Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3772

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/1106
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 15 AwirArt. 1, derde lid, AwirArt. 1:3, eerste lid, AwbArt. 1, tweede lid, Wet op het kindgebonden budget
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging beoordeling recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag niet-ontvankelijk verklaard

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van haar recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025. De Dienst had het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard, waarna eiseres de rechtbank inschakelde.

De rechtbank oordeelt dat de mededelingen van de Dienst dat de beoordeling wordt beëindigd geen besluiten zijn die voor bezwaar vatbaar zijn. Deze mededelingen zijn slechts kennisgevingen dat de eerder gedane aanvraag niet langer geldt voor volgende jaren, zonder rechtsgevolg. Daarom had de Dienst het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk. Tevens wijst de rechtbank erop dat eiseres tot 31 december 2026 opnieuw kindgebonden budget en zorgtoeslag kan aanvragen. De Dienst moet het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1106

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beëindiging door de Dienst van de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag van eiseres met ingang van 1 januari 2025. Eiseres is het niet eens met deze beëindiging en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat niet kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden. De mededelingen van de Dienst dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd zijn namelijk geen voor bezwaar vatbare besluiten. De Dienst had het bezwaar van eiseres daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij brief van 20 november 2024 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Bij brief van 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het bezwaar van eiseres tegen deze brieven ongegrond verklaard.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigden van de Dienst.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres is eigenaresse van de woning op het adres [adres] in [plaats]. Zij stond tot 15 december 2021 op dit adres ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Daarna woonde eiseres, vanwege haar baan als manager van een hondenpension, in de bedrijfswoning bij dit pension. Zij verhuurde haar eigen woning. Met ingang van
1 februari 2025 woont eiseres weer in haar eigen woning en staat zij ook op dit adres ingeschreven in de BRP.
3.1.
Eiseres heeft met ingang van 1 januari 2020 kindgebonden budget en zorgtoeslag aangevraagd en ontvangen. De Dienst heeft het kindgebonden budget en de zorgtoeslag van eiseres over de jaren 2022, 2023 en 2024 vastgesteld op nihil en de teveel uitbetaalde bedragen teruggevorderd. Het eigen vermogen van eiseres was in deze jaren namelijk te hoog, omdat zij haar eigen woning verhuurde en er niet zelf woonde.
3.2.
Bij brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 heeft de Dienst eiseres meegedeeld dat de beoordeling van het recht op kindgebonden budget en zorgtoeslag met ingang van 1 januari 2025 wordt beëindigd. In deze brieven geeft de Dienst aan dat eiseres in de jaren daarvoor geen recht had op kindgebonden budget en zorgtoeslag en dat hij geen onnodige berichten meer wil sturen. De Dienst geeft ook aan dat, als de situatie van eiseres verandert, zij opnieuw kindgebonden budget en zorgtoeslag kan aanvragen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2025 heeft de Dienst het tegen deze brieven gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Het toetsingskader
4. Kindgebonden budget en zorgtoeslag zijn inkomensafhankelijke regelingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag wordt namelijk berekend aan de hand van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen van een belanghebbende. [1]
4.1.
Op grond van artikel 15, vijfde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat, als de Dienst van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, hij dit schriftelijk meedeelt aan de belanghebbende.
4.2.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
De ontvankelijkheid van het bezwaar
5. De rechtbank stelt vast dat de mededelingen in de brieven van 20 november 2024 en 18 januari 2025 mededelingen zijn als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir. De vraag die moet worden beantwoord is of deze mededelingen voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zijn.
5.1.
In de totstandkomingsgeschiedenis [2] is over artikel 15, zesde lid, van de Awir, destijds het vierde lid, het volgende opgenomen:
‘Het vierde lid bepaalt dat een aanvraag over enig berekeningsjaar doorwerkt naar de berekeningsjaren daarna. De Belastingdienst Toeslagen kent na een aanvraag dus over volgende jaren een tegemoetkoming toe zonder dat daaraan opnieuw een aanvraag voorafgaat. Deze toekenning kan, net als de toekenning op de oorspronkelijke aanvraag, worden voorafgegaan door een voorschot. Eventueel verzoekt de dienst de belanghebbende om voorafgaand aan het verlenen van een voorschot of voorafgaand aan de toekenning om nadere informatie te geven of om bewijsstukken over te leggen.
Het op deze wijze continueren van een eenmaal gedaan verzoek eindigt indien voortzetting niet langer zinvol is. Te denken valt aan het jaar waarin de omstandigheden die recht geven op een tegemoetkoming, zoals het hebben van kinderopvang of het huren van een woning, worden beëindigd. De Belastingdienst Toeslagen laat de belanghebbende in zulke situaties schriftelijk weten dat en vanaf welk moment de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden. Meent de belanghebbende dat hij toch in aanmerking komt voor een tegemoetkoming, dan weet hij dat hij in dat geval een nieuwe aanvraag moet indienen.’
5.2.
Hieruit concludeert de rechtbank dat de mededeling als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Awir geen verdere strekking heeft dan dat de eerder gedane aanvraag niet langer zal gelden voor volgende jaren. Deze mededeling strekt niet tot het beëindigen van een recht op toeslag en is niet gericht op rechtsgevolg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het geval van eiseres geen sprake is van voor bezwaar vatbare besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft de Dienst het bezwaar van eiseres ten onrechte ontvankelijk geacht. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
5.4.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres nog tot 31 december 2026 de mogelijkheid heeft om kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2025 aan te vragen. Op de zitting heeft de Dienst aangegeven dat het onderhavige beroep van eiseres kan worden aangemerkt als een dergelijke aanvraag. Dit betekent dat de Dienst gaat beoordelen of eiseres in aanmerking komt voor kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2025. Op de zitting is ook besproken dat de Dienst bij de beoordeling van het recht op toeslagen moet uitgaan van het door de inspecteur van de Belastingdienst (inspecteur) vastgestelde vermogen van eiseres. Eiseres is het niet eens met de peildatum van 1 januari 2025 voor wat betreft de hoogte van haar vermogen in 2025. Dit kan zij aan de orde stellen in een bezwaarprocedure tegen de vaststelling van de aanslag inkomstenbelasting door de inspecteur. Als dit bezwaar zou leiden tot een wijziging van de hoogte van het vermogen van eiseres, geeft de inspecteur deze wijziging door aan de Dienst. Vervolgens moet de Dienst beoordelen of deze wijziging gevolgen heeft voor het recht van eiseres op kindgebonden budget en zorgtoeslag over 2025.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit van
21 februari 2025. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren en door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de Dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 21 februari 2025;
 verklaart het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk;
 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
 bepaalt dat de Dienst het griffierecht van € 53 aan eiseres moet vergoeden
.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.H. Verzijl-Stoop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 1, tweede lid, van de Wet op het kindgebonden budget en artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 764, nr. 3, p. 48.