 13 januari 2025 ten grondslag worden gelegd.
5. In artikel 4, eerste lid, van de Regeling TSB, welke geldt vanaf 1 juli 2025, dat gaat over het recht op een tegemoetkoming, is bepaald:
1. De werkende heeft eenmalig recht op een tegemoetkoming, indien:
a. het Deskundigenpanel, met inachtneming van het afwegingskader causaliteit en de bijbehorende protocollen beroepsziekten heeft beoordeeld of:
1°. sprake is van een ernstige aandoening die ten tijde van de aanvraag voor de tegemoetkoming vermeld is op de Lijst beroepsziekten, opgenomen in de bijlage; en
2°. voorshands aannemelijk is dat deze ernstige aandoening in het geval van de aanvrager het gevolg is van blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen bij het verrichten van de arbeid; en
b. de werkende geen betaling in verband met deze ernstige aandoening van één of meer werkgevers of opdrachtgevers heeft ontvangen gelijk aan of hoger dan het bedrag van de tegemoetkoming, ongeacht de vorm waarin de betaling is gedaan en de aard van de kosten waarin de betaling voorziet.
5.1.
Ter beoordeling of wordt voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en onder 1°, van de Regeling TSB beoordeelt het Deskundigenpanel of bij eiser de diagnose CSE is vastgesteld. In het Protocol CSE 2025 wordt toegelicht welke informatie het Deskundigenpanel nodig heeft om de ziekte CSE te kunnen bevestigen.
5.2.
Het Deskundigenpanel kan de diagnose bevestigen aan de hand van een brief van een medisch specialist waar de betrokkene onder behandeling is (geweest) en waarin de diagnose is vermeld. Uit de brief moet duidelijk blijken dat de diagnose is gebaseerd op het medisch dossier van de aanvrager, aldus het Protocol CSE 2025.
Het deskundigenpanel hoeft de verrichte medische onderzoeken niet opnieuw te bekijken en te beoordelen, tenzij
- er geen conclusies of resultaten van de uitgevoerde onderzoeken zijn beschreven of (een samenvatting van) de bevindingen van een multidisciplinair medisch overleg worden genoemd;
- er geen aanwijzingen zijn dat als onderdeel van de diagnosestelling in de anamnese is nagegaan of sprake is geweest van beroepsmatige blootstelling aan vluchtige organische stoffen (VOO).
5.2.1.
Een uitzondering wordt gemaakt voor brieven van het Solvent Team, waarin in het verleden enkel de diagnose is opgeschreven. Deze brieven worden door het Deskundigenpanel zonder verdere onderbouwing geaccepteerd als diagnosebrief, zo is in het Protocol CSE 2025 vermeld.
5.2.2.
Indien aan het bovenstaande niet wordt voldaan dient op grond van het Protocol CSE 2025 medische diagnostiek door het Deskundigenpanel plaats te vinden aan de hand van de vijf diagnostische stappen die zijn beschreven in de internationale consensusrichtlijn en verwerkt in het Protocol CSE 2025.
Tijdens deze stappen worden de volgende vragen beantwoord:
1. Passen de gezondheidsklachten bij CSE?
2. Is sprake van relevante blootstelling aan VOO?
3. Past het tijdsbeloop tussen de blootstelling aan VOO en het ontwikkelen van gezondheidsklachten bij de ziekte CSE?
4. Zijn andere ziekten met vergelijkbare gezondheidsklachten uitgesloten?
5. Zijn er cognitieve stoornissen die passen bij CSE, geobjectiveerd met neuropsychologisch
onderzoek?
De diagnose CSE wordt vastgesteld als op al deze vragen een positief antwoord is gegeven. Daarbij zijn stap 4 en stap 5 het meest bepalend.
6. De beoordeling of bij eiser de diagnose CSE kan worden gesteld heeft het Deskundigenpanel verricht aan de hand van de vijf diagnostische stappen en de daarbij behorende vragen zoals opgenomen in het Protocol CSE 2025. Het Deskundigenpanel heeft geconcludeerd dat eiser klachten heeft die bij CSE kunnen passen (stap 1) en dat er relevant contact met VOO is geweest (stap 2). Er is evenwel geen passende relatie tussen de gezondheidsklachten en de blootstelling aan VOO, omdat er een toename is van de gezondheidsklachten na het beëindigen van de blootstelling aan VOO (stap 3). Tevens kunnen de klachten ook door andere oorzaken komen, zoals geneesmiddelengebruik en sociale spanningen (stap 4). Daarbij is het NPO niet betrouwbaar te interpreteren. Er zijn drie NPO’s afgenomen (2006, 2013, 2023) waarvan de onderliggende gegevens ontbreken. Bij alle drie de NPO’s is er mogelijk sprake van onderpresteren. Hierdoor is deze informatie over de denkfunctie niet betrouwbaar. Op basis van onvolledige en onbetrouwbare informatie is het niet mogelijk om de denkfunctie te beoordelen (stap 5). Ook heeft het OPS-loket aangegeven dat de aanvraag niet voldoet aan het CSE-consensusdocument. Dit geheel overwegende kan het Deskundigenpanel niet vaststellen dat er (op basis van het herziene) protocol sprake is van CSE.
7. Als meest verstrekkende beroepsgrond voert eiser aan dat neuroloog dr. [persoon E] in 2006 de diagnose CSE heeft gesteld. De rechtbank merkt daarbij op dat, indien er een diagnosebrief uit 2006 beschikbaar is, waarin de diagnose CSE is gesteld en onderbouwd, de cumulatieve diagnostische stappen uit het Protocol CSE 2025, die het Deskundigenpanel heeft doorlopen op de wijze zoals weergegeven onder 5 en 6, niet (meer) hoeven te worden genomen.
7.1.
Omdat ten tijde van de zitting zich in het dossier geen brief van [persoon E] uit 2006 bevond, waarin gemotiveerd en zonder enig voorbehoud de diagnose CSE wordt gesteld, heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst, om eiser in de gelegenheid te stellen deze brief van [persoon E] uit 2006 met daarin de diagnosestelling CSE in de procedure te brengen.
7.1.1.
Bij brief van 10 november 2025 heeft eiser de volgende stukken in de procedure gebracht:
1. de (volledige) brief van drs. [persoon D] , gezondheidszorgpsycholoog, aan [persoon E] van 10 maart 2006; [6]
2. de brief van [persoon E] aan de huisarts van 28 maart 2006;
3. de brief van [persoon E] aan eiser van 28 maart 2006;
4. de brief van dr. [persoon F] , neuroloog (Solvent Team [plaats 2] ) aan de huisarts van 10 augustus 2010;
5. de brief van dr. [persoon G] , klinisch neuropsycholoog van 4 oktober 2010;
6. de brief van [persoon F] van 8 oktober 2010.
7.1.2.
Bureau Lexces heeft in de brief van 1 december 2025 gereageerd op de door eiser bij brief van 10 november 2025 ingebrachte stukken. Bureau Lexces heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe bewijsstukken zijn die passen bij de vaststelling van een geheugenstoornis die hoort bij de diagnose CSE. Wel is er een consistentie van klachten die bij meerdere oorzaken kunnen passen. Maar dat betekent niet dat CSE is aangetoond/vastgesteld conform de Regeling TSB.
Bureau Lexces merkt over het onderzoek uit 2006 op:
- Neuroloog ( [persoon E] ) heeft aangegeven dat de functiestoornissen mogelijk veroorzaakt zijn door blootstelling aan oplosmiddelen.
- Het neuropsychologisch onderzoek van Rijnstate heeft een negatieve prestatievaliditeitstest. De prestatievaliditeitstest beoordeelt of het afgenomen NPO betrouwbaar te interpreteren is. Omdat de prestatievaliditeitstest negatief is, kunnen de resultaten van het NPO niet gebruikt worden.
- Wel wordt gesproken van een ‘lage verwerkingssnelheid/uitgesproken traag tempo’. Hier zijn geen scores bij vermeld. Het is daarom lastig om te bepalen of er sprake is van een stoornis of niet.
Over het onderzoek uit 2010 merkt Bureau Lexces op:
- [persoon F] en het NPO zien dat de klachten van de aanvrager kunnen komen door blootstelling aan oplosmiddelen. Deze klachten kunnen echter ook passen bij de pijn en de uitgebreide pijnmedicatie die daarvoor gebruikt wordt.
- Ook hier wordt aangegeven dat het NPO niet betrouwbaar is en daardoor niet gebruikt kan worden.
8. De rechtbank kan Bureau Lexces volgen in de inhoud van de brief van 1 december 2025 en is van oordeel dat in de brieven van [persoon E] van 28 maart 2006 niet gemotiveerd en zonder enig voorbehoud de diagnose CSE wordt gesteld en onderbouwd. Zo vermeldt [persoon E] in de brief van 28 maart 2006 gericht aan de huisarts onder de diagnose [7] : “
mogelijkOPS bij schilder.”En in de conclusie vermeldt [persoon E] :
“Hogere cerebrale functiestoornissenwaarschijnlijkhet gevolg van blootstelling aan oplosmiddelen.”
In de brief van [persoon E] van 28 maart 2006 gericht aan eiser schrijft [persoon E] onder meer:
“U bent op 27/03/06 op de polikliniek Neurologie geweest en daar hebben wij besproken dat u geheugenstoornissen heeft,waarschijnlijkhet gevolg van blootstelling aan oplosmiddelen tijdens uw werk als schilder.”
8.1.
Ook in alle overige door eiser bij brief van 10 november 2025 ingebrachte stukken wordt ten aanzien van de diagnose een ‘slag om de arm’ gehouden. Ook in deze stukken wordt niet onomwonden vastgesteld dat er bij eiser sprake is van CSE. Hierbij is bovendien de beroepsmatige blootstelling aan VOO nagegaan.
8.1.1.
Zo vermeldt Frima in de conclusie van de brief van 10 maart 2006 over het NPO verricht op 3 en 22 februari 2006, het volgende [8] :
“Het gevonden cognitieve profiel is passend voor de effecten van chronische blootstelling aan oplosmiddelen. Het profiel past ook bij zijn subjectief beleefde klachten. Desondanks bestaat bij mij de indruk dat dhr. niet alles heeft gegeven tijdens het onderzoek.Enige onderschatting van zijn werkelijke cognitieve capaciteiten heeft waarschijnlijk plaatsgevonden.
8.1.2.
In de brief van [persoon F] aan de huisarts van 10 augustus 2010 schrijft [persoon F] op pagina 1 weliswaar: “
Patiënt is in 2006 door collega [persoon E] , neuroloog in [plaats 3] , onderzocht, waarbij ook een neuropsychologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Op basis van deze gegevens is de diagnose schildersziekte gesteld.” Echter, dit is opgenomen in het kader van de anamnese en moet naar het oordeel van de rechtbank dan ook als zodanig, dus als weergave van de ziektegeschiedenis vanuit de invalshoek van eiser, worden begrepen.
Op pagina 2 van deze brief schrijft [persoon F] als neuroloog juist, dat nader onderzoek nodig is om het verband tussen klachten en blootstelling te kunnen vaststellen en vraagt hij het NPO uit 2006 bij [persoon E] op:
“Bespreking: patiënt heeft een duidelijk klachtenpatroon waarbij de cognitieve klachten, moeheid en karakterveranderingmogelijkhet gevolg zijn van de chronische blootstelling aan oplosmiddelen.Wij zouden het erg op prijs stellen als wij van collega [persoon E] een kopie kunnen ontvangen van het neuropsychologisch onderzoek uit 2006. Wij zullen dit onderzoek voorleggen aan onze afdeling neuropsychologie.Daarna volgt nog zonodig verdere diagnostiek, hoewel neuropsychologisch onderzoek op dit moment moeilijk lijkt vanwege de uitgebreide pijnmedicatie van patiënt.”Zoals Bureau Lexces in de brieven van 3 september 2025 en 20 oktober 2025 heeft opgemerkt doet [persoon F] in deze brief geen uitspraak over de diagnose CSE.
8.1.3.
In de schriftelijke beoordeling van het NPO in Rijnstate op 10 maart 2006 schrijft [persoon G] , destijds verbonden aan het Solvent Team [plaats 2] , bij brief van 4 november 2010 onder meer:
“Conclusie: ondanks de aanwijzingen voor onderpresteren, die impliceren dat het neuropsychologisch onderzoek niet betrouwbaar zou kunnen worden geïnterpreteerd, worden toch conclusies getrokken: passend bij chronische toxische encefalopathie. Die conclusiewordt echter ook gerelativeerd (terecht) vanwege de aanwijzingen voor onderpresteren.M.i. past het profiel bij onderpresteren en kan op basis van dit onderzoek geen conclusie worden getrokken. Invloed op handen zijnde herkeuring? M.i. is het nu niet meer mogelijk, op basis van neuropsychologisch onderzoek een betrouwbare diagnose te stellen. Pijnproblematiek kan zijn prestaties sterk beïnvloeden. Pijn problematiek / gedrag kan ook de aandacht / geheugenprestaties negatief beïnvloeden (...).”
8.1.4.
In zijn brief van 8 oktober 2010 schrijft [persoon F] onder meer:

Bespreking: patiënt heeft een chronisch klachtenpatroon. Het iszeker mogelijkdat de chronische blootstelling aan oplosmiddelen als schilder hiervoor verantwoordelijk is, maar op dit moment is deze diagnoseniet meer met zekerheidvast te stellen. Patiënt heeft al meer dan tien jaar geen blootstelling meer aan oplosmiddelen en het neuropsychologisch onderzoek is niet betrouwbaar mede vanwege de uitgebreide medicatie van patiënt. (...).
8.2.
Ook uit de zich al in het dossier bevindende brieven van [persoon E] van 24 juni 2013 en 13 september 2023 blijkt niet van een duidelijke diagnose CSE. Eerstgenoemde brief verwijst naar de eerdere brief uit 2006, maar een onderbouwde diagnosestelling CSE van [persoon E] uit 2006 is, gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, niet ingebracht. Ook de brief van 24 juni 2013 zelf bevat geen onderbouwing. Zoals Bureau Lexces in de brieven van 3 september 2025 en 20 oktober 2025 aan het ISBG heeft meegedeeld, is in de brief van 24 juni 2013 niet genoteerd dat er is nagegaan of er sprake is geweest van beroepsmatige blootstelling aan VOO. Verder wordt in deze brief in de anamnese OPS genoemd, maar daarvoor geldt hetzelfde als hierboven in 8.1.2.
is overwogen, namelijk dat dit in het licht van de anamnese moet worden begrepen.
De brief van [persoon E] van 13 september 2023 verwijst naar een diagnose OPS uit het verleden, waarbij wordt verwezen naar een NPO uit 2006, 2013 en naar [persoon F] . Echter, deze vermelding moet worden gerelativeerd vanwege het in dezelfde brief opgenomen aanvullend onderzoek waarbij onder meer wordt ingegaan op de NPO’s uit 2006, 2013 en 2023. Ten aanzien van het NPO in 2006 wordt enige onderschatting van de werkelijke cognitieve capaciteiten gemeld, ten aanzien van het NPO in 2013 wordt onderpresteren op testen gemeld en ten aanzien van het NPO in 2023 luidt de conclusie dat neurocognitieve stoornissen noch vast te stellen noch uit te sluiten zijn. De verwijzing naar [persoon F] leidt, gelet op hetgeen hierboven in 8.1.2. en 8.1.4. is overwogen, evenmin tot de conclusie dat onomwonden de diagnose CSE is gesteld.
8.2.1.
De overige medische stukken die zich in het dossier bevinden bevatten evenmin een duidelijke diagnose CSE. De rechtbank noemt de brief van [persoon H] van Groot-Klimmendaal van 29 juni 2007 en de brief van [persoon A] van de vakgroep medische psychologie van Rijnstate van 7 juni 2013, die spreken over
mogelijkOPS. Ten aanzien van laatstgenoemde brief, die een NPO betreft uitgevoerd op 22 april 2013 en 3 mei 2013, heeft Bureau Lexces in de brief van 30 oktober 2025 meegedeeld dat dit NPO laat zien dat de specifieke scores die passend zijn voor CSE hier niet afwijkend scoren, maar juist gemiddeld normaal. Dit betekent, zo geeft Bureau Lexces aan, dat CSE kan worden uitgesloten. De slechte score op de prestatievaliditeit geeft aan dat eiser mogelijk nog beter zou kunnen scoren. Maar de behaalde scores op de specifieke CSE onderdelen zijn voldoende om de diagnose uit te kunnen sluiten. De rechtbank acht deze motivering navolgbaar en inhoudelijk overtuigend.
De brief van dr. [persoon I] van 28 november 2013 en de brief van Groot-Klimmendaal van 5 september 2006, gaan uit van een diagnose OPS, maar de rechtbank constateert dat deze brieven niet aangeven op welke bron(nen) dit uitgangspunt is gebaseerd.
9. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in het verleden door geen van de behandelaren noch het Solvent Team de diagnose CSE is gesteld, maar dat met name door [persoon E] , met de nodige slagen om de arm en om hem moverende redenen, een waarschijnlijkheidsoordeel (‘mogelijk/waarschijnlijk CSE’) is gegeven. De vraag rijst of in de Regeling TSB en het Protocol CSE 2025 is bedoeld om ook een waarschijnlijkheidsoordeel CSE als diagnose CSE aan te merken, dan wel daarmee gelijk te stellen. Dit, mede gelet op het feit dat CSE wordt vastgesteld via differentiaal diagnostiek, waarbij andere potentiële ziekten met vergelijkbare klachtenpatronen zoveel mogelijk worden uitgesloten totdat CSE als meest waarschijnlijke ziekte overblijft. [9]
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat met het waarschijnlijkheidsoordeel niet wordt voldaan aan de vereisten die in het Protocol CSE 2025 zijn vervat. Het Protocol maakt geen melding van een waarschijnlijkheidsoordeel, maar - zonder voorbehoud - van een diagnose. Sterker nog, uit de diagnosebrief moet volgens het Protocol CSE 2025 duidelijk blijken dat de diagnose is gebaseerd op het medisch dossier van de aanvrager.
In eisers geval veroorzaken de medische stukken juist twijfel over de vraag of sprake is van CSE bij eiser. In de Deskundigenoordelen en de brieven van Bureau Lexces van 20 oktober 2025 en 1 december 2025 is immers vermeld dat de beschikbare NPO’s onvoldoende gegevens bevatten en de resultaten beïnvloed kunnen zijn door onderpresteren van eiser, zodat de vraag of sprake is van CSE bij eiser, niet kan worden beantwoord.
In de brief van 30 oktober 2025 schrijft Bureau Lexces dat het NPO uitgevoerd op 22 april 2013 en 3 mei 2013 en beschreven door [persoon A] in de brief van 7 juni 2013, in tegenstelling tot de vorige NPO’s die bij Lexces bekend waren, laat zien dat de specifieke scores die passend zijn voor CSE hier niet afwijkend zijn, maar juist gemiddeld normaal. Dit betekent dat op basis van dit NPO CSE kan worden uitgesloten. De rechtbank stelt vast dat ook ten aanzien van het NPO van Amsterdam UMC, vervat in het rapport van [persoon B] onder supervisie van [persoon C] van 30 november 2021, is geconcludeerd dat de testresultaten geen betrouwbare weergave van de cognitieve vermogens van eiser zijn, vanwege wisselende prestatievaliditeit. Wel geven de testscores een ondergrens aan. Geconcludeerd is dat het cognitieve profiel op dat moment, waarbij sprake is van een wisselend en inconsistent beeld, niet passend is bij een beeld op basis van CSE. CSE kenmerkt zich door beperkingen op het gebied van de snelheid van informatieverwerking en het reactievermogen. Hiervan is bij eiser geen sprake, omdat dit bij eiser overwegend gemiddeld verloopt, aldus het rapport van Amsterdam UMC.
9.2.
In het Protocol CSE 2025 is vermeld dat brieven van het Solvent Team, waarin in het verleden enkel de diagnose is opgeschreven, door het Deskundigenpanel zonder verdere onderbouwing worden geaccepteerd als diagnosebrief. Eiser heeft gesteld dat van deze uitzondering in zijn geval sprake is, met de brief van [persoon F] uit 2010. De rechtbank volgt eiser daarin niet, en verwijst daarvoor naar hetgeen zij heeft overwogen in 8.1, 8.1.2 en 9. De brief van [persoon F] bevat geen definitieve diagnosestelling. (Ook) [persoon F] wijst op het belang van onderzoek van de resultaten van het NPO uit 2006 in het kader van de diagnosestelling.
9.3.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat in het geval van eiser geen sprake is van een uit enig medisch stuk blijkende en onderbouwde diagnose CSE.
10. Met het Protocol CSE 2025 is beoogd om tot meer toekenningen van tegemoetkomingen te komen. Anders dan eiser betoogt, brengt het Protocol CSE 2025 niet met zich dat de diagnose CSE niet meer hoeft te worden gesteld. De versoepeling waarmee het Protocol CSE 2025 beoogt tot meer toekenningen te komen, is gelegen in een verlichting van de bewijslast van de diagnose CSE. Indien uit de aangeleverde medische stukken blijkt dat door een medisch specialist de diagnose CSE is gesteld en op basis waarvan, hoeft het Deskundigenpanel het onderliggend onderzoek niet meer te bekijken en te onderzoeken. De vijf diagnostische stappen om een betrouwbare diagnose CSE te kunnen stellen, die zijn gebaseerd op de internationale consensusrichtlijn en die op vergelijkbare wijze waren opgenomen in het Protocol CSE 2023, hoeven dan niet (meer) te worden doorlopen. De rechtbank verwijst in dit verband ook wat zij al heeft overwogen in 7. Kortom, met het Protocol CSE 2025 is sprake van een versoepeling van de bewijslast, maar is geen sprake van een versoepeling van de criteria van het diagnostisch proces.
11. Nu eiser in zijn geval niet kan profiteren van de versoepeling van de bewijslast in het Protocol CSE 2025, heeft het Deskundigenpanel terecht de stappen vermeld in 5.2.2 doorlopen.
11.1.
Omdat in het diagnostisch proces stap 4 en stap 5 het meest bepalend zijn (zie onder 5.2.2), zal de rechtbank eerst stap 5 beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat het Deskundigenpanel op inzichtelijke en overtuigende wijze heeft gemotiveerd dat de vraag vermeld in stap 5 niet bevestigend kan worden beantwoord. Tijdens de zitting heeft eiser ook erkend dat niet wordt voldaan aan stap 5. Er zijn geen cognitieve stoornissen bij eiser vastgesteld die passen bij CSE en die geobjectiveerd zijn met een NPO. Zoals vermeld is er bij alle drie de NPO’s mogelijk sprake van onderpresteren, waardoor informatie over de denkfunctie niet betrouwbaar is. Deze beoordeling komt overeen met de beoordeling van het CSE-panel van het OPS-Loket onder voorzitterschap van [persoon F] van 19 juni 2020.
Het Bureau Lexces heeft het niet voldoen van eiser aan stap 5 in de brieven van 20 oktober 2025 en 1 december 2025 nogmaals op navolgbare wijze toegelicht. Er zijn geen nieuwe bewijsstukken die passen bij de vaststelling van een geheugenstoornis, die hoort bij de diagnose CSE, aldus Bureau Lexces. Ten aanzien van het in beroep nog door eiser ingebrachte NPO uitgevoerd op 22 april 2013 en 3 mei 2013, heeft het Bureau Lexces in de brief van 30 oktober 2025 op navolgbare wijze gemotiveerd dat op basis van de resultaten van dit onderzoek CSE kan worden uitgesloten. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de SVB zich met betrekking tot het NPO van Amsterdam UMC ten slotte nog op het standpunt gesteld dat de conclusie van deze brief bevestigt dat de diagnose CSE niet kan worden gesteld.
11.2.
Nu op deugdelijke wijze is gemotiveerd dat niet wordt voldaan aan stap (voorwaarde) 5, wat ook niet in geschil is, en sprake is van cumulatieve stappen (voorwaarden), heeft het Deskundigenpanel reeds om deze reden geen betrouwbare diagnose CSE kunnen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank behoeven om die reden de beroepsgronden die zien op de overige stappen van het diagnostisch proces geen bespreking.
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat het Protocol CSE 2025 in strijd is met de Regeling TSB, omdat het Protocol CSE 2025 strengere voorwaarden hanteert dan de Regeling TSB. Volgens eiser is het criterium dat de ernstige aandoening, te weten CSE, ‘voorshands aannemelijk is’, wat volgt uit artikel 4 van Pro de Regeling TSB. Uit wat eiser ter zitting heeft toegelicht, begrijpt de rechtbank dat eiser zich hiermee op het standpunt stelt dat het Protocol CSE 2025 buiten toepassing moet blijven, daar waar stap 5 meebrengt dat de stoornissen met de onderliggende stukken (testresultaten) van een NPO moeten worden ‘aangetoond’, omdat dit een strenger criterium is dan het criterium in artikel 4 van Pro de Regeling TSB.
12.1.
Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet. Het Protocol CSE 2025 is opgesteld door de Adviescommissie Lijst Beroepsziekten en is overgenomen door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. [10] Met de stappen uit het Protocol CSE 2025 kan het Deskundigenpanel een betrouwbare diagnose CSE stellen, indien een brief van een medisch specialist waarin de diagnose wordt gesteld en onderbouwd, of een brief van het Solvent Team met daarin de diagnose, ontbreken. Het diagnostisch proces bevat vijf stappen die in een vaste volgorde worden doorlopen. Deze stappen zijn, zo is vermeld in het Protocol CSE 2025 gebaseerd op de internationale consensusrichtlijn. [11] Indien het Deskundigenpanel de diagnose CSE stelt, is sprake van een ernstige ziekte als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Regeling TSB. Het Protocol CSE 2025 geeft derhalve invulling aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Regeling TSB maar stelt geen aanvullende (strengere) voorwaarden. Van strijd tussen het Protocol CSE 2025 en de Regeling TSB is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Indien de diagnose CSE is gesteld, moet vervolgens op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de Regeling TSB, worden beoordeeld of het voorshands aannemelijk is dat de CSE in het geval van de aanvrager het gevolg is van blootstelling aan één of meer gevaarlijke stoffen bij het verrichten van de arbeid. [12] Het criterium voorshands aannemelijk heeft dus, anders dan waar eiser kennelijk vanuit gaat, geen betrekking op het stellen van de diagnose, maar op het causale verband tussen de ziekte CSE en de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij het verrichten van arbeid. Aan dit causale verband uit artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2° van de regeling TSB is in het geval van eiser niet toegekomen. Dit, omdat door het Deskundigenpanel niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1° van de Regeling TSB, dat eiser de ziekte CSE heeft in de mate die in beginsel [13] tot het toekennen van een tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB kan leiden.
13. Gelet op het voorgaande heeft het Deskundigenpanel voldoende gemotiveerd dat geen betrouwbare diagnose CSE voor eiser kan worden gesteld.
14. Eiser betoogt ten slotte dat Bureau Lexces onvoldoende heeft gedaan aan dossiervorming. De rechtbank stelt vast dat het op grond van artikel 10, eerste lid, van de Regeling TSB evenwel op de weg van de werkende ligt om bij het indienen van de aanvraag voor een tegemoetkoming in ieder geval de bewijsstukken te verstrekken die noodzakelijk zijn om te beoordelen of sprake is van een ernstige aandoening die als beroepsziekte is aan te merken. [14] Meerdere malen is aangegeven dat de onderliggende testresultaten van de NPO’s ontbreken. In het Deskundigenoordeel van 9 augustus 2024 is vastgesteld dat de onderliggende gegevens bij de drie NPO’s ontbreken. In het rapport van Bureau Lexces van 18 december 2024 is erop gewezen dat de onderliggende testresultaten beschikbaar gesteld moeten worden, alvorens het paneloordeel heroverwogen kan worden. In het bestreden besluit is overwogen dat nu geen nieuwe medische informatie is ontvangen, de SVB concludeert dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden om voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB in aanmerking te komen. In het deskundigenoordeel van 8 juli 2025 is opnieuw vastgesteld dat de onderliggende gegevens van de NPO’s ontbreken. Ook in de brief van 3 september 2025 heeft Bureau Lexces vermeld dat, mochten er gegevens zijn die het deskundigenpanel mist, maar die wel voorhanden zijn en beschikbaar gesteld kunnen worden aan het panel, een heroverweging kan plaatsvinden. Eiser heeft evenwel geen onderliggende stukken met testresultaten in de procedure ingebracht. De stukken die eiser in beroep heeft overgelegd zijn alle in de beoordeling betrokken. De beroepsgrond van eiser slaagt gelet op het voorgaande niet.
15. Omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van de Regeling TSB heeft de SVB de aanvraag van eiser voor een tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen tegemoetkoming op grond van de Regeling TSB ontvangt. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Om dezelfde reden krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.W.A. Fleuren, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijlage 4 van Vaststelling van een afwegingskader causaliteit en drie protocollen in het kader van de Regeling tegemoetkoming stoffengerelateerde beroepsziekten, alsmede vaststelling van het zogenoemde afkappunt in het kader van longkanker door asbest, Staatscourant 2023, nr. 46.
2.Protocol voor de behandeling van aanvragen in het kader van de ziekte CSE bij de
3.Staatscourant 2025, nr. 18093.
4.Staatscourant 2025, nr. 18093, onder meer p. 3.
5.Tweede voortgangsbrief regeling TSB, 19 december 2024, p. 2 en Kamerbrief wijziging regeling stoffengerelateerde beroepsziekten, 26 maart 2025.
6.Vergelijk overweging 2.10.
7.De onderstrepingen zijn afkomstig van de rechtbank.
8.De onderstrepingen in de navolgende citaten zijn eveneens afkomstig van de rechtbank.
9.Staatscourant 2025, nr. 18100, p. 4.
10.Staatscourant 2025, nr. 18100, p. 1.
11.Staatscourant 2025, nr. 18100, p. 4.
12.Ook moet worden voldaan aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling TSB, dat erop neerkomt dat de aanvrager niet al een betaling heeft ontvangen van één of meer werkgevers of opdrachtgevers.
13.Bij het voldoen aan artikel 4, eerste lid aanhef en onder a, onder 2° en artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling TSB.
14.Zie ook Nota van Toelichting bij de Regeling TSB die vanaf 1 januari 2023 van kracht werd, Staatscourant 2022, nr. 31978, p. 36 en p. 37.