Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3543

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
05/880540-19; 99-000298-35 heroeping
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:21 oud Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende onderbouwing

Betrokkene is in 2020 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens jarenlange ontucht met minderjarige adoptiefzoon en bezit van kinderporno. In november 2023 werd hij voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder strikte voorwaarden, waaronder contactverboden en meldplicht bij de reclassering.

De reclassering adviseerde in april 2026 tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling vanwege vermeende overtredingen van voorwaarden, zoals alcoholgebruik, bezit van lectuur met afbeeldingen van kinderen, verblijf op een naturistencamping zonder melding en contact met een medegedetineerde met een pedofiel verleden. Betrokkene erkende enkele feiten, maar voerde aan dat overtredingen niet zwaarwegend waren en dat hij openheid betrachtte.

De rechtbank oordeelt dat de verwijten onvoldoende onderbouwd zijn, het recidiverisico niet aannemelijk is gemaakt en dat de vertrouwensbreuk onvoldoende zwaar weegt. Ook is het ontbreken van een onderbouwing van de voortijdige beëindiging van de behandeling door Kairos problematisch. De vordering tot herroeping wordt daarom afgewezen.

De rechtbank benadrukt dat voortzetting van de voorwaardelijke invrijheidstelling onder toezicht blijft en dat een eventuele nieuwe procedure bij dezelfde rechter dient te worden aangebracht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af wegens onvoldoende onderbouwing en gebrek aan aannemelijk recidiverisico.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/880540-19
VI-zaaknummer: 99-000298-35
Datum uitspraak: 1 mei 2026
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Beslissingvan de enkelvoudige strafkamer op de vordering als bedoeld in artikel 6:6:21 (oud) Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1957 te [geboorteplaats] (België),
wonende aan [adres] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. I.A.C. van Mulbregt, advocaat in Den Haag.

1.De procedure

1.1
Bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 28 juli 2020 is betrokkene veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren wegens – kort gezegd – jarenlange ontucht met zijn minderjarige adoptiefzoon (destijds 4 tot 12 jaar oud), jarenlange ontucht met een minderjarige (destijds 12 tot 15 jaar oud) en het voorhanden hebben van kinderporno.
1.2
Bij besluit van 29 november 2023 is veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling verleend en op 22 december 2023 is hij in vrijheid gesteld. Naast de algemene voorwaarden zijn bijzondere voorwaarden gesteld, waaronder, voor zover thans van belang:
- contactverbod met de betrokken minderjarigen;
- locatieverbod voor de plaatsen waar zij wonen;
- meldplicht bij de reclassering;
- meewerken aan nadere diagnostiek;
- verblijf bij RIBW;
- verbod op het zoeken van contact met minderjarigen en vermijden van dit contact. Als contact onvermijdelijk is: alleen in aanwezigheid van andere volwassenen;
- open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de bijzondere voorwaarden.
Het strafrestant is dan 720 dagen en de proeftijd is eveneens 720 dagen.
1.3
Op 4 november 2025 heeft de rechtbank de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling verlengd met 365 dagen.
1.4
De Reclassering Nederland heeft op 1 april 2026 geadviseerd tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
1.5
Op 8 april 2026 heeft de officier van justitie de onderhavige vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 120 dagen.
1.6
Deze vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 17 april 2026, waarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- zijn raadsvrouw, mr. I.A.C. van Mulbregt;
- [toezichthouder] , toezichthouder van Reclassering Nederland;
- de officier van justitie, mr. R. Horstink.

2.De standpunten

2.1
De officier van justitie heeft aangevoerd dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de voorwaarden. Hij heeft geen openheid van zaken gegeven over een aantal essentiële zaken. Veroordeelde heeft de kans gekregen om in vrijheid aan zijn problematiek te werken en het bijbehorende vertrouwen heeft hij beschaamd.
2.2
De verdediging vindt het twijfelachtig of er daadwerkelijk sprake is geweest van overtreding van de VI-voorwaarden. In ieder geval zijn dit geen overtredingen die in verhouding staan tot 120 dagen verdere gevangenisstraf. Verzocht wordt om de vordering af te wijzen, subsidiair om de vordering toe te wijzen voor een kortere duur.

3.De beoordeling

Het toepasselijke recht
3.1
Nu betrokkene is veroordeeld op 28 juli 2020, is op de onderhavige procedure van toepassing de regeling inzake voorwaardelijke invrijheidstelling zoals die gold vóór 1 juli 2021.
3.2
De voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.
Het verloop van de voorwaardelijke invrijheidstelling
3.3
Reeds tijdens de detentie heeft betrokkene een begin gemaakt met zijn ambulante behandeling bij Kairos (psychotherapie, groepstherapie). In het kader van zijn penitentiaire programma kreeg hij in 2023 een woning ergens in de [plaats] , maar toen zijn delictverleden bekend werd, leidde dat tot onrust in de buurt en werd hij teruggeplaatst naar de PI. Na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling in december 2023 werd gezocht naar een zelfstandige woonruimte, maar omdat die niet op korte termijn beschikbaar was, is hij geplaatst in de begeleidend woonvoorziening [instelling] op het terrein van de [kliniek] . Dat was niet uit behandelings- of beveiligingsoogmerk, maar omdat hij anders geen onderdak had. Sindsdien werd naarstig gezocht naar woonruimte. De behandeling bij Kairos werd intussen voortgezet en in november 2025 werd de proeftijd, met instemming van betrokkene, met een jaar verlengd om de lopende behandeling goed te kunnen afronden.
3.4
Betrokkene heeft verklaard dat ‘plan A’ was een zelfstandige woonruimte te vinden van waaruit hij een nieuw bestaan zou kunnen opbouwen. In verband met de krappe woningmarkt had hij echter ook een ‘plan B’, namelijk een camper waarmee hij ergens op een camping zou kunnen staan, in afwachting van een woning. Hij heeft die camper aangeschaft met goedkeuring van de reclassering.
3.5
Eind februari 2026 is betrokkene verhuisd naar een tijdelijke zelfstandige woonruimte in Velp, waar hij nu woont.
Het advies van de reclassering
3.6
De reclassering heeft geadviseerd tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In het advies van 1 april 2026 worden betrokkene concreet vier verwijten gemaakt.
Op 30 december 2025 werd bij een kamercontrole in [instelling] een grote hoeveelheid lege flessen jenever en bierblikjes aangetroffen. Dat is in strijd met de huisregels.
Bij diezelfde kamercontrole is lectuur gevonden waarin kinderen zijn afgebeeld, zij het niet pornografisch.
In de periode rondom Kerst en de jaarwisseling heeft betrokkene verbleven op een naturistencamping, zonder de reclassering hierover te informeren. Op een camping kunnen kinderen verblijven en daarmee heeft betrokkene de VI-voorwaarde overtreden dat hij contact met kinderen moet vermijden.
Betrokkene heeft contact onderhouden met een voormalige medegedetineerde die ook is veroordeeld wegens een pedofiel delict.
3.7
Betrokkene heeft hierop als volgt gereageerd.
Hij erkent dat deze lege alcoholflessen en -blikjes op zijn kamer zijn aangetroffen en hij weet dat dit in strijd is met de huisregels van [instelling] . In het verleden was er weliswaar een alcoholverslaving, maar dat heeft nooit een rol gespeeld bij de indexdelicten.
De lectuur betrof een wijkkrantje dat in een wijk in Nijmegen huis-aan-huis wordt bezorgd. Het ligt ook bij huisartsen en apothekers in de wachtkamer. Hoe kan het bezit hiervan een overtreden van de VI-voorwaarden opleveren?
Betrokkene heeft tevoren bij de campinghouder geïnformeerd of er in die periode gezinnen met kinderen zouden verblijven en het antwoord was nee. Bovendien was, gezien de tijd van het jaar, ook niet echt nudisme te verwachten.
Hij was tot voor kort niet op de hoogte van het delictverleden van de medegedetineerde; het is goed gebruik in een PI daar nooit naar te vragen. Deze vriend vroeg hem naar Leeuwarden te komen voor een familie-aangelegenheid, dat heeft hij overlegd met de reclassering en toen hem dat werd ontraden in verband met diens verleden, heeft hij dat advies opgevolgd en is hij niet gegaan.
3.8
Gezegd moet worden dat deze verwijten, waarop het advies en de vordering vooral lijken te steunen, weinig imponeren.
Het alcoholgebruik in strijd met de huisregels is op zichzelf een overtreding, Uit de stukken blijkt niet dat alcoholgebruik delictgerelateerd is, maar wat de reclassering veroordeelde vooral kwalijk neemt is een gebrek aan openheid hierover. Dat is niet onbegrijpelijk op zich.
Het wijkkrantje, dat ter zitting is getoond, bevat inderdaad een of meerdere foto’s van kinderen in een speelzaal of in een leslokaal. Het bevat ook reclame van horeca in de wijk en een aankondiging van concerten en wijk-evenementen. Dit wijkkrantje wordt huis aan huis verspreid en het bezit hiervan kan toch bezwaarlijk worden aangemerkt als een overtreding van de voorwaarden.
Het verblijf op een (naturisten)camping zonder de reclassering hierover te informeren was niet handig van betrokkene. Hij had dit moeten opnemen met de reclassering.
Hij heeft echter wel consequent aangegeven hierover navraag te hebben gedaan bij de beheerder en pas toen deze bevestigde dat er geen gezinnen met kinderen hadden geboekt, is hij vertrokken. Indien juist, getuigt dit wel van de vereiste sensitiviteit omtrent zijn delictverleden en hoe daarmee om te gaan in het dagelijks leven. Het is spijtig dat noch de reclassering noch het openbaar ministerie de moeite hebben genomen om te controleren of betrokkene inderdaad heeft geïnformeerd bij de beheerder alvorens te boeken terwijl hem daarvan nu een verwijt wordt gemaakt. Dat verwijt blijft nu in het luchtledige.
Bovendien, zoals de advocaat terecht heeft opgemerkt, heeft de reclassering in het verleden ingestemd met de aanschaf van een camper als ‘plan B’ voor de huisvesting. Dan hebben zij kennelijk ook zonder verdere vragen ingestemd met het verblijf op een camping. Waar zou je anders gedurende langere tijd met een camper gaan staan. Op iedere camping kunnen en zullen gezinnen met kleine kinderen verblijven, op een naturistencamping misschien nog wel veel minder dan op een gewone camping.
Dat betrokkene tijdens zijn detentie een zekere vriendschap ontwikkelt met een medegedetineerde is niet vreemd en kan hem niet kwalijk worden genomen. Dat deze medegedetineerde ook een pedofiel delictverleden heeft zij zo. Niet duidelijk is of betrokkene dat wist, maar in dat verband moet worden opgemerkt dat dit op zichzelf niet verboden is in de VI-voorwaarden, terwijl de reclassering hem dat wel kwalijk lijkt te nemen. In ieder geval heeft betrokkene aangegeven dat hij van verder contact heeft afgezien na een negatief advies van de reclassering. Daarmee is het de rechtbank onduidelijk wat nu precies het verwijt is dat hem wordt gemaakt.
3.9
Daarnaast is ter zitting nog het volgende aangevoerd. Het advies van de reclassering is vooral gebaseerd op de ontstane vertrouwensbreuk door het gebrek aan openheid van de zijde van betrokkene. Voor een deel is dat hierboven al besproken. Daarnaast werd echter als minstens zo belangrijk argument gemeld de opzegging door Kairos van het behandelingstraject op 1 maart 2026.
3.1
Dat was nogal nieuw voor de rechtbank. De toezichthouder van de reclassering wees hierbij op een brief van Kairos, die zich echter niet bij de stukken bevindt en waarvan de rechtbank, noch het openbaar ministerie noch de advocaat enige kennis hadden. Desgevraagd verklaarde de reclassering dat het niet gebruikelijk en ook niet nodig is om dit soort brieven in de procedure over te leggen omdat het aan de reclassering kan worden toevertrouwd deze bevindingen te verwerken in haar advies. Het probleem nu is echter dat het reclasseringsadvies met geen woord rept over de redenen voor voortijdige beëindiging van de behandelrelatie. Het bevat hierover welgeteld één zin op blz. 2, nl. dát Kairos de behandeling voortijdig heeft beëindigd.
3.11
Uit de verdere context en opbouw van het reclasseringsadvies maakt de rechtbank op dat deze beslissing van Kairos vooral is gebaseerd op de hiervoor besproken verwijten die de reclassering aan betrokkene maakt en het gebrek aan openheid dat hieruit zou blijken. Daarmee legt dit gegeven weinig extra gewicht in de schaal.
3.12
Het voorgaande overziend, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat het advies en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling bepaald pover zijn onderbouwd en beargumenteerd. Het wekt de indruk dat vooral gekeken is naar de ernst van de indexdelicten destijds en die ernst kan ook niet worden overschat. Tegelijkertijd kan niet worden voorbijgegaan aan de ontwikkelingen die betrokkene sindsdien heeft doorgemaakt en de behandelingen waaraan hij tot ieders tevredenheid altijd volledig heeft meegewerkt, iets waar het actuele advies, na de voorgaande positieve adviezen, nogal aan voorbij lijkt te gaan.
3.13
Het reclasseringsadvies gaat amper in op de vraag of er een recidiverisico is. Het advies tot herroeping is gebaseerd op de stelling dat betrokkene zich niet houdt aan de voorwaarden, dat het voortzetten van het reclasseringstraject niet meer zal bijdragen aan gedragsverandering of risicobeperking en dat dus herroeping geïndiceerd is. Geen woord wordt gewijd aan een actueel recidive-risico dat het onverantwoord maakt dat betrokkene in de vrije samenleving verblijft. Terwijl dat toch het overheersende aspect is van de voorwaardelijke invrijheidstelling, de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop.
3.14
Na het voorgaande zal het geen verwondering wekken dat de vordering tot herroeping wordt afgewezen.
3.15
Mocht de voortzetting van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de toekomst aanleiding geven tot een nieuwe procedure, dan dient deze te worden aangebracht bij dezelfde rechter.
De beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens als rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A.M. Disberg, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 mei 2026.