Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3305

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
11834735
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:42 BWArt. 3:94 lid 4 BWArt. 6:37 BWArt. 6:203 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen overeenkomst van geldlening en toewijzing vordering onverschuldigde betaling

In deze civiele bodemzaak vordert Mperium Beheer B.V. betaling op grond van een vermeende geldleningsovereenkomst 2 met [gedaagde]. [gedaagde] betwist het bestaan van deze overeenkomst en stelt dat de betalingen onverschuldigd zijn gedaan. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat partijen een geldleningsovereenkomst 2 zijn aangegaan, mede omdat deze niet is ondertekend en [gedaagde] niet op de hoogte was van de overeenkomst.

Mperium stelt subsidiair dat sprake is van conversie van een nietige cessie, maar de rechtbank wijst dit af omdat de partijbedoeling geen cessie was en terughoudendheid geboden is bij conversie. De rechtbank concludeert dat de betalingen van € 13.000,00 door [gedaagde] aan Mperium onverschuldigd zijn verricht en wijst de vordering in reconventie toe.

De hoofdvordering van Mperium wordt afgewezen, inclusief nevenvorderingen. Mperium wordt veroordeeld tot betaling van € 13.000,00 aan [gedaagde] en tot vergoeding van diens proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering van Mperium wordt afgewezen en de vordering van [gedaagde] wegens onverschuldigde betaling wordt toegewezen.

Uitspraak

Datum Uitspraak: 18-3-2026 Instantie: Rechtbank Gelderland Zaaknummer: 11834735

Datum Opslag: 24-4-2026 Rechtsgebied: Civiel recht Concipiënt: Woudenberg, R.W. (Rechtbank Gelderland)

Opmerking(en): Geen sprake van een overeenkomst van geldlening tussen partijen. Ook geen sprake van conversie. De vordering in conventie wordt daarom afgewezen en de vordering in reconventie wordt toegewezen op grond van onverschuldigde betaling.

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11834735 \ CV EXPL 25-6287
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
MPERIUM BEHEER B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Mperium,
gemachtigde: mr. I. Villamor Martinez,
tegen
[gedaagde],
te [plaatsnaam] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: Bleijerveld Juridisch Advies B.V..

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 augustus 2025 en de daarin genoemde processtukken;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijk) reconventie, tevens akte wijziging van eis;
- de akte overlegging productie van [gedaagde] ;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] sluit op 12 april 2021 een leningsovereenkomst met Ice Cream Media B.V. op basis waarvan Ice Cream Media B.V. vanaf 1 april 2021 maandelijks een bedrag van
€ 3.000,- over maakt naar [gedaagde] (leningsovereenkomst 1). In totaal heeft Ice Cream Media B.V. 15 maanden lang een bedrag van € 3.000,- naar [gedaagde] overgemaakt, derhalve in totaal € 45.000,-.
2.2.
Op 23 september 2022 wordt Ice Cream Media B.V. ontbonden.
2.3.
Over een periode van februari 2023 tot en met mei 2024 betaalt [gedaagde] dertien termijnen van € 1.000,00 aan Mperium, in totaal een bedrag van € 13.000,00.
2.4.
Bij brief van 28 augustus 2024 wordt [gedaagde] gesommeerd om een bedrag van
€ 3.000,00 te betalen over de periode juni tot en met augustus 2024.
2.5.
Op 4 september 2024 stuurt [gedaagde] een e-mailbericht naar [naam 2] van Mperium met daarin onder meer:
“Daarnaast heb ik nooit de akte ontvangen van het overnemen van de lening. (…) De regeling van artikel 3:94 lid 4 BW Pro stelt de debiteur in staat bewijs te verkrijgen omtrent het bestaan van een titel van overdracht. In afwachting hiervan is de debiteur bevoegd de betaling op te schorten (art. 6:37 BW Pro). Deze opschortingsbevoegdheid blijft bestaan wanneer de debiteur ook na de raadpleging van de titel nog op redelijke gronden twijfelt aan de geldigheid van de cessie.
Graag ontvang ik de akte van overname dat het officieel geregeld is. Ik zal de bataling dan direct doen.”
2.6.
Op 12 september 2024 stuurt [naam 2] van Mperium een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin onder andere de geldleningsovereenkomst 2 gedateerd op
20 september 2022. Op geldleningsovereenkomst 2 staan als partijen genoemd Mperium, [gedaagde] en Ice Cream Media B.V. Geldleningsovereenkomst 2 is niet ondertekend.
2.7.
Bij e-mailbericht van 17 september 2024 schrijft [gedaagde] naar [naam 2] van Mperium, voor zover van belang, dat hij naar geldleningsovereenkomst 2 heeft gekeken met zijn adviseur, maar dat dit geen akte van cessie is.
2.8.
Op 13 december 2024 stuurt [naam 2] van Mperium een e-mailbericht naar [gedaagde] met daarin voor zover van belang:
“Aangaande de akte van cessie: er is helemaal geen sprake van een cessie, en dus ook niet van een akte van cessie.
Er zijn twee leningen: de lening van Ice Cream Media aan [gedaagde] (lening 1), en de lening die Mperium aan [gedaagde] (lening 2). Het geld van lening 2 is niet aan [gedaagde] ter beschikking gesteld, maar aan Ice Cream Media om de belastingschuld mee af te lossen. De gelden die als lening 2 ter beschikking zijn gesteld, strekten ook tot kwijting van lening 1, werden dus op lening 1 in mindering gebracht. Er is dus geen sprake van cessie aangezien er noot een lening is overgedragen aan een nieuwe schuldeisers., er bestaan twee leningen naast elkaar waarbij de ene (mede) strekt tot kwijting van de andere.”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Mperium vordert - samengevat - na vermeerdering van eis, uitvoerbaar bij voorraad, dat de kantonrechter:
primair:
1. [gedaagde] veroordeelt tot nakoming van leningsovereenkomst 2, waaronder in ieder geval de achterstallige termijnen tot en met 22 mei 2025 zijn begroot op een bedrag van € 11.000,00, vermeerder met 8% contractuele rente vanaf 30 juni 2024 ten bedrage van € 785,97;
subsidiair:
2. de tussen Ice Cream Media B.V. en Mperium verrichte rechtshandeling converteert in een geldige cessie op grond van leningsovereenkomst 1 en [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 11.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2024 ten bedrage van € 589,48;
zowel primair als subsidiair:
3. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 1.075,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
4. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.
3.2.
Mperium legt aan haar vordering ten grondslag dat Ice Cream Media B.V. en [gedaagde] een leningsovereenkomst zijn aangegaan. Vanwege opheffing van Ice Cream Media B.V. heeft Mperium een bedrag van € 45.000,- betaald aan Ice Cream Media B.V. ter aflossing van de lening van [gedaagde] . Voor laatstgenoemd bedrag hebben Mperium en [gedaagde] een nieuwe leningsovereenkomst gesloten (geldleningsovereenkomst 2), waarin partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] maandelijks een bedrag van € 1.000,00 aan Mperium zou (terug)betalen. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit hoofde van laatstgenoemde leningsovereenkomst. Vanaf juni 2024 heeft Mperium geen betaling meer van [gedaagde] ontvangen. Subsidiair legt Mperium aan haar vordering ten grondslag dat partijen hebben bedoeld om de lening middels cessie over te dragen. Daarvoor ontbreekt een akte van cessie en deze nietige rechtshandeling tussen Ice Cream Media B.V. en Mperium kan worden geconverteerd naar een rechtsgeldige cessie van de vordering van Ice Cream Media B.V. op [gedaagde] aan Mperium, met als gevolg dat Mperium als schuldeisers van [gedaagde] wordt aangemerkt. Wegens het uitblijven van de betaling heeft Mperium haar vordering uit handen gegeven, reden waarom zij ook aanspraak maakt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en rente.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Mperium, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Mperium, met veroordeling van Mperium in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijk) reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert - samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van Mperium tot betaling van een bedrag van € 13.000,00, vermeerderd met kosten.
3.6.
[gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij in de periode februari 2023 tot en met mei 2024 in totaal een bedrag van € 13.000,00 heeft betaald aan Mperium ter aflossing van een geldlening tussen [gedaagde] en Ice Cream Media B.V.. Dit bedrag heeft hij onverschuldigd betaald aan Mperium en moet zij daarom aan hem terugbetalen.
3.7.
Mperium voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Geldleningsovereenkomst
4.2.
Mperium vordert in conventie een bedrag van € 11.000,00 van [gedaagde] uit hoofde van geldleningsovereenkomst 2. [gedaagde] betwist nadrukkelijk dat partijen deze overeenkomst zijn aangegaan. Hij heeft de overeenkomst niet ondertekend en ook niet mondeling aanvaard. Hij heeft geldleningsovereenkomst 2 pas gezien nadat hij de aflossingen aan Mperium, in totaal € 13.000,00, al had gedaan en al geruime tijd was opgehouden met aflossen. Ook blijkt uit alle vragen en verklaring van [gedaagde] vanaf medio 2022 dat hij niet op de hoogte was van geldleningsovereenkomst 2. Hij onderbouwt dit met diverse e-mailberichten. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.3.
Tussen partijen staat vast dat Ice Cream Media B.V. een lening heeft verstrekt aan [gedaagde] ten bedrage van € 45.000,00, leningsovereenkomst 1. Mperium stelt dat zij een bedrag van € 45.000,00 aan Ice Cream Media B.V. heeft betaald ter aflossing van de schuld van [gedaagde] en dat zij een nieuwe lening van € 45.000,00 aan [gedaagde] heeft verstrekt. De afspraken hierover zijn vastgelegd in leningsovereenkomst 2. Niet in geschil is dat leningsovereenkomst 2 door partijen niet is ondertekend. Mperium beroept zich op het bestaan van de geldleningsovereenkomst waardoor de bewijslast op grond van de hoofdregel (artikel 150 Rv Pro) op haar rust. Zij heeft haar standpunt onderbouwd met de niet getekende geldleningsovereenkomst 2, een afschrift van haar betaling van € 45.000,00 aan Ice Cream Media B.V. en een overzicht van betalingen van [gedaagde] aan Mperium. Uit deze stukken blijkt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] , onvoldoende dat partijen geldleningsovereenkomst 2 daadwerkelijk hebben gesloten. Uit de omstandigheid dat [gedaagde] dertien betaling van ieder € 1.000,00 (in totaal een bedrag van € 13.000,00) aan Mperium heeft verricht kan – anders dan Mperium betoogt – niet worden afgeleid dat hij uitvoering heeft gegeven aan leningsovereenkomst 2. [gedaagde] verkeerde in de veronderstelling dat Mperium de leningsovereenkomst van Ice Cream Media B.V. had overgenomen door middel van cessie. Dat blijkt uit de e-mailberichten die [gedaagde] naar Mperium heeft gestuurd. Zodra duidelijk was dat er geen sprake was van cessie is [gedaagde] gestopt met betalen. Op basis van het voorgaande is niet vast te komen te staan dat partijen geldleningsovereenkomst 2 hebben gesloten. Deze overeenkomst kan daarom niet als grondslag dienen voor toewijzing van de vordering.
Conversie
4.4.
Subsidiair legt Mperium aan haar vordering ten grondslag dat uit de partijbedoeling blijkt dat partijen geldleningsovereenkomst 1 door middel van cessie over wilden dragen aan Mperium. Een akte daarvoor ontbreekt, waardoor geen sprake is van een rechtsgeldige cessie. Ingevolge artikel 3:42 BW Pro zou deze nietige rechtshandeling moeten worden geconverteerd naar een rechtsgeldige rechtshandeling; aldus Mperium.
4.5.
Voor conversie op grond van artikel 3:42 BW Pro is nodig dat de strekking van de nietige rechtshandeling in een zodanige wijze beantwoordt aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier niet het geval. Tussen partijen kan als vaststaand worden aangenomen dat de partijbedoeling van partijen geen cessie is geweest. Mperium heeft onweersproken gesteld dat zij Lexence de opdracht heeft verstrekt om geldleningsovereenkomst 2 op te stellen. Daarnaast heeft [naam 2] van Mperium bij e-mailbericht van 13 december 2024, zoals omschreven in randnummer 2.6., aan [gedaagde] bevestigd dat geen sprake is van een cessie. Dat de partijbedoeling een akte van cessie is geweest, blijkt nergens uit. Hierdoor kan ook geen sprake zijn van een nietige rechtshandeling. Daarbij komt ook nog dat de rechtszekerheid tussen partijen vereist dat terughoudend moet worden omgegaan met conversie. De slotsom is daarom dat ook deze grondslag geen grond is voor toewijzing van de vordering in conventie.
Onverschuldigde betaling
4.6.
In reconventie vordert [gedaagde] een bedrag van € 13.000,00 van Mperium wegens onverschuldigde betaling. Wil hiervan sprake zijn dan moet de betaling aan Mperium zonder rechtsgrond zijn verricht (artikel 6:203 BW Pro). Dat betekent dat er geen verhouding aanwijsbaar is die het verrichten van de prestatie rechtvaardigt.
4.7.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] een bedrag van € 13.000,00 aan Mperium heeft betaald. Zoals hiervoor is overwogen is niet vast komen te staan dat deze betalingen op basis van een geldleningsovereenkomst, meer specifiek geldleningsovereenkomst 2, tussen partijen zijn verricht of op basis van een rechtsgeldige cessie. Een ander grondslag op basis waarvan deze betalingen zijn verricht is niet gesteld nog gebleken. Daarmee is komen vast te staan dat deze betalingen zonder rechtsgrond, en dus onverschuldigd, zijn verricht. De kantonrechter wijst daarom het gevorderde bedrag van € 13.000,00 toe.
Conclusie
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hoofdvordering in conventie wordt afgewezen. Dat geldt ook voor de nevenvorderingen, omdat die daarmee samenhangen. De vordering in reconventie wordt toegewezen. Dat betekent dat Mperium een bedrag van
€ 13.000,00 aan [gedaagde] moet betalen.
Proceskosten
4.9.
Mperium wordt zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden in conventie begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00
4.10.
In reconventie worden de proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 360,00
(2 punten x factor 0,5 x € 360,00) aan salaris gemachtigde.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van Mperium af,
5.2.
veroordeelt Mperium in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
5.3.
veroordeelt Mperium om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 13.000,00,
5.4.
veroordeelt Mperium in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt Mperium tot betaling van de kosten van betekening als Mperium niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.
47414 / 68707