In deze civiele procedure vorderde Riverty GmbH betaling van € 687,11 van de gedaagde, vermeerderd met rente en kosten. Riverty verzocht vervolgens om royement van de procedure, oftewel intrekking van de vordering. De gedaagde wenste echter een beslissing over de proceskosten en stemde niet in met doorhaling van de procedure.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd was op grond van de Brussel I bis-Verordening, omdat de gedaagde in Nederland woonachtig is en de eisende partij een buitenlandse rechtspersoon is. De rechtskeuze voor Nederlands recht werd niet weersproken, zodat Nederlands recht van toepassing is.
De kantonrechter stelde vast dat doorhaling van de procedure alleen mogelijk is met instemming van beide partijen. Omdat de gedaagde niet instemde, kon de procedure niet worden doorgehaald en werd het verzoek van Riverty opgevat als intrekking van de vordering. De rechtbank hoefde daarom niet meer over de vordering te oordelen.
Wel werd een beslissing genomen over de proceskosten. Omdat Riverty de procedure had aangevangen maar vervolgens haar vordering introk, werden de proceskosten van de gedaagde als nodeloos veroorzaakt beschouwd. Riverty werd veroordeeld tot betaling van € 288,00 aan proceskosten, inclusief salaris gemachtigde en nakosten, te vermeerderen met kosten van betekening indien niet tijdig betaald.