Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3771

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11513625 CV EXPL 25-243
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen voor accountants- en advieswerkzaamheden

GS Accountants & Adviseurs B.V. heeft voor [de gedaagde] en haar gelieerde vennootschappen accountants- en advieswerkzaamheden verricht en facturen verzonden die niet zijn betaald. De factuur aan [de gedaagde] betrof het samenstellen van de jaarrekening over 2022, met een bedrag van € 1.149,50 inclusief btw.

[de gedaagde] betwistte de hoogte van de factuur en verwees naar eerdere afspraken over lagere tarieven. GS erkende dat de prijsverhoging vanwege inflatie niet was overeengekomen, waardoor de rechtbank oordeelde dat alleen het oorspronkelijke bedrag van € 850 exclusief btw verschuldigd was.

De rechtbank veroordeelde [de gedaagde] tot betaling van de hoofdsom, wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum, een evenredig deel van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het verzoek van [de gedaagde] tot niet-ontvankelijkheid werd verworpen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van hoofdsom, rente, incassokosten en proceskosten wegens onbetaalde facturen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 11513625 \ CV EXPL 25-243
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
GS ACCOUNTANTS & ADVISEURS B.V.,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: GS,
gemachtigde: mr. M.H. Kreijkes,
tegen
[naam gedaagd bedrijf] B.V.,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
procederend bij [vertegenwoordiger gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025,
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026.
[de gedaagde] heeft verzocht een nadere datum vast te stellen voor deze behandeling, maar dit verzoek is afgewezen. [de gedaagde] is niet verschenen. Van de mondelinge behandeling zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
GS heeft voor [de gedaagde] accountants- en advieswerkzaamheden verricht voor [de gedaagde] en voor de aan [de gedaagde] gelieerde vennootschappen [vennootschap gedaagde 1] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 1]) en [vennootschap gedaagde 2] B.V. (hierna: [vennootschap gedaagde 2]).
2.2.
GS heeft [de gedaagde] een factuur doen toekomen die niet is betaald.
De factuur is gedateerd 10 april 2024 en deze heeft betrekking op het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022. Het bedrag van de factuur is € 950,00 exclusief btw/
€ 1.149,50, inclusief btw).
2.3.
GS heeft verder op 10 april 2024 gedateerde facturen doen toekomen aan [vennootschap gedaagde 1] en [vennootschap gedaagde 2]. Aan deze vennootschappen zijn bedragen van € 950,00 exclusief btw/ € 1.149,50 inclusief btw en € 1.102,50 exclusief btw/ € 1.334,03 inclusief btw gefactureerd voor het samenstellen van de jaarrekening over het boekjaar 2022.
Ook deze facturen zijn niet betaald. GS heeft genoemde vennootschappen bij dagvaardingen van 21 januari 2025 beide apart gedagvaard en betaling van onder meer de facturen gevorderd, die bij de kantonrechter bekend zijn onder zaakgegevens 11513582 CV EXPL 25-241 en 11513605 CV EXPL 25-242.
2.4.
Bij e-mail van 17 april 2024 schrijft [de gedaagde] aan GS onder meer dat de facturen voor alle drie de vennootschappen zijn ontvangen. [de gedaagde] geeft daarbij aan dat de “primaire basisbedragen” van twee maal € 950,00 en een maal € 1.102,50 niet in overeenstemming zijn met de gemaakte afspraken.
GS reageert hierop bij e-mail van 22 april 2024 als volgt:
“De gefactureerde prijzen (…) zijn hoger dan de gefactureerde bedragen voor de werkzaamheden voor de boekjaren 2020 en 2021 hetgeen met name komt door de huidig prijsinflatie welke wij doorberekend hebben. (…)”

3.Het geschil

3.1.
GS vordert - samengevat - veroordeling van [de gedaagde] tot betaling van € 1.424,61, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 1.149,50 vanaf 21 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening.
3.2.
GS legt aan haar vordering ten grondslag dat [de gedaagde] de factuur moet betalen.
[de gedaagde] is een bedrag van € 102,68 aan wettelijke handelsrente verschuldigd geworden omdat de vervaldatum van de facturen is verstreken. De gemachtigde van GS heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. Daarom moet [de gedaagde] buitengerechtelijke incassokosten vergoeden tot een bedrag van € 172,43.
3.3.
[de gedaagde] voert verweer. [de gedaagde] heeft verzocht gehoord te worden in een mondelinge behandeling.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[de gedaagde] heeft gesteld dat GS relevante correspondentie ten onrechte niet in het geding heeft gebracht. Zij acht dit in strijd met de goede procesorde en concludeert dat GS niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Dit verweer wordt verworpen, omdat zelfs als zou moeten worden geoordeeld dat GS relevante correspondentie zou hebben achtergehouden, dit niet betekent dat de vordering niet kan worden beoordeeld.
4.2.
Op de mondelinge behandeling heeft GS gesteld dat de (in 2022) afgesproken prijs voor het samenstellen van de jaarrekeningen € 1.050,00 bedroeg voor [vennootschap gedaagde 2] en
€ 850,00 voor [vennootschap gedaagde 1] en [de gedaagde] .
Vast staat dat aan [de gedaagde] een bedrag van € 1.149,50 is gefactureerd.
GS heeft bij e-mail van 22 april 2024 aan [de gedaagde] uitgelegd dat dit is gedaan in verband met de prijsinflatie.
4.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is door GS erkend dat de prijsverhoging niet tussen partijen is overeengekomen. Er is wel gesproken over een door te voeren prijsverhoging (van 6%) maar dit is volgens GS enkel een mededeling van haar geweest. Een afspraak hierover is niet gemaakt. Desgevraagd heeft GS ook aangegeven dat nimmer is overeengekomen dat een eenzijdige prijswijziging zou kunnen worden doorgevoerd. Zo ontbreekt ook een bepaling in de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden zoals [de gedaagde] terecht heeft gesteld.
De conclusie die hieruit volgt is, dat [de gedaagde] de eenzijdig doorgevoerde prijsverhoging niet hoeft te betalen.
4.4.
[de gedaagde] heeft voorts verweer gevoerd tegen het in rekening brengen van andere kosten dan die voor het samenstellen van de jaarrekening.
Ook hierin wordt [de gedaagde] gevolgd. Partijen hebben een afspraak gemaakt voor het samenstellen van de jaarrekening. Dat er afspraken gemaakt zijn over het verrichten van andere werkzaamheden is niet gesteld of gebleken en door [de gedaagde] betwist.
4.5.
Uit het bovenstaande volgt dat [de gedaagde] een bedrag van € 850,00 exclusief btw, dus € 1.028,50 inclusief btw moet betalen.
4.6.
[de gedaagde] is de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 24 april 2024, de vervaldatum van de factuur. Berekend tot de datum van dagvaarding beloopt deze € 93,51, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.
4.7.
Vast staat dat door de gemachtigde van GS buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom is [de gedaagde] hiervoor een vergoeding verschuldigd. [de gedaagde] heeft echter terecht aangevoerd, dat het niet nodig is geweest om alle drie de vennootschappen apart aan te schrijven. De kantonrechter is van oordeel dat [de gedaagde] slechts één maal de buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd. Voor de berekening daarvan wordt het totaalbedrag genomen dat in deze zaak en de andere twee zaken (met kenmerk 11513605 CV EXPL 25-242 en 11513582 CV EXPL 25-241) aan hoofdsom vermeerderd met rente is toegewezen. Dit bedrag is € 3.409,53, zodat aan buitengerechtelijke kosten het bedrag van
€ 465,95 verschuldigd is. In deze zaak zal van dit bedrag 1/3e deel, dus € 155,31 (exclusief btw) worden toegewezen.
4.8.
[de gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.
[de gedaagde] heeft ook in dit verband terecht aangevoerd dat er nodeloze kosten zijn gemaakt omdat de vorderingen in één procedure hadden kunnen worden aangebracht. Voor de proceskostenveroordeling neemt de kantonrechter dan ook slechts éénmaal het griffierecht (waarbij het tarief van € 529,00 wordt aangehouden dat verschuldigd zou zijn als de vorderingen in één procedure zouden zijn gevorderd) en één maal het gemachtigdensalaris, behorend bij de hoofdsom met rente van de drie zaken bij elkaar en dat is € 175,00 per punt. In deze zaak zal [de gedaagde] in 1/3e deel van deze kosten worden veroordeeld.
4.9.
De proceskosten van GS worden daarom vastgesteld en begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
176,33
(1/3e van € 529,00)
- salaris gemachtigde
116,67
(1/3e x 2 punten × € 175,00)
- nakosten
87,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
502,85

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [de gedaagde] om aan GS te betalen een bedrag van
- € 1.028,50 aan hoofdsom,
- € 93,46 aan wettelijke handelsrente,
- de wettelijke handelsrente met ingang van 21 januari 2025 over
€ 1.028,50 tot de dag van volledige betaling,
- € 155,31 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.2.
veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 502,85 te vermeerderen met 1/3e deel van de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken
op 18 februari 2026.