ECLI:NL:RBGEL:2026:3819
Rechtbank Gelderland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag woonurgentie wegens ontbreken woonnoodsituatie
Eiseres diende op 6 januari 2026 een aanvraag voor woonurgentie in na een relatiebreuk, waarbij zij met haar twee minderjarige kinderen bij haar ouders woont in een huurwoning met beperkte ruimte. Het college van burgemeester en wethouders van Arnhem wees de aanvraag op 29 januari 2026 af en handhaafde dit besluit bij bezwaar op 19 maart 2026. Eiseres stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een woonnoodsituatie zoals bedoeld in de Huisvestingsverordening Arnhem 2024. Hoewel de woonsituatie van eiseres en haar kinderen niet ideaal is, heeft zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie onhoudbaar is en binnen vier maanden opgelost moet worden. De zolderkamer waar zij verblijft is weliswaar klein en vochtig, maar er is onvoldoende bewijs dat dit verblijf onverantwoord is.
Daarnaast is gebleken dat sinds 24 maart 2026 de broer van eiseres niet meer op het adres staat ingeschreven, waardoor meer ruimte beschikbaar is gekomen. De voorzieningenrechter concludeert dat het college op goede gronden heeft besloten geen woonurgentie toe te kennen en wijst het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag woonurgentie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.