Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3994

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
05/350977-25
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 13d OpiumwetArt. 9 SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het vervoeren van 768 kilogram lachgas in bestelbus

Op 26 december 2025 werd verdachte aangehouden bij Zevenaar met een zwaar beladen bestelbus waarin 384 flessen met in totaal 768 kilogram lachgas werden aangetroffen. Verdachte was de enige inzittende en bestuurder van het voertuig. De officier van justitie stelde dat verdachte opzettelijk lachgas had ingevoerd, terwijl de verdediging een alternatief scenario schetste waarin verdachte onwetend was over de lading.

De rechtbank oordeelde dat verdachte feitelijke macht had over de lading en wetenschap van de aanwezigheid van lachgas, mede gelet op zijn positie als bestuurder en de zichtbaarheid van de pallets. Het door verdachte geschetste scenario werd niet aannemelijk geacht vanwege het ontbreken van verifieerbare details en inconsistenties in zijn verklaring.

De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte 768 kilogram lachgas had ingevoerd, een strafbaar feit onder de Opiumwet. Gelet op de ernst van het feit, de maatschappelijke risico's van lachgasgebruik en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 3 jaar op, samen met een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur.

Daarnaast werd een maatregel kostenverhaal van €7.833,60 opgelegd ter vergoeding van de vernietigingskosten van de lachgasflessen. De rechtbank wees een rijontzegging af wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. Verdachte werd vrijgesproken van de ten laste gelegde hoeveelheid van 1.293 kilogram, omdat slechts 768 kilogram bewezen was.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur voor het vervoeren van 768 kilogram lachgas.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/350977-25
Datum uitspraak : 20 mei 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] [woonplaats] .
Raadsman: mr. F.T. Sakrak, advocaat in Zaandam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Zevenaar, in elk geval in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1.293 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 december 2025 te Zevenaar, in elk geval in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad 1.293 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1]
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat het gaat om de invoer van 768 kilogram lachgas (en dus niet om de tenlastegelegde hoeveelheid van 1.293 kilogram).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat verdachte geen wetenschap van en beschikkingsmacht over de aangetroffen lachgasflessen had. Verdachte heeft een alternatief scenario geschetst. Hij reed in opdracht van een vriend in een reeds voorgeladen bus in de veronderstelling dat er kleding in zat. Hij wist niet dat er lachgasflessen in de bus aanwezig waren. Hij had geen aanleiding om aan zijn vriend te twijfelen. Verder kan geen sprake zijn van invoer, omdat de bus in Zevenaar (al volgeladen) is opgehaald en verdachte, als hij al in Duitsland is geweest, daar slechts kort was om te tanken. Tot slot dient vrijspraak te volgen nu de tenlastegelegde hoeveelheid lachgas onjuist is.
Beoordeling door de rechtbank
Op 26 december 2025 zagen twee verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee een witte bestelbus, komende vanuit Duitsland, de grens passeren naar Nederland. Het viel hen op dat het voertuig aan de achterzijde door de vering zakte (zwaar beladen was) en dat het een gehuurd voertuig betrof. Het voertuig werd tot volgen gemaand en werd geleid naar de carpoolplaats, gelegen aan de Nieuwe Steeg te Zevenaar. De bestuurder overhandigde hen een Nederlandse identiteitskaart op naam van [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] , zijnde verdachte. Aan verdachte werd gevraagd of hij lading in zijn voertuig had, wat hij bevestigde. Aan verdachte werd gevraagd wat voor lading hij bij zich had, waarop verdachte reageerde met “gewoon lading”. Vervolgens werd verdachte medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was en werd hem gevraagd of er strafbare voorwerpen in de ladingruimte lagen. Verdachte verklaarde dat hij geen antwoord wilde geven. Eén van de verbalisanten heeft vervolgens de deur van de laadruimte geopend. Hij zag dat in de laadruimte twee pallets stonden, omwikkeld met zwarte plastic folie. Op de folie stonden stickers met onder andere de volgende tekst: “MONSTER GAS 2000G/3L ORIGINAL 192 UNITS/192 CASES”. Ook zag hij twee gevarenclassificaties vermeld op de pallets. Bovenop de pallets lagen twee kartonnen dozen voorzien van de tekst: “COLOR: BLACK, PIECES BALLOON: 10, BAGS: 500”. Gezien de gevarenclassificaties en de tekst op de pallets werd het de verbalisant duidelijk dat het ging om gevulde flessen met lachgas. [2] Uit het procesdossier blijkt verder dat op de flessen die in de dozen op de pallet zijn aangetroffen, onder andere de volgende vermeldingen zijn weergegeven: ‘UN 1070 Nitrous Oxide’ en ‘N20 Food Grade E942’. [3] N20 is de scheikundige beschrijving van distikstofmonoxide (lachgas).
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de flessen die in de dozen op de pallets zijn aangetroffen, flessen gevuld met lachgas betreffen. Beide pallets met lachgasflessen bestonden uit 192 units, dus een totaal van 384 units. [4]
Verdachte heeft erkend dat hij de bestuurder van de bestelbus was, dat hij als enige in het voertuig zat en dat deze heel zwaar beladen was. [5]
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank merkt allereerst op dat de berekening van de totale hoeveelheid aangetroffen lachgas in de flessen die in het procesdossier is opgenomen, fout is. Bij die berekening wordt namelijk uitgerekend wat het gewicht van een lege lachgasfles is (in plaats van het gewicht van het lachgas zelf). Niet ter discussie staat dat op de lachgasflessen zichtbaar is dat het nettogewicht (en dus de inhoud) van een fles 2 kilogram is en er dus in het door verdachte bestuurde voertuig 768 kilogram lachgas is aangetroffen. Door de verdediging is bepleit dat, nu in de tenlastelegging een hoeveelheid van 1.293 is opgenomen, dit reeds tot vrijspraak moet leiden. De rechtbank overweegt dat zij niet meer of (wezenlijk) anders kan bewezen verklaren dan ten laste is gelegd, maar dat zij wel het mindere bewezen kan verklaren. Dit is bovendien in het voordeel van verdachte. Het bewezen verklaren van een lagere hoeveelheid dan ten laste gelegd, leidt dus niet tot algehele vrijspraak.
Door verdachte wordt betwist dat het lachgas van hem was. Volgens de verdediging had verdachte geen beschikkingsmacht over het lachgas en wist hij niet dat de in de bus aanwezige lading lachgas betrof. De vraag die aan de rechtbank voorligt is of verdachte opzet heeft gehad op het invoeren of vervoeren, dan wel het aanwezig hebben van, het lachgas. De rechtbank stelt voorop dat daarvoor niet doorslaggevend is aan wie de drugs toebehoren. Ook is niet vereist dat verdachte beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft ten aanzien van de drugs. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs is vereist dat deze zich a) in de machtssfeer van verdachte bevinden, dus dat verdachte feitelijke macht over de drugs kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. De drugs hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van verdachte te bevinden. Daarnaast is vereist dat verdachte b) wetenschap heeft van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die drugs aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard.
De rechtbank overweegt dat het feit dat verdachte de bestuurder en enige inzittende was van het voertuig waarin de pallets met lachgas zijn aangetroffen, feitelijke macht daarover veronderstelt. Immers, de bestuurder van een auto heeft toegang tot en kan beschikken over alle delen van de auto. Toen de achterdeur van de bestelbus door de Koninklijke Marechaussee werd geopend, waren de pallets met lachgasflessen direct zichtbaar. De achterdeur was kennelijk niet op slot en de laadruimte was ook niet op een andere manier afgesloten. Ook waren de pallets of de inhoud ervan niet verborgen.
Afhankelijk van de omstandigheden kan ook enige wetenschap van de aanwezigheid van de drugs aan de bestuurder van de auto worden toegerekend. Immers mag degene die de beschikkingsmacht heeft over een voertuig in beginsel bekend worden verondersteld met wat daarin wordt vervoerd. Dat ligt anders als verdachte een verklaring aflegt die aannemelijk is en waaruit een ander beeld naar voren komt.
Verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd, waarin hij een zogenoemd alternatief scenario heeft geschetst. Dit scenario houdt kortgezegd in dat verdachte op verzoek van een vriend, ‘ [naam] ’, mee ging naar Zevenaar. Die [naam] handelde in kleding en zij zouden die dag kleding gaan ophalen in Zevenaar. Verdachte zou daar € 150,00 of € 200,00 voor krijgen; het exacte bedrag liet hij aan [naam] over. In Zevenaar aangekomen, stond er een zwaar beladen bestelbus klaar. [naam] sprak daar kort met een getinte man, terwijl verdachte in de auto van [naam] bleef wachten. Vervolgens heeft verdachte de bestelbus bestuurd. Hij reed achter [naam] aan richting Lelystad. Eerst gingen zij de bestelbus tanken en kort daarna is verdachte staande gehouden.
De rechtbank overweegt dat, wil een alternatief scenario kans van slagen hebben, het concreet, verifieerbaar en niet op het eerste oog ongeloofwaardig moet zijn. Verdachte heeft desgevraagd niets over zijn vriend [naam] kunnen vertellen. Verdachte had geen nadere informatie over de achternaam, het telefoonnummer, het adres, de naam van het bedrijf van [naam] , het kenteken van de auto of een social media-account van [naam] of zijn bedrijf. Ook zouden zij geen gemeenschappelijke mensen kennen die het bestaan van [naam] kunnen bevestigen. Daarnaast heeft verdachte geen enkele nadere informatie kunnen geven over de plek waar de reeds geladen bestelbus voor hem klaarstond, bijvoorbeeld of dit langs een snelweg, in een woonwijk of op een industrieterrein was, en ook niet over waar hij zou hebben getankt, bijvoorbeeld of dit langs een snelweg of in Duitsland is geweest. De verklaring van verdachte is derhalve op geen enkel punt te verifiëren. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat het ‘levensgevaarlijk’ was om in de bestelbus te rijden, omdat deze zo zwaar beladen was. Desondanks zou hij dit niet bij [naam] hebben aangekaart en zou hij niet achterin de bestelbus hebben gekeken om de lading te controleren. Ook verder bevat het dossier geen aanknopingspunten voor de plausibiliteit van de door verdachte geschetste scenario. Het is juist opmerkelijk dat, als het door verdachte geschetste scenario de werkelijkheid zou zijn, verdachte na de staandehouding door de Koninklijke Marechaussee eerst verklaart dat er ‘gewoon lading’ in de bestelbus aanwezig is, hij nadat hem de cautie is gegeven geen antwoord meer wil geven, hij tijdens het verhoor bij de politie zich op zijn zwijgrecht beroept en pas op zitting voor het eerst met deze verklaring komt.
De rechtbank acht de door verdachte alternatieve geschetste gang van zaken dan ook niet aannemelijk geworden. Gelet op vorenstaande verwerpt de rechtbank het alternatief scenario van de verdachte.
De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake kan zijn van invoer, nu verdachte slechts kort in Duitsland is geweest om te tanken. De rechtbank volgt het scenario van verdachte, en dus ook dit onderdeel ervan, niet. De Koninklijke Marechaussee heeft gezien en geverbaliseerd dat verdachte bij Zevenaar de grens vanaf Duitsland passeerde, wat maakt dat sprake is van de invoer van de 768 kilogram lachgas.
Op grond van al het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt het primair ten laste gelegde feit.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks26 december 2025 te Zevenaar
, in elk geval in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht
1.293768kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod

5.De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet op te leggen voor een bedrag van € 7.833,60.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij niet eerder is veroordeeld voor drugsgerelateerde strafbare feiten. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen van 240 uren en daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering tot oplegging van de maatregel kostenverhaal dient te worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is gemotiveerd, nu niet exact kan worden benoemd wat de kosten zijn en dat niet is gebleken dat de kosten door de Staat zijn betaald.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 384 flessen met daarin in totaal 768 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van drugs een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Ook leidt het tot milieuschade doordat de praktijk uitwijst dat gebruikers vaak de lege cilinders achterlaten in de natuur. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Om deze redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor het bezit en vervoer ervan strafbaar is. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek.
De reclassering heeft in haar rapport van 24 april 2026 opgeschreven dat zij vanwege de gesloten houding van verdachte geen goed beeld van zijn persoon heeft kunnen vormen. Wel heeft zij risicoverhogende factoren geconstateerd die een verhoogde kans op recidive met zich meebrengen, namelijk het ontbreken van een constructieve dagbesteding, schuldenproblematiek, het ontbreken van inkomen en de omstandigheid dat verdachte dagelijks cannabis gebruikt. De reclassering heeft geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag van verdachte te veranderen.
Strafoplegging
De rechtbank merkt op dat een wettelijke grondslag ontbreekt om voor het bewezenverklaarde een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.
Alles overwegende, daarbij ook gelet op andere uitspraken in soortgelijke zaken en de hieronder opgelegde maatregel kostenverhaal, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, met een proeftijd van 3 jaren, en daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, passend en geboden.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel kostenverhaal, opgenomen in artikel 13d van de Opiumwet, maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, op vordering van het Openbaar Ministerie worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een in artikel 13d, lid 1, Opiumwet genoemd strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte gevaarlijke goederen heeft ingevoerd, te weten 768 kilogram lachgas. Verdachte heeft afstand gedaan van deze onder hem in beslag genomen voorwerpen. Deze stof is een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Lachgasflessen leveren een ernstig gevaar op voor de leefomgeving en voor de volksgezondheid. De officier van justitie heeft de vernietiging van de lachgasflessen bevolen.
Voorts is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om deze goederen te vernietigen. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de Koninklijke Marechaussee van 30 april 2025 waaruit blijkt dat de 384 in beslag genomen lachgasflessen zijn vernietigd en dat de kosten van de inname, verwerking en uiteindelijk vernietiging van een lachgasfles van tussen de 0 en 2 kilogram € 20,40 exclusief BTW kost en van een lachgasfles van tussen de 2 en 10 kilogram € 36,25 exclusief BTW. Het Openbaar Ministerie gaat uit van het laagste bedrag van € 20,40 per lachgasfles. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de omvang van deze kosten. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet.
Gelet op het voornoemde zal de rechtbank aan verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen voor een totaalbedrag van € 7.833,60, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 78 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

8.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;
- 3, 11 en 13d van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;
 beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
 legt op een
taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 legt op als maatregel
de verplichting tot vergoeding van het bedrag van € 7.833,60aan de Staat;
 bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 78 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rietveld (voorzitter), mr. T.M.A. Arts en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Benbouazza, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2026.

Voetnoten

1.Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee, Landelijk Tactisch Commando, Brigade Midden Nederland, opgemaakte processen-verbaal, mutatienummer PL27PM/ 25-116382 en het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland opgemaakte processen-verbaal, dossiernummer PL0600-2025624650, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
2.Proces-verbaal d.d. 26 december 2025, p. 2-4.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2025, p. 31.
4.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 december 2025, p. 27.
5.De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 mei 2026.