Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3661

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/05/393635 / FA RK 21-3158
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek omgangsregeling wegens onvoldoende inzet vader voor hulpverlening

De rechtbank Gelderland behandelde het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen met zijn twee kinderen. Na een langdurig traject met begeleide omgang, waarbij het contact geleidelijk afnam en uiteindelijk stopte, is er momenteel geen contact tussen de vader en de kinderen. De vader heeft onvoldoende inzet getoond om hulpverlening te zoeken voor zijn aandeel in de situatie, terwijl de moeder en kinderen wel bezig zijn met therapie.

Tijdens de procedure is gebleken dat de vader geen hulpvraag heeft geformuleerd en weinig medewerking verleent aan het herstelproces, zoals het sturen van kaartjes aan de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming benadrukte het belang van betrokkenheid van de vader bij de hulpverlening en het sturen van kaartjes om het contact te herstellen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek om omgang nu niet kan worden toegewezen omdat de vader niet voldoende verantwoordelijkheid neemt en geen concrete stappen heeft gezet om zijn houding te verbeteren. De moeder wordt gewezen op haar verplichting om de vader te informeren over belangrijke zaken rondom de kinderen. Het verzoek van de vader wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de vader om een omgangsregeling met zijn kinderen vast te stellen is afgewezen wegens onvoldoende inzet voor hulpverlening.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/393635 / FA RK 21-3158
Datum uitspraak: 19 maart 2026
beschikking over een omgangsregeling
in de zaak van
[naam vader](hierna: de vader),
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. L.E. Toet in Utrecht,
tegen
[naam moeder](hierna: de moeder),
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J. Burema in Wenum-Wiesel.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft in deze zaak tussenbeschikkingen gegeven op 7 januari 2022, 19 december 2022, 7 juli 2023, 19 februari 2024 en 25 februari 2025.
1.2.
Het procesverloop blijkt sindsdien uit de volgende stukken:
- de brief van mr. Toet van 6 november 2025;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Burema van 26 februari 2026.
1.3.
De verzoeken zijn verder besproken tijdens de zitting van 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.4.
In de beschikking van 25 februari 2025 is de voorlopige omgangsregeling die in de beschikking van 19 februari 2024 was vastgesteld met betrekking tot de kinderen:
-
[naam kind 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , en
-
[naam kind 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
gewijzigd en en is bepaald dat er geen omgang(sregeling) is tussen de vader en de kinderen, in afwachting van de therapie en hulpverlening voor de kinderen en de vader. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

2.De nadere standpunten

2.1.
De vader heeft aangegeven dat op de vorige zitting is besproken dat de kinderen met therapie zouden gaan starten. Zodra dit mogelijk zou zijn, zou de vader bij de therapie betrokken gaan worden. Tot nu toe heeft de vader daar nog niets over vernomen en weet dus niet wat de stand van zaken is. Hulpverlening voor de vader zelf is niet van de grond gekomen, omdat de vader vindt dat hij die niet nodig heeft en dus geen hulpvraag heeft. Overigens gaat het momenteel, los van het verdriet om het verlies van het contact met de kinderen, goed met hem. Tot slot heeft de vader, zoals afgesproken, een kaartje aan de kinderen gestuurd. Hij vindt het moeilijk om kaartjes te sturen omdat hij niet goed weet wat hij moet schrijven en ook niet zeker weet of de kinderen de kaartjes wel ontvangen. De vader wil betrokken worden in de hulpverlening voor de kinderen. In afwachting daarvan zou de procedure opnieuw aangehouden moeten worden. Beëindiging van de procedure brengt het risico mee dat de vader niet meer wordt geïnformeerd.
2.2.
De moeder heeft aangevoerd dat zij eerst verdere hulpverlening voor zichzelf nodig had om de trauma’s die zij tijdens de relatie met de vader heeft opgelopen te verwerken. Zij moet namelijk een stabiele basis aan de kinderen kunnen geven. Deze hulpverlening loopt inmiddels en nu kan er gestart worden met hulpverlening voor de kinderen. Dit is nog in de inventariserende fase. [kind 1] zal EMDR gaan krijgen, voor [kind 2] is het nog niet duidelijk. Sinds er geen omgang meer is, gaat het beter met de kinderen, maar de mogelijkheid dat er toch weer omgang gaat komen, drukt nog altijd op ze. Deze procedure geeft ook druk voor de therapie van de kinderen. De moeder meent dat het nog wel een paar jaar kan duren voordat de kinderen toe zijn aan omgang. Daarom geeft zij er de voorkeur aan dat het verzoek van de vader wordt afgewezen. De vader heeft zich in de tussentijd niet gehouden aan de afspraak om kaartjes te sturen. Hij heeft er één of twee gestuurd. De kinderen willen ze niet lezen, maar de moeder bewaart ze wel.

3.Het standpunt van de Raad

3.1.
De Raad heeft geconstateerd dat er wel wordt gewerkt, maar nog niet veel is veranderd. Het is jammer dat er discussie is over de kaartjes, daar was een duidelijke afspraak over. Of ze nu worden gelezen of niet, het is belangrijk dat die kaartjes wel worden gestuurd. Dat is de verantwoordelijkheid die de vader kan nemen en zo kan hij in beeld blijven. Dit kan met de verjaardagen, maar ook bijvoorbeeld elke eerste van de maand. Dat kan op den duur bijdragen aan herstel van het contact. Ook bij de hulpverlening zal de vader betrokken moeten worden. Het is wel belangrijk dat de kinderen erkenning krijgen voor hun beleving. Het kan nuttig zijn dat er een vinger aan de pols wordt gehouden, en dat is ook voor de Raad prettig, omdat deze niet op andere wijze wordt geïnformeerd. Het is niet gezegd dat afwijzing van het verzoek meer rust geeft dan aanhouding. Er zijn veel verschillende scenario’s mogelijk.

4.De verdere beoordeling

4.1.
De vader heeft de rechtbank verzocht om een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eenmaal per veertien dagen van vrijdag 16.30 uur tot zondag 16.00 uur bij hem zullen verblijven en welke omgangsregeling geleidelijk zal worden opgebouwd. In de eerste fase van de procedure is er geleidelijk een opbouw geweest van de omgang, telkens onder begeleiding. Nadat iedereen het erover eens was dat een contact van vier uur per keer, met telkens een activiteit, erg lang was, is geprobeerd in te zetten op kortere maar meer inhoudelijke omgangscontacten. Vanaf dat moment is de weerstand van de kinderen geleidelijk gegroeid en is er bij hen het nodige naar boven gekomen. Dat heeft ertoe geleid dat de rechtbank in de beschikking van 25 februari 2025 heeft bepaald dat er voorlopig geen omgang zal zijn, in afwachting van de therapie en de hulpverlening van de kinderen en de vader.
4.2.
Inmiddels is er weer een jaar verstreken. Aan de kant van de moeder zijn stapjes gezet, maar de hulpverlening voor de kinderen is nog niet echt begonnen. De weerstand tegen contact met de vader is nog niet afgenomen. Hoewel te hopen valt dat daarin op termijn verbetering komt, is dat proces nog nauwelijks op gang gekomen en is een concreet tijdspad hiervoor niet te geven. Op zichzelf genomen is de rechtbank het met de Raad eens dat het er niet op lijkt dat de kinderen erg lijden onder het feit dat deze procedure nog loopt, omdat het feit dat zij nu geen contact met de vader “hoeven” hebben al rust geeft.
4.3.
In de vorige twee tussenbeschikkingen is echter ook benoemd dat er van de vader wordt verwacht dat hij verantwoordelijkheid toont voor zijn houding ten opzichte van het huiselijk geweld en dat hij hiervoor hulpverlening zoekt. Een jaar geleden heeft de vader verteld dat hij het lastig vond een passende hulpverlener te vinden. Tijdens de vorige mondelinge behandeling is de vader opnieuw uitgelegd dat hij op zoek moet gaan naar passende hulp voor het geven van erkenning aan de kinderen (voor wat er in het verleden is gebeurd en hoe zij dat hebben ervaren) en dat de vader hulp en handvatten moet krijgen hoe om te gaan met de signalen die de kinderen uiten. Niet gebleken is dat de vader vervolgens pogingen heeft gedaan om hulpverlening aan te gaan. De rechtbank acht dit onbegrijpelijk, gelet op de vorige twee tussenbeschikkingen. De vader lijkt geen afstand te kunnen nemen van zijn eigen invulling van de gebeurtenissen, waarin er niets aan de hand is, en daardoor niet tot een juiste hulpvraag te kunnen komen. Dat is nu juist waar hij hulp voor had moeten zoeken, te weten: zich te leren verplaatsen in de kinderen en leren begrip te tonen voor hun gevoeligheden, ook als hij die zelf niet ervaart. De vader heeft dan wel het gevoel dat er aan de kant van de moeder weinig gebeurt, maar aan de kant van de vader ligt het helemaal stil. Daarbij komt ook dat tijdens de vorige mondelinge behandeling aan de vader is uitgelegd dat het belangrijk is voor de kinderen dat hij regelmatig kaartjes stuurt, ook als zij deze niet lezen en zij door de moeder worden bewaard. Gebleken is dat de kinderen slechts één kaartje hebben ontvangen. Ook hier had de vader dus meer kunnen (en moeten) doen.
4.4.
De rechtbank begrijpt overigens wel het punt van de vader dat zodra hij wordt betrokken bij de hulpverlening van de kinderen concreter duidelijk kan worden waar de kinderen tegen aanlopen en daarmee ook aan welke punten hij kan werken. Wellicht is dus de volgorde: eerst therapie voor de moeder, dan therapie voor de kinderen, dan therapie voor de vader. Daarom is het hoe dan ook belangrijk dat hij (op termijn) ook betrokken wordt bij de therapie en hulpverlening aan de kinderen en dat hij hieraan zijn medewerking verleent. Omdat de vader tot nu toe niet aan zijn eigen aandeel en inzicht in de situatie van de kinderen heeft gewerkt, is het nu niet mogelijk om in te schatten of omgang tegen die tijd succesvol kan worden opgestart, zelfs als de kinderen hun verleden hebben verwerkt en zich weerbaarder voelen. Er is niet alleen bij de kinderen, maar ook bij de vader iets nodig en daar heeft de vader tot op heden nog geen concrete inzet voor getoond. Dat is voor de rechtbank dan uiteindelijk de reden het verzoek van de vader nu af te wijzen.
4.5.
De vader heeft nog aangevoerd dat een belang van aanhouding gelegen is in het feit dat de moeder hem niet op de hoogte houdt. Daar is het aanhouden van een rechterlijke beslissing echter niet voor bedoeld. De vader heeft ook geen concreet verzoek om informatie gedaan. De rechtbank wijst de moeder wel op haar verplichting op grond van artikel 1:377b van het Burgerlijk Wetboek, om de vader op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden rond het kind en zelfs de vader te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over te nemen beslissingen. De rechtbank verwacht dus van de moeder dat zij de vader op de hoogte houdt over de vorderingen in de hulpverlening en de schoolgang van de kinderen en dat zij erop aanstuurt dat de vader hierin op een gelegen moment wordt betrokken. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder wel een adres van de vader heeft en de informatie dus gewoon via de post kan sturen. Mocht dat niet het geval zijn, dan zou ook hier een oplossing gezocht moeten worden bijvoorbeeld via de grootouders. De vader en de moeder hebben immers afgesproken dat zij de grootouders zullen benaderen om kaartjes van de vader aan de kinderen door te sturen of af te geven; wellicht zijn zij ook bereid af en toe informatie aan de vader door te spelen. De rechtbank begrijpt dat grootouders niet bedoeld zijn als postduif te dienen, maar omdat beide ouders vertrouwen hebben in de grootouders, zou hier wellicht een (tijdelijke) oplossing voor het gebrek aan communicatie gevonden kunnen worden, zoals ook de Raad dat heeft voorgesteld.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek van de vader af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Oostland als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.