Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3713

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
442406
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:70 BWArt. 3:61 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en aansprakelijkheid bij aannemingswerkzaamheden en onderaanneming

In deze civiele zaak staat centraal wie de opdrachtgever is van door Akor verrichte aannemingswerkzaamheden aan de woning van twee bewoners. Akor vordert betaling van facturen, maar onduidelijkheid bestaat over de contractuele relatie tussen Akor, het gedaagde bedrijf en de bewoners.

De rechtbank stelt vast dat Akor werkzaamheden heeft verricht op basis van een overeenkomst, maar dat de wederpartij niet duidelijk is. De rechtbank oordeelt dat Akor een overeenkomst van onderaanneming heeft met het gedaagde bedrijf, dat als hoofdaannemer de opdracht van de bewoners heeft aangenomen. Het gedaagde bedrijf is daarom gehouden tot betaling van de facturen van Akor.

De vorderingen van Akor tegen de bewoners worden afgewezen, omdat geen directe overeenkomst met hen is vastgesteld. Ook is niet komen vast te staan dat het gedaagde bedrijf namens de bewoners handelde met volmacht. De rechtbank wijst de vordering tot betaling van een factuur met opslagen af wegens onvoldoende onderbouwing.

De rechtbank wijst de wettelijke handelsrente toe vanaf 17 maart 2020 en kent een forfaitaire incassokostenvergoeding toe. De proceskosten worden verdeeld conform de uitkomst. De rechtbank draagt bewijslevering op over de vraag of een vaste prijs of richtprijs is afgesproken en over de omvang van de extra werkzaamheden, waarna verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: Akor krijgt betaling van het gedaagde bedrijf toegewezen, vorderingen tegen bewoners worden afgewezen, bewijslevering over prijsafspraken wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummers: C/05/442406 / HA ZA 24-523
C/05/448024 / HA ZA 25-80
C/05/445188 / HA ZA 24-607
Vonnis in hoofdzaak, vrijwaringszaak en gevoegde zaak van 29 april 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer C/05/442406 / HA ZA 24-523 van
AKOR RIJSSEN B.V.,
gevestigd te Rijssen,
eisende partij,
hierna te noemen: AKOR,
advocaat: mr. M.A. Greven,
tegen

1.[naam gedaagd bedrijf in hoofdzaak & eisend bedrijf in de conventie / verwerende in voorwaardelijke reconventie in de vrijwaringszaak & eisend bedrijf in de gevoegde zaak] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
advocaat: mr. P. Smit,
hierna te noemen: [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ,
2.
[naam gedaagde sub. 2 in hoofdzaak & gedaagde sub 1. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 1 in gevoegde zaak],
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
hierna te noemen: [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] ,
3.
[naam gedaagde sub. 3 in hoofdzaak & gedaagde sub 2. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 2 in gevoegde zaak],
wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
hierna te noemen: [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ,
gedaagde partijen,
in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/05/448024 / HA ZA 25-80 van
[naam gedaagd bedrijf in hoofdzaak & eisend bedrijf in de conventie / verwerende in voorwaardelijke reconventie in de vrijwaringszaak & eisend bedrijf in de gevoegde zaak] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. P. Smit,
hierna te noemen: [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ,
tegen
[naam gedaagde sub. 2 in hoofdzaak & gedaagde sub 1. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 1 in gevoegde zaak],
en
[naam gedaagde sub. 3 in hoofdzaak & gedaagde sub 2. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 2 in gevoegde zaak] ,
beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
hierna te noemen: [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ,
in de gevoegde zaak met zaaknummer C/05/445188 / HA ZA 24-607 van
[naam gedaagd bedrijf in hoofdzaak & eisend bedrijf in de conventie / verwerende in voorwaardelijke reconventie in de vrijwaringszaak & eisend bedrijf in de gevoegde zaak] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [vestigingsgemeente] ,
eisende partij,
advocaat: mr. P. Smit,
hierna te noemen: [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ,
tegen
[naam gedaagde sub. 2 in hoofdzaak & gedaagde sub 1. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 1 in gevoegde zaak],
en
[naam gedaagde sub. 3 in hoofdzaak & gedaagde sub 2. in conventie / eiser in voorwaardelijke reconventie in vrijwaringszaak & gedaagde sub. 2 in gevoegde zaak],
beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [woongemeente] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. P.J.A. Plattel,
hierna te noemen: [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 juli 2025
- het verkorte en het uitgewerkte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2025 waar de zaken afzonderlijk zijn behandeld.
1.2.
Ten slotte is vonnis in alle zaken bepaald.

2.De achtergrond van de zaken

2.1.
Akor heeft werkzaamheden verricht bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Zij heeft een casco uitbouw bovenop een al gerealiseerde kelder gebouwd en enkele kleinere werkzaamheden in die uitbouw uitgevoerd. Zij heeft daarvoor facturen aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd, die niet zijn betaald. Voor Akor is niet duidelijk wie haar opdrachtgever is; [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] of [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Er is geen schriftelijke overeenkomst opgesteld. Alle contacten bij de totstandkoming van de overeenkomst zijn verlopen via [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en niet direct tussen Akor en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Daarom vordert Akor in de hoofdzaak betaling van zowel [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] .
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] stellen zich op het standpunt dat zij niet de opdrachtgever van Akor zijn, dat is [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] is überhaupt geen contractspartij.
Ook [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betwist dat zij opdrachtgever is. Zij stelt dat zij is opgetreden als vertegenwoordiger van zowel [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] als Akor en daarmee niet zichzelf heeft gebonden aan de overeenkomst, maar dat zij voor Akor en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een overeenkomst heeft gesloten.
In de vrijwaringszaak vordert [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] haar moeten vrijwaren bij toewijzing van de vorderingen van Akor tegen haar in de hoofdzaak. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] erkent dat hij [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven de aanbouw te realiseren. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt echter dat hij al meer aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft betaald dan was overeengekomen. Wat hij meer heeft betaald dan was overeengekomen vordert [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in voorwaardelijke reconventie van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] .
In de gevoegde zaak vordert [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaling van facturen die zij aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft gestuurd voor werkzaamheden die door derden bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zijn verricht. Dit betreft andere werkzaamheden dan de casco aanbouw die Akor heeft gerealiseerd. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft 18 facturen van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaald, maar vijf facturen heeft hij onbetaald gelaten.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] voert als verweer aan dat hij geen opdracht heeft gegeven voor andere werkzaamheden dan die in de offerte van [aannemingsbedrijf] stonden. Hij stelt zich op het standpunt dat hij een vaste prijs met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is overeengekomen voor een complete aanbouw en dat hij al meer aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft betaald dan het overeengekomen bedrag van € 280.000. Hierna zal eerst de hoofdzaak worden besproken, daarna de vrijwaringszaak en vervolgens de gevoegde zaak.
De hoofdzaak

3.De feiten in de hoofdzaak

3.1.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft een offerte aangevraagd en ontvangen van Aannemingsbedrijf [aannemingsbedrijf] B.V. (hierna: [aannemingsbedrijf] ) d.d. 6 juni 2018 die zag op een verbouwing van de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] conform gegevens van de architect [de architect] . Het betrof het vergroten van een bestaande kelder en het realiseren van een aanbouw daarboven. Deze offerte sloot op een bedrag van € 480.389,24 inclusief btw.
3.2.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] kende de heer [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] (indirect bestuurder/enig aandeelhouder van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ) en vroeg hem, in zijn rol van bestuurder van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , naar de offerte van [aannemingsbedrijf] te kijken met de vraag of deze marktconform was.
3.3.
Volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft hij de offerte bekeken en namens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gezegd dat een casco aanbouw voor € 280.000 gerealiseerd zou kunnen worden. Volgens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] toen gezegd dat hij het werk voor dat bedrag kon uitvoeren.
3.4.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft vervolgens mondeling aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , in de persoon van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , laten weten dat zij het nodige in gang kon zetten om de aanbouw te realiseren.
3.5.
Akor exploiteert een bouwbedrijf. Akor heeft in 2019/begin 2020 een casco uitbouw bovenop een al gerealiseerde kelder gebouwd bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] te [woonplaats] en enkele afbouwwerkzaamheden verricht.
3.6.
In juli 2018 heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een kostenoverzicht verstrekt met betrekking tot de verbouwing, waarbij de kosten € 544.330 exclusief btw bedroegen. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft geprotesteerd tegen dit bedrag en daarbij aangegeven dat hij steeds is uitgegaan van een bedrag van € 280.000.
3.7.
Akor heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] op 13 februari 2020 een factuur gestuurd met de omschrijving ‘aanbouw kelder’ voor een bedrag van € 282.189,75 inclusief btw. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur geretourneerd met de mededeling dat hij geen opdracht aan Akor heeft gegeven.
Akor heeft deze factuur in overleg met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gecrediteerd.
3.8.
Daarna heeft Akor een nieuwe factuur aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd van 27 maart 2020 voor een bedrag van € 260.452,50 inclusief btw met de omschrijving ‘aanbouw kelder’ 1e termijn. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur niet betaald.
3.9.
Akor heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een factuur d.d. 6 december 2023 gestuurd voor een bedrag van € 50.775,58 inclusief btw met de vermelding: ‘Eindafrekening conform specificatie.’
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur niet betaald.
3.10.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft gedurende de werkzaamheden bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] 23 facturen bij [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in rekening gebracht. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hebben 17 van die facturen betaald. De laatste vijf facturen van in totaal € 91.316,53 hebben zij niet betaald. In totaal hebben [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een bedrag van € 353.650,75 betaald.
3.11.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft jegens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zijn verbazing uitgesproken over de hoogte van de uiteindelijke kosten voor alle werkzaamheden rond de woning. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] zijn in overleg gegaan, maar zijn het niet eens geworden.
3.12.
De raadsman van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] bij brief van 7 december 2021 gesommeerd de openstaande facturen van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] van € 91.316,53 te betalen en de factuur van Akor van € 260.452,50 te betalen. Voor zover zou hebben te gelden dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft gegeven voor de door Akor verrichte werkzaamheden, sommeert hij om de factuur van Akor aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen, waarna [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het bedrag aan Akor zal doorbetalen.

4.Het geschil in de hoofdzaak

4.1.
AKOR vordert - samengevat - primair om [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hoofdelijk en subsidiair om [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te veroordelen om aan haar een bedrag van € 311.228,08 inclusief btw te betalen, buitengerechtelijke kosten van € 3.331,14, wettelijke (handels) rente en kosten.
4.2.
AKOR legt aan de vordering ten grondslag, samengevat weergegeven,
primairdat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ongerechtvaardigd zijn verrijkt door de door Akor uitgevoerde werkzaamheden en Akor is verarmd, omdat zij geen vergoeding heeft ontvangen voor die werkzaamheden,
subsidiairdat zij de werkzaamheden heeft verricht op basis van een met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] gesloten overeenkomst, die tot stand is gekomen via [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , die op haar beurt gevolmachtigd was door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] om de overeenkomst namens hen te sluiten. Akor vordert nakoming van de betalingsverplichting van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] uit hoofde van deze overeenkomst,
voor zover een volmacht van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] (gedeeltelijk) zou ontbreken, heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] jegens Akor in te staan voor het bestaan van de volmacht (artikel 3:70 BW Pro) en heeft Akor recht op vergoeding van het positief contractsbelang,
meer subsidiairdat zij de werkzaamheden in onderaanneming van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] op regiebasis heeft verricht, zodat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] haar betalingsverplichting moet nakomen voor de door Akor in opdracht van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] uitgevoerde werkzaamheden,
meest subsidiairdat in het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van deze grondslagen, tussen haar en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] een overeenkomst tot stand is gekomen, op basis van een eventueel door Akor aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] verstrekte volmacht, dan wel door middel van bekrachtiging. Op die grond zijn [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] gehouden de facturen van Akor te betalen.
4.3.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert verweer. Samengevat voert [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan dat zij van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht heeft gekregen om de aanbouw te realiseren. Er is niet afgesproken dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] de aanbouw zelf zou realiseren, wat ook niet mogelijk is, omdat zij geen bouwbedrijf exploiteert. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft voor de bouw namens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] derden ingeschakeld, waaronder Akor. Daarbij vertegenwoordigde [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] nam tevens het werk voor Akor aan, omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als (account)manager/projectleider voor Akor werkzaam was. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] vertegenwoordigde dus zowel Akor als [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Ook zou [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] de bouwbegeleiding voor [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] verzorgen, waarvoor zij geen vergoeding heeft bedongen. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] wilden lopende het project veel meer en ander werk laten uitvoeren dan alleen de aanbouw. Het ging om aparte opdrachten, los van de aanbouw, en deze zijn uitgevoerd. Met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] afgesproken dat de in te schakelen derden waar mogelijk direct aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zouden factureren. Waar dat niet kon heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gefactureerd, het gaat om 23 facturen in totaal. Deze facturen zien dus niet op de aanbouw zelf. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hebben dus met Akor een aannemingsovereenkomst gesloten, en niet met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Van onderaanneming tussen Akor en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is dan ook geen sprake. Omdat Akor met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft gecontracteerd, moet [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de facturen betalen, en niet [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert aan dat zij niet gehouden is jegens Akor in te staan voor een toereikende volmacht van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] en evenmin om schade van Akor te vergoeden, omdat Akor het werk heeft aangenomen van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] , waarbij Akor is vertegenwoordigd door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , dan wel is er een rechtstreekse overeenkomst gesloten tussen Akor en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Van instaan voor een volmacht van [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] kan hoe dan ook geen sprake zijn. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hebben jegens Akor de schijn van volmachtverlening (artikel 3:61 BW Pro) gewekt. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Akor geen beroep doet op schijn van volmachtverlening door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] , maar in plaats daarvan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] tot schadevergoeding aanspreekt. Voor zover [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] al gehouden zou zijn facturen van [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] te betalen voert zij verweer tegen de gefactureerde opslagen van € 50.775,58, omdat niet is afgesproken dat opslagen in rekening zouden worden gebracht en dat ook niet de bedoeling was. Omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] nooit door Akor in gebreke is gesteld en zelfs nooit een factuur van Akor heeft ontvangen, is zij geen rente en kosten verschuldigd. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Akor, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Akor, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Akor in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.
4.4.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] voeren verweer. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] voert aan dat hij niet met Akor, maar met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een overeenkomst heeft gesloten voor een verbouwing van de woning. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] is mondeling met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] overeengekomen dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het gewenste bouwwerk conform de offerte van [aannemingsbedrijf] zou uitvoeren voor een vaste prijs van € 280.000 inclusief btw. Als al een richtprijs zou zijn overeengekomen, wat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] betwisten, kan deze nooit met meer dan 10% worden overschreden. Bovendien is nooit gewaarschuwd voor de noodzaak van een prijsverhoging bij door hen gewenste wijzigingen in het werk. Er is ook sprake van oneerlijke handelspraktijken. Voor zover meer dan € 280.000 aan hen in rekening is gebracht, vernietigt [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de overeenkomst op die grond. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is de hoofdaannemer. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft geen volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] verstrekt om namens hem overeenkomsten met derden te sluiten en heeft evenmin de schijn gewekt dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] namens hen kon handelen. Subsidiair betwisten [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] de hoogte van de facturen waarvan betaling wordt gevorderd.

5.De beoordeling in de hoofdzaak

5.1.
Vaststaat dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven om een verbouwing aan de woning uit te voeren. Ook staat vast dat Akor werkzaamheden aan de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] heeft verricht en dat haar facturen niet zijn betaald. In geschil is wie de contractuele wederpartij van Akor is en op die grond de facturen van Akor moet betalen. Er zijn geen schriftelijke overeenkomsten opgesteld waaruit een en ander zou kunnen blijken.
5.2.
Uit de stellingen in de dagvaarding en de verschillende aangevoerde grondslagen tegen de verschillende gedaagden blijkt dat voor Akor zelf niet duidelijk is wie haar contractuele wederpartij is, wat zij ook met zoveel woorden heeft erkend. Zij gaat daarom voor verschillende, soms onderling tegenstrijdige, ankers liggen. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] had een centrale rol bij de totstandkoming van de overeenkomst, omdat alle contacten via haar liepen, en niet rechtstreeks tussen de feitelijke uitvoerder Akor en opdrachtgever [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . Desondanks heeft ook [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] geen duidelijkheid weten te scheppen over het antwoord op de vraag wie met wie welke overeenkomst heeft gesloten.
Ongerechtvaardigde verrijking
5.3.
Vast is komen te staan dat de uitgevoerde werkzaamheden bij [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] op basis van een overeenkomst zijn verricht, zoals Akor op de mondelinge behandeling ook heeft erkend. Ook [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt dat hij een overeenkomst heeft gesloten om de werkzaamheden te laten uitvoeren. Nu sprake is van een aan de werkzaamheden ten grondslag liggende overeenkomst, is van ongerechtvaardigde verrijking van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] (en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ) geen sprake. De gestelde verrijking vindt immers haar rechtvaardiging in die overeenkomst. De vraag wie de wederpartij is van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] (en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ) bij die overeenkomst, is voor de beoordeling van deze grondslag niet relevant. De vordering op de primaire grondslag moet dan ook worden afgewezen.
Volmacht
5.4.
Subsidiair stelt Akor dat zij een overeenkomst met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] (en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ) heeft gesloten via [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , waarbij [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] handelde op basis van een - al dan niet impliciete - volmacht van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] (en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ). Ter onderbouwing van deze stelling voert Akor aan dat zij geen volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft verstrekt en dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] namens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] handelde. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] nam aanvankelijk bovendien zelf ook het standpunt in dat zij namens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] handelde.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] betwisten dat zij een (impliciete) volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] hebben gegeven om namens hen de overeenkomst met Akor te sluiten. Zij stellen dat zij een overeenkomst met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] hebben gesloten.
5.5.
De vraag of [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft verleend om namens hem een overeenkomst te sluiten met betrekking tot de bouwwerkzaamheden, moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Het gaat er dan om wat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] als vermeende volmachtgever en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als vermeende gevolmachtigde over en weer hebben verklaard en over en weer uit elkaars gedragingen en verklaringen hebben mogen begrijpen, waarbij in het bijzonder van belang is de verklaring of gedraging waarbij de volmacht is verleend. Ook een rol kan spelen of een verklaring is uitgebracht richting degene met wie de tussenpersoon ( [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ) zal gaan handelen en dat was Akor. Een volmacht is niet aan vormvereisten gebonden en kan ook stilzwijgend worden verleend.
5.6.
Op Akor rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast van haar stelling. Akor heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit, indien bewezen, kan worden geconcludeerd dat sprake is van de gestelde volmacht van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Akor voert slechts aan dat zij geen volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft verstrekt en dat het dan ook niet anders kan zijn dan dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] namens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] handelde. Dat is niet alleen onjuist, omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ook voor zichzelf kan hebben opgetreden, maar ook overigens onvoldoende onderbouwing van haar stelling dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een volmacht had verleend aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Akor heeft evenmin feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de schijn van een toereikende volmacht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft gewekt.
5.7.
De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat Akor met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een overeenkomst heeft gesloten via [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als gevolmachtigde. De vordering op de subsidiaire grondslag zal dan ook worden afgewezen. Nu [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet als gevolmachtigde van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft gehandeld, hoeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet in te staan voor het bestaan en de omvang van de volmacht.
Onderaanneming
5.8.
Meer subsidiair stelt Akor dat zij met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een overeenkomst van onderaanneming heeft gesloten op basis waarvan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gehouden is de facturen te betalen. Tussen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als hoofdaannemer werd een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, waarna [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het werk heeft uitbesteed aan onderaannemers waaronder Akor. Akor voert daartoe aan dat zij al eerder op deze manier voor [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] werkzaamheden heeft uitgevoerd, waarbij [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] opdracht kreeg van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] om werkzaamheden uit te voeren, die [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] uitbesteedde aan Akor, alsmede dat de totale opdracht van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] veel meer omvatte dan alleen het onderdeel waarvoor Akor opdracht kreeg en dat de communicatie verliep tussen Akor en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] .
5.9.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betwist dat er sprake is van onderaanneming. Zij stelt dat zij het werk namens Akor van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] heeft aangenomen. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] was namelijk op managementbasis werkzaam bij Akor als accountmanager/projectleider en heeft deze opdracht als zodanig bij Akor aangebracht en tevens namens Akor aangenomen. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] beschikte ook over een e-mailaccount bij Akor en vanaf dit e-mailadres heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gecommuniceerd met betrekking tot de werkzaamheden. Akor factureerde ook rechtstreeks aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , en niet aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , wat dit standpunt bevestigt, aldus [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] .
5.10.
Uit de stellingname van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] volgt in ieder geval dat zij het werk heeft aangenomen. Of dat voor zichzelf was of als vertegenwoordiger van Akor moet worden beoordeeld. Als niet komt vast te staan dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het werk als vertegenwoordiger van Akor heeft aangenomen, volgt daaruit dat zij het werk voor zichzelf heeft aangenomen en daarmee is dan gegeven dat sprake is van onderaanneming, omdat Akor het werk feitelijk heeft uitgevoerd.
5.11.
De grondslag voor de gestelde volmacht van Akor aan haar, is volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gelegen in het bestaan van een managementovereenkomst tussen Akor en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Akor heeft het bestaan van die overeenkomst gemotiveerd betwist. Of tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en Akor een managementovereenkomst bestaat kan evenwel in het midden blijven. Akor heeft namelijk onbetwist gesteld dat de managementovereenkomst waar indertijd tussen partijen wel over is gesproken, maar waaraan geen uitvoering is gegeven, geen bevoegdheid schept voor [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] om namens Akor overeenkomsten te sluiten. Zelfs als een dergelijke overeenkomst tussen partijen zou zijn gesloten, schept deze dus niet de vertegenwoordigingsbevoegdheid waarop [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zich beroept. Op zichzelf zijn er wel aanwijzingen dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] op regelmatige basis diensten of werkzaamheden voor Akor verrichtte, gelet op het overzicht van de bankrekening van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , waaruit blijkt van maandelijkse betalingen door Akor aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] telkens in dezelfde orde van grootte. Maar daaruit kan niet het bestaan van een volmacht tot vertegenwoordiging worden afgeleid. Datzelfde geldt voor de door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] overgelegde stukken waaruit volgens haar blijkt dat Akor [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als haar accountmanager/projectleider presenteert naar buiten toe. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft niet gesteld dat een accountmanager per definitie vertegenwoordigingsbevoegd is, en dat hoeft ook niet zo te zijn.
5.12.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft ter onderbouwing van de gestelde volmacht verder gewezen op de gang van zaken bij eerdere projecten in het verleden. Partijen hebben eerder met elkaar zaken gedaan, waarbij voor [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] of zijn onderneming opdrachten werden uitgevoerd waar zowel Akor als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] bij betrokken waren. Hoe de zaken toen zijn gegaan kan niet als onderbouwing dienen voor de wijze van totstandkoming van de overeenkomst, omdat partijen ook op dat punt verschillende visies hebben over de feitelijke gang van zaken. Dat sprake is van een bestendige wijze van zakendoen met elkaar kan dus niet worden vastgesteld. Zo is de bouw van het benzinestation voor een onderneming van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , waarover partijen reppen, in de vorm van onderaanneming gedaan, waarbij Akor als onderaannemer voor [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] optrad. Dat dit volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] om fiscale redenen in deze vorm werd gegoten, maakt daarbij niet uit. Ook uit de omstandigheid dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] over een eigen e-mailadres bij Akor beschikte en van daaruit e-mails verstuurde naar [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] kan geen vertegenwoordigingsbevoegdheid worden afgeleid. Zoals hiervoor is overwogen staat wel vast dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en Akor eerder hebben samengewerkt. Akor heeft ook aangevoerd dat zij [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] wel heeft ingehuurd als externe partij, maar niet in dit geval. Hoe dan ook kan uit het hebben van een eigen e-mailaccount binnen Akor geen vertegenwoordigings-bevoegdheid van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] worden afgeleid.
Dat Akor haar facturen naar [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft gestuurd en niet naar [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , is ingegeven door de instructie van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] om rechtstreeks aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] te factureren. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft ook aangegeven dat zij met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] had afgesproken dat waar mogelijk de door haar in te schakelen derden rechtstreeks aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] zouden factureren. De wijze van facturering kan dus evenmin dienen ter onderbouwing van het bestaan van de gestelde volmacht.
Voor zover [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] er op heeft gewezen dat Akor en haar advocaat eerder wel het standpunt innamen dat Akor met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] had gecontracteerd via [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als gevolmachtigde, kan dat niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent immers niet dat het eerdere standpunt het juiste was en bovendien staat het [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] in beginsel vrij van standpunt te veranderen. Bovendien was voor zowel Akor als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zelfs op de mondelinge behandeling nog niet duidelijk wie met wie heeft gecontracteerd, waarbij met elkaar strijdige standpunten werden ingenomen. Hoewel ook Akor zich beter had moeten vergewissen met wie zij zaken deed, is de onduidelijkheid met name veroorzaakt door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , die de contacten met enerzijds Akor en anderzijds [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] onderhield, maar naar die partijen toe niet (voldoende) heeft kenbaar gemaakt in welke hoedanigheid zij optrad en voor wie.
5.13.
De conclusie is dan ook dat het bestaan van een volmacht op grond waarvan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] bevoegd was voor Akor de overeenkomst met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] te sluiten niet is komen vast te staan. Vast staat dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het werk van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft aangenomen. Zonder volmacht van Akor is de conclusie dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] de overeenkomst met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] voor zichzelf heeft gesloten. Omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] vervolgens aan Akor heeft gevraagd het werk uit te voeren en Akor daarmee heeft ingestemd, is sprake van een overeenkomst van onderaanneming tussen Akor en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Deze conclusie strookt ook met de stelling van Akor in de dagvaarding dat zij ervan uitging rechtstreeks voor [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te werken, wat op de mondelinge behandeling namens Akor nogmaals is verklaard. Dat sprake was van een hoofd- en onderaannemingsovereenkomst, rijmt ook met het feit dat de communicatie verliep tussen enerzijds [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en anderzijds tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en Akor en niet rechtstreeks tussen Akor en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , behalve bij de feitelijke uitvoering van het werk.
5.14.
Omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan Akor opdracht heeft gegeven het werk te verrichten, is [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gehouden voor het werk van Akor te betalen. Akor stelt dat zij in opdracht van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een casco aanbouw heeft gerealiseerd op een reeds gerealiseerde kelder en nog diverse werkzaamheden heeft verricht zoals het plaatsen van tussenwanden en plafonds en diverse aftimmeringen. Dat is door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet betwist. Akor vordert betaling van een factuur van 27 maart 2020 van € 215.250 exclusief btw (€ 260.452,50 inclusief btw) en van haar eindafrekening van 6 december 2023 van € 41.963,29 exclusief btw (€ 50.775,58 inclusief btw) zijnde in totaal € 257.213,29 exclusief btw en € 311.228,08 inclusief btw. Dat Akor deze facturen niet aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] maar aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft gestuurd, doet niet af aan de betalingsverplichting. Dit gebeurde immers op instructie van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft de factuur van 6 december 2023 betwist. In deze factuur worden namelijk opslagen in rekening gebracht, terwijl volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet is afgesproken dat er met opslagen zou worden gewerkt. Een eerdere factuur van Akor aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] is ook in overleg met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gecrediteerd, omdat daarin ten onrechte opslagen werden gehanteerd. Daarna volgde de nieuwe factuur van 27 maart 2020, zonder opslagen. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] wijst erop dat de factuur met de opslagen dateert van 6 december 2023, terwijl het werk begin 2020 was afgerond, reden waarom zij vermoedt dat deze factuur is gecreëerd om een onderhandelingspositie te versterken.
Tegenover dit gemotiveerde verweer heeft Akor onvoldoende onderbouwd gesteld op welke grond zij gerechtigd is opslagen in rekening te brengen en niet toegelicht waarom dit na zo lange tijd nog in rekening wordt gebracht, wat wel op haar weg had gelegen. De vordering tot betaling van de factuur van 6 december 2023 zal daarom worden afgewezen. De vordering tot betaling van de factuur van 27 maart 2020 van € 215.250, te vermeerderen met btw, zal worden toegewezen.
De meest subsidiaire vordering hoeft daarmee niet te worden besproken.
Wettelijke handelsrente
5.15.
Akor vordert betaling van de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van de facturen. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert daartegen verweer. Zij voert aan dat zij nooit een factuur van Akor heeft ontvangen, dat zij nooit in gebreke is gesteld en dat zij dus niet in verzuim verkeert. Omdat Akor pas na vier jaar en acht maanden tot dagvaarding is overgegaan, is volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als Akor aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de wettelijke handelsrente over die gehele periode. Akor had haar schade moeten beperken door eerder te dagvaarden.
5.16.
Vaststaat dat sprake is van een handelsovereenkomst. Dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] geen factuur heeft ontvangen is veroorzaakt door haar eigen instructie dat Akor de factuur naar [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] moest sturen en is tevens een consequentie van haar onjuist gebleken opstelling dat zij geen contractspartij is. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] was bovendien volledig op de hoogte van de door Akor gefactureerde bedragen, omdat de facturen op instigatie van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] werden opgemaakt en zij de kostencalculatie bijhield. De rechtbank acht het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar dat Akor aanspraak kan maken op vergoeding van de wettelijke handelsrente over die gehele periode.
5.17.
Bij wettelijke handelsrente geldt niet het vereiste van verzuim, een ingebrekestelling is dan ook niet vereist. Volgens artikel 6:119a BW gaat de wettelijke handelsrente automatisch lopen als de daar genoemde termijnen zijn verstreken. De rechtbank zoekt aansluiting bij het bepaalde in artikel 6:119a lid 3 onder c BW en gaat voor de aanvangstermijn van de wettelijke handelsrente uit van 30 dagen na de dag waarop de termijn van oplevering verstreek. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] was immers de hoofdaannemer en zal het werk, al dan niet stilzwijgend, hebben aanvaard. Er is niet gesteld of gebleken dat het werk niet (volledig) kon worden aanvaard. In de specificatie van Akor van de verrichte werkzaamheden (productie 7b bij dagvaarding) is 2 februari 2020 de laatste dag waarop werkzaamheden door Akor zijn verricht. De rechtbank gaat ervan uit dat het werk toen gereed was om opgeleverd te worden, nu niet is gesteld of gebleken dat dit anders is geweest. Het werk moet binnen een redelijke termijn worden gekeurd. Welke termijn redelijk is, hangt af van de omstandigheden van het geval en van wat terzake gebruikelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het een werk dat op zich vrij eenvoudig gecontroleerd kan worden, nu het ging om een casco aanbouw boven een reeds gerealiseerde kelder en enkele bijkomende werkzaamheden, zoals hiervoor onder 5.14 weergegeven. Een termijn van twee weken acht de rechtbank redelijk. Dat betekent dat het werk op 16 februari 2020 (stilzwijgend) door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is aanvaard. De termijn van 30 dagen voor betaling van de factuur gaat dan lopen op 17 februari 2020. De wettelijke handelsrente is daarmee verschuldigd met ingang van 17 maart 2020 over een bedrag van € € 260.452,50.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.18.
Akor vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 onder Pro c BW. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betwist deze vordering en voert aan dat nergens uit blijkt dat Akor kosten heeft gemaakt om haar tot betaling te bewegen. Dit verweer slaagt. Akor heeft niet gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden ten aanzien van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft verricht of laten verrichten. Omdat sprake is van een handelsovereenkomst die op of na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de wettelijke betalingstermijn van artikel 6:119a BW is verstreken, is een bedrag van € 40,- ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 BW Pro toewijsbaar, als geen incassowerkzaamheden zijn verricht. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Conclusie
5.19.
De vorderingen ingesteld tegen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zullen worden afgewezen.
De meer subsidiaire vordering tegen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zal worden toegewezen tot een bedrag in hoofdsom van € 260.452,50 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te rekenen vanaf 17 maart 2020 tot de dag van volledige betaling. Een bedrag van € 40,00 zal worden toegewezen wegens buitengerechtelijke incassokosten.
Proceskosten
5.20.
Akor wordt in de zaak tegen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] betalen. De proceskosten van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] worden begroot op:
  • griffierecht € 2.626
  • salaris advocaat € 5.770 (2 punten x tarief VI € 2.885)
  • nakosten
Totaal € 8.585
5.21.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Akor betalen. De proceskosten van Akor worden begroot op:
  • explootkosten € 114,71
  • griffierecht € 6.617
  • salaris advocaat € 5.770 (2 punten x tarief VI € 2.885)
  • nakosten
Totaal € 12.690,71
5.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Verdere verloop van de procedure
5.23.
Zoals hierna zal volgen wordt de beslissing in de vrijwaringszaak aangehouden. Daarom zal de beslissing in de hoofdzaak worden aangehouden totdat in de vrijwaringszaak eindvonnis wordt gewezen.
De vrijwaringszaak

6.De feiten in de vrijwaringszaak

6.1.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft een offerte aangevraagd en ontvangen van [aannemingsbedrijf] , die zag op een verbouwing van de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] conform gegevens van de architect [de architect] . Het betrof het vergroten van een bestaande kelder en het realiseren van een aanbouw daarboven. Deze offerte sloot op een bedrag van € 480.389,24 inclusief btw.
6.2.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] kende de heer [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] (indirect bestuurder/enig aandeelhouder van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ) en vroeg hem, in zijn rol van bestuurder van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , naar de offerte van [aannemingsbedrijf] te kijken met de vraag of deze marktconform was.
6.3.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft de offerte van [aannemingsbedrijf] bekeken en heeft namens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een bedrag van € 280.000 genoemd in een gesprek met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] .
6.4.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft vervolgens mondeling aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , in de persoon van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , laten weten dat zij het nodige in gang kon zetten om de aanbouw te realiseren.
6.5.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft Akor ingeschakeld voor het uitvoeren van de bouw. Akor exploiteert een bouwbedrijf. Akor heeft de bouw en afbouw van de aanbouw gerealiseerd.
6.6.
Akor heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] op 13 februari 2020 een factuur gestuurd voor de realisering van de aanbouw voor een bedrag van € 282.189,75 inclusief opslagen en btw. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur geretourneerd met de mededeling dat hij geen opdracht aan Akor heeft gegeven.
Akor heeft deze factuur in overleg met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gecrediteerd.
6.7.
Daarna heeft Akor een nieuwe factuur aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd van 27 maart 2020 zonder opslagen voor een bedrag van € 260.452,50 inclusief btw. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur niet betaald.
6.8.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] 22 termijnfacturen gestuurd en een eindtermijn voor in totaal € 444.967,14.
6.9.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft in totaal een bedrag van € 305.504 aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaald en heeft een bedrag van € 34.832,96 direct aan [electrabedrijf] betaald.
6.10.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft eind april 2020 jegens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zijn verbazing uitgesproken over de hoogte van de uiteindelijke kosten voor alle werkzaamheden rond de woning.
6.11.
In een e-mailbericht van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] van 20 april 2020 meldt [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] onder andere:
‘De kosten zijn hoger uitgevallen dan dat ik in eerste aanleg tegen jou had verteld. Ik wil hierbij wel aanhalen dat de stukken waarop ik een bedrag had aangegeven summier waren en ik was uitgegaan van een kelder met veranda als bovenbouw. De eventuele werkzaamheden in de tuin had ik hierin niet meegenomen. In werkelijkheid zijn de werkzaamheden volledig afgestemd op de wensen van je vrouw (…) Kortom in praktijk is het volledig maatwerk geworden dat afwijkt van de oorspronkelijke tekening van de architect. In (bedoeld zal zijn: ik, rechtbank) doel hier op de binneninrichting, de binnen afwerking, de installatievoorzieningen, de verbouwing van jullie bestaande kelder, de nieuwe trap en deur, de inrichting van de bovenbouw waarbij we een extra zolder hebben aangebracht met velux dakramen, een totaal gewijzigde constructie (draagbalken). Het ontwerp van [de architect] is globaal als uitgangspunt aangehouden maar in praktijk volledig als maatwerk uitgevoerd. (…) Al deze extra werkzaamheden had ik niet meegenomen in het bedrag dat ik had aangegeven omdat dit simpelweg op dat moment niet bekend was. Mijn fout is dat ik je daar eerder bij had moeten betrekken. (…)’
6.12.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] zijn in overleg gegaan, maar zijn het niet eens geworden.
6.13.
De raadsman van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] bij brief van 7 december 2021 onder meer gesommeerd de factuur van Akor voor de aanbouw van € 260.452,50 aan Akor te betalen en voor zover zou hebben te gelden dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft gegeven voor de door Akor verrichte werkzaamheden, sommeert zij om de facturen van Akor aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen, waarna [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het bedrag aan Akor zal doorbetalen.

7.Het geschil in de vrijwaringszaak

7.1.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] vordert, samengevat weergegeven, in het geval in de hoofdzaak de vordering van Akor jegens haar wordt toegewezen, dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] primair hoofdelijk en subsidiair ieder bij helfte en meer subsidiair alleen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , worden veroordeeld om aan haar te betalen datgene waartoe [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] in de hoofdzaak jegens Akor wordt veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling, met veroordeling van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hoofdelijk, dan wel ieder bij helfte, dan wel alleen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , in de kosten van de vrijwaringsprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.2.
In de hoofdzaak is overwogen dat de vordering van Akor jegens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zal worden toegewezen op grond van de subsidiaire grondslag onderaanneming. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert aan dat in dat geval geldt dat er dan dus sprake is van een hoofdaannemingsovereenkomst tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Dit omdat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] opdracht hebben gegeven aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] om de aanbouw te realiseren. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zijn daarom contractueel gehouden om aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen wat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan Akor moet betalen. Bovendien zijn [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ongerechtvaardigd verrijkt ten kosten van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aan Akor moet betalen.
7.3.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] voeren verweer. Alleen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft opdracht heeft gegeven aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] om de aanbouw te realiseren, zodat de vorderingen tegen [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] moeten worden afgewezen. Er is geen richtprijs afgesproken. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft het werk voor een vaste prijs van € 280.000 inclusief btw aangenomen. Het ging daarbij om het gehele door [aannemingsbedrijf] geoffreerde werk en dus niet om alleen een casco aanbouw. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft een bedrag van € 60.336,96 meer betaald aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] dan het afgesproken bedrag. Hetgeen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] meer heeft betaald dan is overeengekomen met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , vordert hij in voorwaardelijke reconventie terug van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , te weten een bedrag van € 60.336,96.
8. De beoordeling in de vrijwaringszaak in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
8.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie nauw met elkaar samenhangen worden deze hierna gezamenlijk besproken.
8.2.
Zoals hiervoor is overwogen is in de hoofdzaak beslist dat tussen Akor en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten, waarbij Akor als onderaannemer van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft te gelden. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt dat in dat geval tussen haar en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten. Dit standpunt is juist en ook [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] onderschrijft dat. De vordering in vrijwaring wordt beoordeeld aan de hand van de stellingen die [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] inneemt voor deze situatie van hoofd- en onderaanneming. De overige door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aangevoerde grondslagen zien op situaties die niet aan de orde zijn gebleken. Die grondslagen kunnen daarom onbesproken blijven. Het verweer van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in conventie vloeit uit in een voorwaardelijke vordering in reconventie. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] vordert terugbetaling van het teveel aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaalde van € 60.336,96. Hij vordert dit bedrag primair op de grondslag dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken in welk geval de overeenkomst ten aanzien van meerwerk/meerprijs moet worden vernietigd, dan wel moeten de gevolgen van de overeenkomst worden gewijzigd in die zin dat geen aanvullende betalingsverplichting bestaat voor [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . Hoewel [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de reconventionele vordering heeft aangeduid als een voorwaardelijke vordering, is van een door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] geformuleerde voorwaarde niet gebleken. De rechtbank beoordeelt de vordering daarom als een onvoorwaardelijke reconventionele vordering.
Is [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ook contractspartij?
8.3.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt dat naast [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] ook [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] haar contractuele wederpartij is bij de aannemingsovereenkomst, zodat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gehouden is aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert daartoe aan dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] in de hoofdzaak hebben erkend dat zij als gezamenlijk opdrachtgevers van de aanbouw zijn aan te merken. Dit is door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] betwist. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de conclusie van antwoord van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] in de hoofdzaak, zonder daarbij te preciseren waar dit standpunt van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] in die conclusie staat. Dit standpunt is in die conclusie niet te vinden, terwijl de rechter ook niet gehouden is om zelf in de producties op zoek te gaan naar onderbouwingen van stellingen. Vast staat dat de overeenkomst mondeling is gesloten tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] namens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] was daarbij niet aanwezig. Er is niet gesteld of gebleken dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] bij het sluiten van de overeenkomst heeft aangegeven dat hij de overeenkomst mede voor [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] sloot en evenmin dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] dat zo had mogen begrijpen. Dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] gezamenlijk eigenaar zijn van de woning waar de werkzaamheden zijn verricht, betekent niet dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ook contractspartij is geworden. Hetzelfde geldt voor het argument dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aanvoert, namelijk dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] samen instructies hebben gegeven voor en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Dat ook [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zich heeft bemoeid met de uitvoering van de werkzaamheden, betekent niet dat zij contractspartij was, of door het geven van instructies is geworden. In de onderlinge verhouding tussen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] kan het zo zijn dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] instructies mocht geven hoe zij bepaalde zaken uitgevoerd wilde hebben. Dit is door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] op de mondelinge behandeling ook verklaard; [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zou het overleg over de feitelijke invulling bij de bouw doen. De omstandigheid dat er betalingen zijn gedaan vanaf de en/of rekening van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] leidt evenmin tot een ander oordeel. Hoe [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] de betalingen in hun onderlinge verhouding afspreken, gaat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet aan.
8.4.
De conclusie moet dan ook zijn dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] geen contractspartij is bij de overeenkomst tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . De vorderingen die tegen haar zijn ingesteld zullen worden afgewezen.
8.5.
De beslissing over de vergoeding van de proceskosten van [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] wordt aangehouden tot het eindvonnis.
Ongerechtvaardigde verrijking?
8.6.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] ongerechtvaardigd wordt verrijkt als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het door Akor in de hoofdzaak gevorderde bedrag moet betalen. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] voert verweer. De rechtbank is van oordeel dat van ongerechtvaardigde verrijking geen sprake is. Aan de werkzaamheden ligt immers een overeenkomst ten grondslag, namelijk de aannemingsovereenkomst tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . De gestelde verrijking van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] vindt haar rechtvaardiging in die overeenkomst. De vordering op deze grondslag moet dan ook worden afgewezen.
Richtprijs of vaste aanneemsom
8.7.
Nu vast is komen te staan dat er een aannemingsovereenkomst is gesloten tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd, is [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in beginsel gehouden voor die werkzaamheden te betalen.
8.8.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] nog moet betalen aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] . Met name is in geschil of een richtprijs is afgesproken voor alleen een casco aanbouw, zoals [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt, of dat een vaste prijs van € 280.000 is afgesproken voor het realiseren van een aanbouw conform de offerte van [aannemingsbedrijf] , die veel meer omvat dan een casco aanbouw, zoals [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt.
8.9.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt dat zij in een persoonlijke ontmoeting tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een richtprijs van € 280.000 heeft genoemd voor het realiseren van een casco aanbouw en dus geen vaste prijs. Het betreft de casco aanbouw die Akor heeft gerealiseerd en waarvoor Akor de facturen heeft gestuurd aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , maar die niet zijn betaald. De casco aanbouw is voor de richtprijs gerealiseerd, zodat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gehouden is hiervoor te betalen. De casco aanbouw staat los van alle overige werkzaamheden waarvoor [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven. Deze werkzaamheden zijn door derden op regiebasis uitgevoerd en zijn door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] bij [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in rekening zijn gebracht met de 23 facturen, of zijn door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] direct aan die derden betaald. De richtprijs kan ook geen betrekking hebben gehad op die extra werkzaamheden, omdat deze werkzaamheden ten tijde van het noemen van de richtprijs nog helemaal niet bekend waren, of niet aan de orde waren. Het betreft hier onder andere tuin- en bestratingswerkzaamheden die niets te maken hebben met de casco uitbouw, aldus [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] .
8.10.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] betwist die stellingen en stelt dat met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een vaste aanneemsom is overeengekomen van € 280.000 inclusief btw voor het gehele werk zoals het door [aannemingsbedrijf] was geoffreerd, dus niet slechts een casco aanbouw. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft ook nooit aangegeven dat het niet om het gehele door [aannemingsbedrijf] geoffreerde werk ging maar alleen om een casco aanbouw. Van regiebouw was geen sprake en buiten het aangenomen werk van € 280.000 zijn geen regiewerkzaamheden uitbesteed. Hij heeft geen aanvullende opdrachten gegeven. Bovendien, als er al een richtprijs zou zijn overeengekomen, mag deze met niet meer dan 10% worden overschreden en hij is ook niet gewaarschuwd voor een prijsverhoging bij meerwerk, als al sprake zou zijn van meerwerk.
8.11.
Er moet dus worden vastgesteld wat partijen met elkaar hebben afgesproken over de omvang en over de prijs van het door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aangenomen werk. Ook bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. In het algemeen kunnen echter ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend zijn voor de uitleg daarvan, zoals gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst. [1]
8.12.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] beroept zich op de rechtsgevolgen van haar stelling dat zij met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een richtprijs van € 280.000 voor een casco aanbouw mondeling is overeengekomen. Gelet op de betwisting van die stelling door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] is dat vooralsnog niet komen vast te staan. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] zal daarom de gelegenheid krijgen haar stelling te bewijzen.
8.13.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt dat geen richtprijs maar een vaste prijs van € 280.000 inclusief btw voor de bouw van een complete aanbouw conform de offerte van [aannemingsbedrijf] mondeling is overeengekomen. Gelet op de betwisting van die stelling door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is dat vooralsnog evenmin komen vast te staan. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] zal daarom de gelegenheid krijgen zijn stelling te bewijzen. In de procedure in conventie gaat het immers om een bevrijdend verweer waarvan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de stelplicht heeft en op hem de bewijslast rust. In de procedure in reconventie, waar hij het volgens hem teveel betaalde terugvordert van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , rust op [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de stelplicht en de bewijslast van het door hem gestelde. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] beroept zich immers op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat een vaste prijs is afgesproken voor een complete aanbouw en niet slechts casco. Anders dan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] meent, is het niet zo dat als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet slaagt in het bewijs van haar stelling dat een richtprijs voor alleen casco bouw is afgesproken, dan dus sprake is van een vaste prijs voor een complete aanbouw zoals geoffreerd door [aannemingsbedrijf] .
8.14.
Uit oogpunt van proceseconomie zal aan beide partijen tegelijk bewijs worden opgedragen van hun respectievelijke stellingen. De zaak zal naar na te melden roldatum worden verwezen voor akte uitlaten bewijslevering.
8.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
De gevoegde zaak

9.Achtergrond

In de gevoegde zaak vordert [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaling van facturen van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Het gaat om facturen van derden die werkzaamheden hebben verricht rond de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] , welke werkzaamheden volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet zien op de aanbouw die Akor heeft gerealiseerd bij de woning. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft die facturen betaald aan die derden en doorbelast aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Het gaat om 23 facturen. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft daarvan 18 facturen betaald. De resterende vijf facturen voor een totaalbedrag van € 91.316,53 heeft [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] niet betaald. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt zich op het standpunt dat hij al meer aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft betaald dan is afgesproken, zodat op hem geen betalingsverplichting rust.

10.De feiten in de gevoegde zaak

10.1.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en de heer [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] (bestuurder van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] ) zijn bekenden van elkaar en hebben zakelijk eerder met elkaar te maken gehad.
10.2.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft een offerte aangevraagd bij Bouwbedrijf [aannemingsbedrijf] met betrekking tot een aanbouw aan de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] . Deze offerte sloot op een bedrag van € 480.389,24 inclusief btw.
10.3.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft in de zomer van 2018 aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , in de persoon van de heer [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] , gevraagd om te bekijken of die offerte marktconform was.
10.4.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft de offerte van [aannemingsbedrijf] bekeken. In een gesprek tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een bedrag van € 280.000 genoemd. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] laten weten dat zij de aanbouw kon realiseren.
10.5.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft Akor ingeschakeld om de aanbouw te realiseren. Akor heeft een aanbouw bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] gerealiseerd.
10.6.
Akor heeft op 13 februari 2020 een factuur aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd voor een bedrag van € 282.189,75 inclusief btw. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur niet betaald. Hij heeft hem teruggestuurd aan Akor met de mededeling dat hij geen opdracht aan Akor heeft gegeven.
10.7.
Akor heeft deze factuur gecrediteerd en daarna een nieuwe factuur aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd voor een bedrag van € 260.452,50. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft deze factuur niet betaald.
10.8.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft in de periode van 16 oktober 2018 tot en met 31 januari 2020 23 facturen aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gestuurd voor een totaalbedrag van € 444.967,14. In deze facturen worden termijnen in rekening gebracht en daarbij zijn facturen gevoegd van derden die de werkzaamheden hebben verricht.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] in totaal een bedrag van € 353.650,75 inclusief btw aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaald. Vanaf termijn 19 heeft hij de facturen niet meer betaald aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] .
10.9.
Bij brief van 17 december 2021 heeft de advocaat van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gesommeerd de openstaande facturen voor een bedrag van € 91.316,53 te betalen alsmede de factuur van Akor van € 260.452,50 aan Akor te betalen en subsidiair dat bedrag aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen, als zou hebben te gelden dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voor de door Akor verrichte werkzaamheden. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] heeft niet aan deze sommatie voldaan.

11.De vordering en het verweer

11.1.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] vordert, samengevat weergegeven, primair op grond van een overeenkomst van opdracht, om [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] hoofdelijk, dan wel ieder bij helfte, en subsidiair om alleen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] te veroordelen om de openstaande facturen tot een bedrag van € 91.316,53 te betalen en meer subsidiair [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] op grond van ongerechtvaardigde verrijking hoofdelijk te veroordelen tot betaling van genoemd bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en met buitengerechtelijke kosten, waarbij [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] de vordering in alle gevallen beperkt tot een bedrag van € 100.000,- met hoofdelijke veroordeling van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] in de proceskosten.
11.2.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt ter onderbouwing, samengevat, dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] aan haar opdracht hebben gegeven om de werkzaamheden waarop de facturen zien, te (laten) verrichten. Er is geen prijs voor de werkzaamheden afgesproken; er is op regiebasis gewerkt. De werkzaamheden zijn opgeleverd, zodat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] de facturen die nog openstaan moeten betalen. Subsidiair vordert [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] het bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Als [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] niet hoeven te betalen voor het verrichte werk worden zij ongerechtvaardigd verrijkt en [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] daar tegenover verarmd, omdat zij voor de uitgevoerde werkzaamheden van de derden heeft betaald.
11.3.
[de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] voeren verweer. [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] voert aan dat zij geen contractspartij is, zodat de vorderingen tegen haar moeten worden afgewezen. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] stelt dat hij een vaste prijs van € 280.000 inclusief btw met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] is overeengekomen voor het realiseren van een complete aanbouw conform de offerte van [aannemingsbedrijf] , te weten een kelder met opbouw/veranda. Hij heeft geen opdracht aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gegeven voor andere werkzaamheden. De facturen waarvan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] thans betaling vordert zien op werkzaamheden die de aanbouw betreffen en vallen daarmee onder de offerte van [aannemingsbedrijf] en zijn dus begrepen in de overeengekomen vaste prijs. Hij heeft 17 facturen van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaald en daarmee meer betaald dan het overeengekomen bedrag. Als al een richtprijs was overeengekomen mag deze met niet meer dan 10% worden overschreden. Voor zover meer wordt gevorderd dan de overeengekomen prijs van € 280.000 is de overeenkomst nietig in verband met oneerlijke handelspraktijken. [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] vordert een integrale proceskostenveroordeling, omdat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] de vordering ook had kunnen meenemen in de vrijwaringszaak en daarmee [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een procedure en de kosten daarvan bespaard waren gebleven.

12.De beoordeling in de gevoegde zaak

Is [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ook contractspartij?
12.1.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt dat naast [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] ook [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] haar contractuele wederpartij is bij de aannemingsovereenkomst, zodat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] gehouden is aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] te betalen.
[het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] voert daartoe aan dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] in de hoofdzaak hebben erkend dat zij als gezamenlijk opdrachtgevers van de aanbouw zijn aan te merken. Dit is door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] betwist. Deze stelling is door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] verder niet onderbouwd, zodat dit tegenover de betwisting door [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] niet is komen vast te staan. Vast staat dat de overeenkomst mondeling is gesloten tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] namens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] enerzijds en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] anderzijds. [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] was daarbij niet aanwezig. Er is niet gesteld of gebleken dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] bij het sluiten van de overeenkomst heeft aangegeven dat hij de overeenkomst mede voor [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] sloot en evenmin dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] dat zo had mogen begrijpen. Dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] gezamenlijk eigenaar zijn van de woning waar de werkzaamheden zijn verricht, betekent niet dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ook contractspartij is geworden. Hetzelfde geldt voor het argument dat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] aanvoert, namelijk dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] samen instructies hebben gegeven voor en tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Dat ook [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zich heeft bemoeid met de uitvoering van de werkzaamheden, betekent niet dat zij contractspartij was. In de onderlinge verhouding tussen [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] kan het zo zijn dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] instructies mocht geven hoe zij bepaalde zaken uitgevoerd wilde hebben. Dit is door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] op de mondelinge behandeling ook verklaard; [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] zou het overleg over de feitelijke invulling bij de bouw doen. De omstandigheid dat er betalingen zijn gedaan vanaf de en/of rekening van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] leidt evenmin tot een ander oordeel. Hoe [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] de betalingen in hun onderlinge verhouding afspreken, gaat [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] niet aan.
12.2.
De conclusie moet dan ook zijn dat [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] geen contractspartij is bij de overeenkomst tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] . De vorderingen die tegen haar zijn ingesteld zullen worden afgewezen.
12.3.
De beslissing over de vergoeding van de proceskosten van [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] wordt aangehouden tot het eindvonnis.
12.4.
Voor zover ook in deze zaak is gedebatteerd over de rol van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en voor wie zij zou hebben gehandeld op basis van volmachten verwijst de rechtbank naar wat daar over is overwogen in de hoofdzaak. Uitgangspunt is dus dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven om een aanbouw bij zijn woning te realiseren, waarbij de omvang van het werk (casco of volledig conform de offerte van [aannemingsbedrijf] ) nog niet vaststaat en de prijs evenmin, welke opdracht [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft aangenomen. In de gevoegde zaak gaat het erom of [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven om de gefactureerde werkzaamheden te verrichten waarvan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] betaling vordert. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt namelijk dat de facturen betrekking hebben op werkzaamheden die los staan van de casco aanbouw die Akor bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] heeft gerealiseerd. Voor die casco aanbouw is volgens [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een richtprijs van € 280.000 afgesproken. De facturen zien op de extra werkzaamheden waarvoor [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] opdracht heeft gegeven en die door derden zijn uitgevoerd. [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] heeft voor deze werkzaamheden aan die derden betaald en heeft vervolgens doorbelast aan [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] , die de laatste facturen niet betaalt.
12.5.
De kern van de zaak hangt nauw samen met de kern van de zaak in vrijwaring. Het gaat er namelijk om of, zoals [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] stelt, naast een casco aanbouw voor een richtprijs van € 280.000 extra werkzaamheden met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] zijn overeengekomen waarvoor door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] moet worden betaald, of, zoals [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] bij verweer aanvoert, dat een vaste prijs van € 280.000 inclusief btw is afgesproken voor het gehele werk conform de offerte van [aannemingsbedrijf] , waar volgens [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] de door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] gefactureerde 23 termijnen onder vallen. Thans is nog niet duidelijk wat er tussen [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] precies is afgesproken over de omvang van het werk en over de prijs voor de werkzaamheden.
12.6.
Uit oogpunt van proceseconomie zal het bij te brengen bewijs van [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] over en weer in de vrijwaringszaak en in de gevoegde zaak bij de verdere beoordeling worden betrokken, gelet op de samenhang tussen beide zaken. In de gevoegde zaak zal aan [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] bewijs worden opgedragen van haar stelling dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan haar opdrachten heeft gegeven (los van de opdracht voor een casco aanbouw) voor extra werkzaamheden zoals gefactureerd met de 23 facturen (productie 9 bij dagvaarding) en dat is afgesproken op regiebasis te werken.
12.7.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

13.De beslissing

De rechtbank
In de hoofdzaak
13.1.
houdt iedere verdere beslissing aan,
In de vrijwaringszaak
in conventie
13.2.
draagt [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] op te bewijzen dat zij met [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] een richtprijs van € 280.000 is overeengekomen voor het realiseren van een casco aanbouw bij de woning van [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 3 in de hoofdzaak] ,
in reconventie
13.3.
draagt [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] op te bewijzen dat hij met [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] een vaste prijs van € 280.000 (inclusief btw) is overeengekomen voor het realiseren van een complete aanbouw bij zijn woning conform de offerte van [aannemingsbedrijf] ,
In de gevoegde zaak
13.4.
draagt [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] op te bewijzen dat [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] aan haar opdrachten heeft gegeven (los van de opdracht voor een casco aanbouw) voor extra werkzaamheden zoals gefactureerd met de 23 facturen (productie 9 bij dagvaarding) en dat is afgesproken op regiebasis te werken,
In de vrijwaring in conventie en in reconventie en in de gevoegde zaak
13.5.
bepaalt dat de zaken weer op de rol zullen komen van
[datum] 2026voor uitlating door [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en door [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
13.6.
bepaalt dat, als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] en [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,
13.7.
bepaalt dat, als [het gedaagde bedrijf in de hoofdzaak] of [de gedaagde sub. 2 in de hoofdzaak]
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden augustus tot en met oktober 2026 dan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
13.8.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. S.A. van den Toorn, in het paleis van justitie te Arnhem, Walburgstraat 2-4,
13.9.
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
13.10.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A. van den Toorn en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.zie Hoge Raad 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572