Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3497

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
26/640
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstand wegens verblijf buitenland

Eiseres, een alleenstaande moeder met een minderjarige zoon met autisme, ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Zutphen trok haar bijstand in per 27 oktober 2025 omdat zij langer dan 28 dagen in het buitenland verbleef, wat niet is toegestaan.

Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij stelde dat zij niet in haar levensonderhoud kon voorzien en dat er sprake was van een spoedeisend belang. Het college betwistte dit en wees op ontvangen toeslagen, kinderbijslag, alimentatie en andere betalingen die eiseres had ontvangen en had kunnen gebruiken.

De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij een spoedeisend belang had. Er was geen sprake van een dreigende noodsituatie zoals uithuiszetting of afsluiting van nutsvoorzieningen. Ook was er een betalingsregeling voor de huur en geen bewijs van achterstanden voor andere vaste lasten. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 26/640

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. Y. Seyran),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen

(gemachtigden: M.K. Riemersma en L.L. de Haas).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op bijstand van eiseres in te trekken. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres is alleenstaande en woont samen met haar minderjarige zoon. De zoon heeft achterstanden in zijn ontwikkeling en heeft onder andere autisme. Eiseres ontving bijstand naar de norm van alleenstaande ouder op grond van de Participatiewet (Pw).
2.1.
Eiseres heeft van 22 juli 2025 tot 15 juli 2025 in het buitenland verbleven. Het college heeft haar met een brief van 23 juni 2025 geïnformeerd dat zij voor het recht op bijstand niet meer dan 28 dagen per kalenderjaar in het buitenland mag verblijven.
2.2.
Eiseres heeft het college per e-mail van 21 oktober 2025 laten weten dat zij voor de periode van 21 oktober 2025 tot 20 november 2025 naar het buitenland gaat voor medische afspraken voor haarzelf en haar zoon.
2.3.
Het college heeft vervolgens het recht op bijstand van eiseres geblokkeerd met ingang van 27 oktober 2025 [1] . Het college verzoekt eiseres om stukken over haar reis aan te leveren en nodigt haar uit voor een gesprek op 21 november 2025. Eiseres heeft per e-mail van 18 november 2025 aangegeven dat zij niet terug kan keren naar Nederland wegens gebrek aan financiële middelen.
2.4.
Het college heeft met het besluit van 5 december 2025 het recht op bijstand van eiseres per 27 oktober 2025 ingetrokken. Eiseres is niet verschenen op het gesprek van 21 november 2025. Het college heeft geen melding ontvangen dat zij weer in Nederland is. Het college kan het recht op bijstand niet vaststellen, omdat het onduidelijk is of eiseres weer is teruggekeerd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.5.
Eiseres is op 21 januari 2026 weer teruggekomen in Nederland.
2.6.
Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 op het bezwaar van eiseres heeft het college de intrekking, onder gewijzigde motivering, gehandhaafd. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 april 2026 tezamen met het beroep (zaaknummer ARN 26/643) op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het college. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter kan gedurende een beroepsprocedure een voorlopige voorziening treffen, indien ‘onverwijlde spoed’ dat, gelet op de betrokken belangen vereist. Dit wordt het spoedeisend belang genoemd. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang in beginsel aan, als aannemelijk is dat verzoekster ten gevolge van het bestreden besluit in noodsituatie dreigt te verkeren of als er sprake is van dreigende onomkeerbare gevolgen, waardoor zij de behandeling van het beroep redelijkerwijs niet af kan wachten. Er is sprake van een dreigende noodsituatie bij bijvoorbeeld dreigende uithuiszetting of dreigende afsluiting van de nutsvoorzieningen. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
4. Verzoekster heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij betaling van bijstand, omdat zij niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. Zij heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij op dit moment leeft van toeslagen en kinderbijslag. Daarnaast heeft ze geld geleend om medische behandelingen voor haar zoon en levensmiddelen te betalen. Verzoekster stelt dat zij betaalachterstanden heeft voor haar vaste lasten. Voor de huur heeft zij een betalingsregeling, waardoor ze voor deze kosten € 50 per maand betaalt.
4.1.
Het college betwist dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Het college heeft er ter zitting op gewezen dat verzoekster in november de laatste bijstandsbetaling heeft ontvangen. Daarnaast ontvangt zij toeslagen, kinderbijslag en alimentatie. Verder heeft het college toegelicht dat uit recente bankafschriften, die het college heeft ontvangen in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag van verzoekster, blijkt dat verzoekster in februari 2026 € 2.700 heeft ontvangen van de Sociale Verzekeringsbank. Hiermee is onder andere € 50 voor de huur betaald, zijn bedragen overgemaakt naar de ex-partner, is de zorgverzekering betaald en is een bedrag van ruim € 1.000 aan contant geld opgenomen. In maart 2026 heeft verzoekster nog € 500 ontvangen van de energiemaatschappij. Het college stelt dat verzoekster deze bedragen had kunnen aanwenden voor haar levensonderhoud.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Ten eerste is hiervoor van belang dat partijen ter zitting procesafspraken [3] gemaakt hebben over de verdere voortgang en afhandeling van de beroepsprocedure. Hiermee ligt het in de verwachting dat de rechtbank op afzienbare termijn uitspraak kan doen op het beroep. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoekster die uitspraak niet kan afwachten. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat zij in financiële nood verkeert. Voor de huur heeft verzoekster een betalingsregeling van € 50 per maand, die zij ook maandelijks voldoet. Er is geen blijk van dreigende uithuiszetting. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat er betaalachterstanden zijn voor andere vaste lasten en dat hier consequenties voor dreigen. Verder weegt de voorzieningenrechter mee dat uit de toelichting van het college, die door verzoekster niet gemotiveerd is betwist, volgt dat verzoekster in februari en maart 2026 nog omvangrijke bedragen heeft ontvangen, die zij had kunnen aanwenden voor haar levensonderhoud. Dat dit niet mogelijk was, heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Verzoekster krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.A.J. van Egmond, griffier.
Deze uitspraak wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Hoger beroep of verzet

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is de datum waarop eiseres in het kalenderjaar 2025 in totaal 28 dagen in het buitenland heeft verbleven.
2.In de bodemzaak is het onderzoek ter zitting geschorst.
3.Zie de schorsingsbeslissing van 21 april 2026 inzake ARN 26/643.