Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3412

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
05/407797-24
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:14 SvArt. 38m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting ISD-maatregel wegens noodzaak klinische behandeling en hoog recidiverisico

Op 7 april 2025 is aan de veroordeelde een ISD-maatregel opgelegd voor twee jaar. Op verzoek van de veroordeelde vond op 16 februari 2026 een tussentijdse beoordeling plaats over de noodzaak van voortzetting van deze maatregel.

De veroordeelde stelt dat hij geen gevaar meer vormt en dat de doelstellingen van de maatregel zijn behaald, met de wens om behandeling te ontvangen bij een specifieke instelling. De officier van justitie verzoekt voortzetting vanwege een hoog recidiverisico en de mogelijkheden binnen de ISD-maatregel om dit risico te beperken.

De rechtbank concludeert op basis van rapportages en zitting dat de veroordeelde nog geen klinische behandeling heeft ondergaan en dat deze noodzakelijk is om verslaving en onderliggende problematiek aan te pakken. De veroordeelde toont een wisselende houding maar erkent de noodzaak van behandeling, hoewel hij alleen wil meewerken aan behandeling bij een instelling die niet passend is vanwege beveiligingsniveau.

De rechtbank acht voortzetting van de ISD-maatregel noodzakelijk om onveiligheid en overlast te voorkomen en het recidiverisico te beperken. De maatregel wordt daarom voortgezet met het oog op verdere behandeling binnen de PI en mogelijke klinische opname indien de veroordeelde daartoe bereid is.

Uitkomst: De rechtbank besluit de ISD-maatregel voort te zetten vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van klinische behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-407797-24
Datum uitspraak: 2 maart 2026
Beslissingvan de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van

de officier van justitie

betreffende de veroordeelde

[veroordeelde]

geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op [adres] in [woonplaats] ,
op dit moment gedetineerd in P.I. [verblijfplaats] ,
Raadsman: mr. J.G. Roethof, advocaat in Arnhem.

De procedure

Bij vonnis van deze rechtbank van 7 april 2025 is aan veroordeelde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar opgelegd (hierna te noemen: ISD-maatregel). Bij verzoekschrift van 15 november 2025 is namens veroordeelde verzocht om een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van tenuitvoerlegging van de maatregel.

Het onderzoek ter terechtzitting

Op de openbare terechtzitting van 16 februari 2026 zijn gehoord:
- veroordeelde;
- mr. N. Pershad, raadsvrouw, namens mr. J.G. Roethof.;
- de deskundige mevrouw [casemanager] , senior casemanager PI [verblijfplaats] en
- de officier van justitie.

Het standpunt van veroordeelde

Veroordeelde meent dat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist, aangezien hij géén gevaar (meer) vormt voor de maatschappij en omdat de doelstellingen, te weten het voorkomen van recidive, behandeling van verslavings- en psychische problematiek en beveiliging van de maatschappij tegen veelplegerij, inmiddels naar eigen zeggen zijn behaald.
Op zitting heeft de raadsvrouw nader toegelicht dat de trajecten die worden besproken niet meer passend zijn voor veroordeelde. Veroordeelde wil naar [instelling 1] en is van mening dat het beveiligingsniveau daar voldoende is. Er is sprake van een discrepantie tussen de wens van veroordeelde en het advies van de P.I., waardoor de ISD stagneert. Als het verzoek wordt toegewezen kan veroordeelde met een WLZ indicatie terecht bij [instelling 1] .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de ISD-maatregel voort te zetten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij op basis van de ISD-rapportage en wat ter zitting naar voren is gekomen tot de conclusie komt dat voortzetting noodzakelijk is. Er is sprake van een hoog recidiverisico en dit is nog onvoldoende beperkt om veroordeelde al terug te laten keren in de maatschappij. Bovendien worden er binnen het kader van de ISD-maatregel mogelijkheden gezien om het recidiverisico verder te beperken.

De beoordeling

Volgens artikel 38m, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht strekt de ISD-maatregel tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive. De rechter beëindigt de maatregel indien hij naar aanleiding van de inlichtingen over de noodzaak van de voortzetting van de maatregel van oordeel is dat de verdere tenuitvoerlegging niet langer is vereist.
Daarbij dient het volgende beslissingskader te gelden. Allereerst moet worden vastgesteld of opheffing van de maatregel zal leiden tot te verwachten onveiligheid, ernstige overlast en verloedering van het publieke domein. Daarna moet worden bezien of verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die buiten de macht van betrokkene ligt. Daarbij is de bescherming van de maatschappij het primaire doel van de maatregel en derhalve van doorslaggevende betekenis.
Uit de tussentijdse ISD rapportage van 2 februari 2026 en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop door de deskundige, leidt de rechtbank het volgende af. De ISD-maatregel is op 23 april 2025 aangevangen. Veroordeelde verblijft sinds 1 mei 2025 op de ISD-afdeling van de PI [verblijfplaats] . Veroordeelde laat een zeer wisselende houding zien, maar is nu al een aantal weken stabiel. Hij heeft de afgelopen maanden meer probleembesef laten zien, maar er heeft nog geen klinische opname of intramuraal een geslaagde behandeling plaatsgevonden. In eerste instantie was hij aangemeld voor de ART, maar hier wilde hij uiteindelijk niet aan deelnemen, eind september had hij zich bedacht en wilde opnieuw deelnemen aan de ART. Hij schatte in dit toch nodig te hebben, gezien het feit dat hij soms zijn frustraties op een verkeerde manier kwijt wil. Veroordeelde loopt tegen zaken aan, waardoor hij op zichzelf is gaan reflecteren en beseft dat hij hier wat mee wil. Veroordeelde staat alleen open voor een klinische opname bij [instelling 1] . Er is onderzocht of hij daar naartoe kon maar dat is (nog) niet mogelijk gezien zijn problematiek en het beveiligingsniveau.
Veroordeelde is aangemeld bij FVK [instelling 2] , maar is weer van de wachtlijst gehaald nadat twee intake gesprekken niet zijn doorgegaan omdat veroordeelde niet wilde. Uit het reclasseringsrapport en de conclusie na de observatieperiode is gebleken dat een klinische behandeling als vereist wordt gezien, doordat veroordeelde in het verleden heeft laten zien zonder interventies zijn leven niet op orde te kunnen houden. Veroordeelde heeft aangegeven ervoor open te staan om diagnostiek intramuraal te doen. De mogelijkheden worden hiervoor onderzocht.
Wanneer de maatregel zal worden beëindigd, ontbreekt de noodzakelijke structuur die van belang is voor goede terugkeer in de maatschappij. Een klinische behandeling lijkt noodzakelijk om aan de verslaving, onderliggende problematiek, gedragsverandering en het verminderen van de risico’s te kunnen werken. Wanneer de maatregel zal worden opgeheven zal de inschatting zijn dat het recidiverisico hoog is. Om de ISD-maatregel te kunnen beëindigen zal het recidiverisico laag moeten zijn. Er zal intern en samen met veroordeelde gekeken worden naar de mogelijkheden voor het behalen van gedragsverandering. Rapporteurs zijn ook van mening dat veroordeelde kan profiteren van een ISD-maatregel. Kortom, het advies is om de maatregel te continueren, zodat veroordeelde met de juiste begeleiding, ondersteuning en het ISD-kader als vangnet op een goede manier kan re-integreren in de maatschappij.
Ter zitting is door de getuige-deskundige – onder meer – naar voren gebracht dat de doelstellingen van de ISD-maatregel nog niet zijn behaald. Het vervolgtraject moet nog nader geconcretiseerd worden. De mogelijkheden voor intramurale behandeling zijn nog niet uitgeput en het ziet ernaar uit dat ingezet gaat worden op behandeling binnen de P.I. Besloten is om eerst de beslissing van de rechtbank op het onderhavige verzoekschrift af te wachten, voordat veroordeelde wordt aangemeld voor behandeling.
De rechtbank constateert op grond van al het voorgaande dat partijen – inclusief de veroordeelde – het erover eens zijn dat behandeling nodig dan wel wenselijk is. Uit de rapportage en hetgeen door mevrouw [casemanager] namens de P.I. op de zitting naar voren is gebracht, blijkt dat er nog klinische behandeling nodig is om het recidiverisico te kunnen beperken, voordat gedacht kan worden aan terugkeer in de maatschappij zonder ISD-maatregel. Veroordeelde heeft ter zitting een positieve houding aangenomen en erkent dat hij nog behandeling nodig heeft. Alleen heeft hij aangegeven slechts te willen meewerken aan behandeling als die bij [instelling 1] plaatsvindt. Dat is echter niet mogelijk gebleken gelet op het beveiligingsniveau. Bij voortzetting van de ISD-maatregel zal worden gekeken naar de mogelijkheden voor behandeling binnen de P.I., waarbij de mogelijkheid wordt open gehouden om een klinische behandeling te starten bij een passende kliniek, indien veroordeelde daarvoor openstaat. De rechtbank is van oordeel dat nadere behandeling is vereist om het recidiverisico te beperken en het thans beëindigen van de maatregel zal leiden tot onveiligheid dan wel overlast van het publieke domein. Er is niet gebleken dat verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol zou zijn, nu er nog voldoende mogelijkheden zijn voor behandeling. Evenmin is, gelet op de houding van veroordeelde, sprake van een omstandigheid die buiten de macht van de veroordeelde ligt, waardoor voortzetting van de ISD-maatregel niet zinvol meer is.
Gelet op het vorenstaande en in het licht bezien van het geldende beslissingskader acht de rechtbank noodzakelijk dat de ISD-maatregel wordt voortgezet, alleen al ter voorkoming van onveiligheid, overlast en recidive gedurende de resttijd van de maatregel.

De beslissing

De rechtbank:
beslistdat de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 7 april 2025 aan [veroordeelde] opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is vereist.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.M. Vogel, als voorzitter, mr. R.M.H. Pennings en
mr. M. Hoedeman, als rechters in tegenwoordigheid van mr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 maart 2026.