Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3764

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11856234
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 sub b onder 1 WWArt. 27 lid 3 WWArt. 27 lid 8 WWArt. 6 maatregelenbesluit WWArt. 2 lid 1 sub c maatregelenbesluit WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens terecht opgelegde maatregel bij schending sollicitatieplicht WWplus

Eiser was van 1984 tot 2019 in dienst bij de rechtsvoorganger van de Stichting en ontvangt een bovenwettelijke WW-uitkering via WWplus. WWplus legde een maatregel op wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht over mei tot juli 2023, resulterend in een korting van 25% op de uitkering voor vier maanden.

Eiser voerde aan dat de maatregel buitenproportioneel was en dat dringende redenen, zoals een verhuizing en een kapotte laptop, het opleggen van de maatregel niet rechtvaardigden. De rechtbank overwoog dat eiser naliet haar verhuizing door te geven, waardoor zij brieven niet ontving, en dat zij onvoldoende sollicitatieactiviteiten kon aantonen.

De rechtbank oordeelde dat de genoemde omstandigheden niet kwalificeren als dringende redenen in de zin van de WW, dat WWplus bevoegd was de maatregel op te leggen, en dat de vordering van eiser tot betaling van het gekorte bedrag en bijkomende kosten werd afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de maatregel van 25% korting op de bovenwettelijke WW-uitkering terecht is opgelegd en wijst de vordering van eiser af.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11856234 \ CV EXPL 25-6808
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[naam eiser]
wonende te [woonplaats]
eisende partij
hierna te noemen: [de eiser]
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.
tegen
STICHTING PROTESTANTS CHRISTELIJKE ORGANISATIE VOOR OPVANG GELDERSE VALLEI
te Barneveld
gedaagde partij
hierna te noemen: de Stichting
gemachtigde: WWPLUS B.V.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[de eiser] is van 9 januari 1984 tot 1 november 2019 als leerkracht in dienst geweest bij de rechtsvoorganger van de Stichting. Dit dienstverband is met wederzijds goedvinden middels een vaststellingsovereenkomst beëindigd.
2.2.
Op het dienstverband was de CAO Primair Onderwijs van toepassing. Die cao voorziet in regelingen voor bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen, waaronder een regeling voor een uitkering die de WW-uitkering aanvult en een regeling voor een aansluitende uitkering na de periode van de WW-uitkering. De uitvoering van die regelingen heeft de Stichting uitbesteed aan WWplus, een uitvoeringsinstantie voor bovenwettelijke WW-uitkeringen voor primair en voortgezet onderwijs.
2.3.
Bij brief van 18 december 2019 heeft WWplus vastgesteld dat vanaf de eerste dag van werkloosheid – 1 november 2019 - [de eiser] recht heeft op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Vanaf 1 december 2025 tot 27 juni 2029 heeft [de eiser] volgens voornoemde brief recht op een extra aansluitende uitkering.
2.4.
Bij brief van 21 augustus 2023 heeft WWplus [de eiser] verzocht om haar sollicitatieactiviteiten over de periode mei tot en met juli 2023 door te geven.
2.5.
Bij brief van 22 januari 2024 heeft WWplus [de eiser] een rappelbrief gestuurd met het verzoek om de gevraagde gegevens vóór 5 februari 2025 alsnog te verstrekken.
2.6.
Reactie vanuit [de eiser] bleef uit en WWplus heeft vervolgens met de brief van 18 maart 2024 de maatregel opgelegd om de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering per 1 april 2024 stop te zetten.
2.7.
Op 26 april 2024 heeft [de eiser] telefonisch contact opgenomen met WWplus. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij inmiddels heeft verhuisd en de brieven van 21 augustus 2023, 22 januari 2024 en 18 maart 2024 niet heeft ontvangen.
2.8.
Bij e-mailbericht van 6 mei 2024 heeft [de eiser] alsnog een aantal gegevens verstrekt met betrekking tot haar sollicitatieactiviteiten in de periode mei tot en met juli 2023. Zij heeft daarbij ook kenbaar gemaakt dat zij niet alle gevraagde informatie kan aanleveren omdat haar laptop kapot is.
2.9.
Bij brief van 13 mei 2024 heeft WWplus aan [de eiser] medegedeeld dat de opgelegde maatregel (het stopzetten van de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering) wordt gewijzigd en dat een sanctie wordt opgelegd van 25% voor de duur van vier maanden met ingang van maart 2024.
2.10.
Bij brief van 19 juni 2024 heeft (de gemachtigde van) [de eiser] een verzoek tot heroverweging tegen voornoemde beslissing ingediend.
2.11.
Op 25 juni 2024 heeft WWplus het verzoek tot heroverweging ongegrond verklaard.

3.Het geschil

3.1.
[de eiser] vordert dat de Stichting, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld tot betaling aan [de eiser] van een bedrag van € 3.300,21 (bestaande uit de verschuldigde som van € 2.886,55 bruto en de buitengerechtelijke incassokosten van € 413,66), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 2.886,55 vanaf 1 mei 2024 tot aan de dag van volledige betaling, met veroordeling van de stichting in de kosten van deze procedure.
3.2.
[de eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat de maatregel tot verlaging van haar uitkering met 25% over de periode april tot en met juni 2024 buitenproportioneel is en dat de grondslag voor de verlaging ontbreekt. De beslissing is volgens [de eiser] in strijd met de beginselen van redelijkheid en billijkheid. De Stichting had in het kader van een goede belangenafweging kunnen volstaan met een minder ingrijpende maatregel nu sprake is van een situatie van onmacht en niet onwil. Er was sprake van bijzondere omstandigheden bestaande uit een verhuizing en het crashen van de laptop van [de eiser] .
3.3.
De Stichting voert verweer waarop hierna, voor zover nodig, nader wordt ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen staat vast dat [de eiser] een aanvullende bovenwettelijke uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) en dat door WWplus een maatregel is opgelegd inhoudende een korting van 25% op die uitkering voor de duur van 4 maanden. In geschil is of deze maatregel terecht is opgelegd en of aanleiding bestond daarvan af te zien.
Toetsingskader
4.2.
Op grond van artikel 24 lid 1 sub b onder Pro 1 WW dient een werknemer te voorkomen dat hij werkloos is of blijft door in onvoldoende mate te trachten passende arbeid te verrichten. Onder voldoende mate wordt verstaan dat van een werknemer wordt verwacht dat hij gemiddeld per week één concrete sollicitatieactiviteit verricht. In artikel 27 lid 3 WW Pro wordt bepaald dat de uitkering tijdelijk, blijvend, geheel of gedeeltelijk kan worden beëindigd als niet wordt voldaan aan voornoemde verplichting. Het maatregelenbesluit – die via lid 10 van artikel 27 WW Pro van toepassing is – bepaalt in artikel 6 dat Pro de sollicitatieplicht een verplichting uit de 3e categorie is. In artikel 2 lid 1 sub c van Pro het besluit wordt bepaald dat de maatregel voor het schenden van de sollicitatieplicht is een korting van 25% gedurende een periode van tenminste 4 maanden. Van het opleggen van een maatregel kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 27 lid 8 WW Pro).
4.3.
Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat van dringende redenen sprake kan zijn indien de maatregel, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde, leidt tot onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen. Uit die jurisprudentie volgt tevens dat terughoudend dient te worden omgegaan met het aannemen van een dergelijke dringende reden.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
De kantonrechter stelt vast dat WWplus op grond van voornoemde artikelen in de WW en het maatregelenbesluit bevoegd was om een korting van 25% toe te passen voor de duur van 4 maanden. [de eiser] heeft op 6 mei 2024 weliswaar een aantal gegevens (een ingevulde bief, de inschrijving bij UWV en twee afgewezen sollicitaties) overgelegd en WWplus toestemming gegeven om de maandformulieren over de maanden mei tot en met juli 2023 in te zien, maar deze sollicitatieactiviteiten zijn onvoldoende in het kader van de WW en het maatregelenbesluit. In dat kader had [de eiser] immers één sollicitatieactiviteit per week moeten uitvoeren. In zoverre is de maatregel dus terecht opgelegd.
4.5.
Vervolgens ligt de vraag voor of sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 27 lid 8 WW Pro, op grond waarvan WWplus van het opleggen van een maatregel had moeten afzien. [de eiser] heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een verhuizing, waardoor ze berichtgeving niet (tijdig) heeft ontvangen, en een crash van haar laptop.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat de door [de eiser] genoemde omstandigheden onvoldoende zijn om te kwalificeren als dringende redenen in de zin van artikel 27 lid 8 WW Pro. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.7.
In het kader van steekproefsgewijze controles heeft WWplus in de periode augustus 2023 tot en met februari 2024 [de eiser] meerdere malen aangeschreven met het verzoek om haar sollicitatieactiviteiten over de maanden mei tot en met juli 2023 aan te tonen. Die brieven zijn gestuurd naar het bij WWplus bekend zijnde woonadres van [de eiser] . Achteraf is gebleken dat [de eiser] inmiddels was verhuisd en die brieven niet heeft ontvangen. [de eiser] heeft nagelaten haar verhuizing door te geven aan WWplus terwijl dit wel op haar weg lag om te doen. WWplus heeft tijdens de mondelinge behandeling onbetwist aangevoerd dat zij afhankelijk is van de informatie die uitkeringsgerechtigden haar verstrekken omdat adreswijzigingen - anders dan bij bijvoorbeeld het UWV - niet automatisch worden doorgevoerd. Dat [de eiser] heeft nagelaten haar verhuizing door te geven en daardoor berichtgeving heeft gemist, komt dus voor haar rekening en risico. WWplus heeft desondanks [de eiser] - nadat zij contact heeft opgenomen met WWplus en heeft uitgelegd dat zij voornoemde brieven niet heeft ontvangen - een tweede kans gegeven om haar sollicitatieactiviteiten aan te tonen. [de eiser] heeft vervolgens gesteld dat zij door de crash van haar laptop nu niet (volledig) kan aantonen welke sollicitatieactiviteiten zij concreet heeft verricht. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter ook dit een omstandigheid die voor rekening en risico van [de eiser] komt. Van [de eiser] had mogen worden verwacht dat zij op een andere wijze - bijvoorbeeld door het overleggen van verstuurde of ontvangen e-mails/brieven van instanties waar zij heeft gesolliciteerd - had aangetoond hoe ze aan de sollicitatieplicht heeft voldaan. Dit heeft zij slechts van 2 sollicitatieactiviteiten gedaan en dat is onvoldoende.
4.8.
Voor zover [de eiser] heeft aangevoerd dat WWplus haar eerst had moeten waarschuwen, althans rekening had moeten houden met het feit dat haar niet eerder een maatregel is opgelegd, en aldus de menselijke maat had moeten hanteren volgt de kantonrechter haar daarin niet. Een dergelijke verplichting volgt niet uit de WW, noch uit het maatregelenbesluit. Bovendien kan worden aangenomen dat WWplus [de eiser] al tegemoet is gekomen door haar een tweede kans te geven om haar sollicitatieactiviteiten alsnog aan te tonen en door de eerder opgelegde zware sanctie van het stopzetten van de uitkering om te zetten in een tijdelijke maatregel.
4.9.
Voorts heeft [de eiser] niet gesteld, noch anderszins aannemelijk gemaakt, dat de opgelegde maatregel voor haar heeft geleid tot onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen. Reeds om die reden is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 27 lid 8 WW Pro.
4.10.
Gelet het hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking nemende dat de terughoudend dient te worden omgegaan met het aannemen van een dringende redenen, is de kantonrechter van oordeel dat WWplus in redelijkheid heeft kunnen besluiten de maatregel op te leggen en geen aanleiding hoefde te zien daarvan af te wijken. De vordering van [de eiser] tot betaling van de hoofdsom van € 2.886,55 bruto wordt om die reden afgewezen. De overige vorderingen, die samenhangen met de hoofdsom, worden eveneens afgewezen.
Proceskosten
4.11.
[de eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Protestants Christelijke Organisatie voor Opvang Gelderse Vallei worden begroot op:
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
632,50
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de eiser] af;
5.2.
veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.